De industriële samenleving en haar toekomst

Inhoud

Inleiding
Communiquévan de Unabomber
De industriële samenleving en haar toekomst 

   – inleiding
   – de psychologie van het moderne linksisme
   – minderwaardigheidsgevoelens  
   – oversocialisering 
   – het machtsproces  
   – surrogaat-activiteiten
   – autonomie
   – oorzaken van maatschappelijke problemen 
   – ontwrichting van het machtsproces in de moderne samenleving 
   – hoe sommige mensen zich aanpassen 
   – de beweegredenen van wetenschappers
   – de aard van de vrijheid
   – enkele historische wetmatigheden
   – de industrieel-technologische samenleving kan niet worden hervormd 
   – beperking van vrijheid is onvermijdelijk in de industriële samenleving 
   – de ‘slechte’ kanten van technologie kunnen niet worden gescheiden van      de’goede’ kanten 
   – in het maatschappelijk krachtveld is de technologie sterker dan het    strevennaar vrijheid  
   – eenvoudigere maatschappelijke problemen zijn onoplosbaar gebleken  
   – revolutie is eenvoudiger dan hervorming
   – sturing van menselijkgedrag
   – de mensheid op een kruispunt
   – menselijk lijden
   – de toekomst 
   – strategie
   – twee soorten technologie
   – het gevaar van het linksisme 
   – slotopmerkingen

Noten
16 bommen in 17 jaar:het spoor van de unabomber

Inleiding

Met de arrestatie van Theodore (Ted) Kaczinski hoopt de Verenigde Staten een van haar ‘meest gezochte misdadigers’, de Unabomber, in handen te hebben. Sinds 1978 pleegde hij zestien bomaanslagen, waarbij drie doden en 23 gewonden vielen. Er stond een beloning van een miljoen dollar op zijn hoofd en een speciaal team van 150 FBI-agenten heeft tienduizend getuigen en verdachten ondervraagd en 50 miljoen dollar gespendeerd om hem te pakken te krijgen. Uiteindelijk lijkt de Unabomber’s vurigste wens, de publikatie van het manifest The Industrial Society and Its Future in een landelijk dagblad, hem te hebben verraden. Ted’s broer David herkent de schrijfstijl van zijn broer en neemt een privé-detective in de arm. Samen gaan ze op onderzoek uit. Het blijkt dat Ted geregeld op dezelfde plaatsen is geweest als waar de Unabomber in de loop der jaren heeft toegeslagen. Reden genoeg om de FBI in te schakelen. Deze schaduwen Ted’s hut in de bossen bij Montana waar hij als een kluizenaar zonder elektriciteit en stromend water woont. Begin april besluiten ze hem te arresteren en inmiddels hebben zij voldoende bewijsmateriaal verzameld om hem voor de rechtbank te laten verschijnen. 
De miljoen dollar die David Kaczinski opstreek voor het aangeven van zijn broer, heeft hij ter beschikking gesteld aan de nabestaanden van de Unabomber-slachtoffers. 

Het eerste explosief van de Unabomber, een sigarendoos met daarin eenlucifer-ontsteking en elastieke banddetonatoren, wordt op 25 mei 1978 aangetroffenop de parkeerplaats van de University of Illinois, Chigaco. Het pakketjebereikt zijn doel, een professor aan het Polytechnisch Instituut Rensselaerniet. In plaats daarvan raakt een agent van de campus die het pakketjeverdacht genoeg vindt om het open te maken gewond. Bijna een jaar laterontploft een tweede pakketbom op de Northwestern University. Pas bij eenderde bom in de buik van een Boeing 727 tijdens een vlucht van Chigaconaar Washington op 15 november 1979 waarbij twaalf gewonden vallen, wordtde aandacht van de FBI getrokken. Deze derde aanslag brengt de twee vorigeaan het licht. Een lange vruchteloze speurtocht naar Amerika’s dodelijkeLuddiet vangt aan.

Deze speurtocht belet de Unabomber niet een boekbom te sturen aan PercyWood, president van United Airlines. Deze aanval op Wood is voor de FBIaanleiding de voor hun ongrijpbare seriebommenwerper om te dopen tot ‘Unabomber’,waarbij ‘Un’ staat voor university en ‘a’ airlines. Uit de aanslagen dievolgen wordt duidelijk dat de Unabomber het vooral heeft gemunt op academicidie zich bezig houden met belangrijk onderzoek op het gebied van nieuwetechnologieën. Later, in 1985, richt hij zich ook op eigenaren vancomputerwinkels. Een van hen verliest op 11 december 1985 het leven, wanneerhij een pakketje op de parkeerplaats voor zijn deur oppakt. Het is de Unabomber’seerste dodelijke slachtoffer. 
De aanslag op de manager van een computerwinkel in Salt Lake City op20 februari 1987, wordt de Unabomber bijna fataal. Hij wordt opgemerktdoor de secretaresse, maar haar beschrijving van “iemand met een muts enzwarte grote zonnebril” is volgens de FBI zo beroerd dat niet eens de kleurvan zijn haar of zijn leeftijd kan worden vastgesteld. De opvatting vande FBI over het motief van de Unabomber schiet al net zo tekort. Ze beschouwenhem als een eenzame gek die handelt vanuit persoonlijke motieven. Zo zouhij ooit een vliegtuigstoel hebben moeten afstaan of zijn ontslagen alsautomatiseringsdeskundige.
De Unabomber houdt zich na deze laatste aanslag echter een tijdje gedeisd.Omdat de Unabomber-eenheid van de FBI ook niet meer verder komt, wordtzij eind jaren ’80 opgeheven. 

Halverwege 1993 doet de Unabomber, wellicht geïnspireerd door deaanslag op het Wereldhandelscentrum in New York, plotseling weer van zichspreken. Op 22 juni raakt een geneticus van de University of Tiburon (Californië)zwaar gewond door een Unabomberpakketje. Twee dagen later wordt computer-programmeurDavid Gelertner van de Yale University het slachtoffer. Rond deze tijd benadert de Unabomber voor het eerste The New York Times,waarbij hij laat weten dat de bombardementen het werk zijn van de FreedomClub (FC). Het FBI-team wordt in allerijl weer in het leven geroepen, maar kanniet voorkomen dat er nog een tweede dode valt. Op 10 december 1994 wordtThomas Mosser, directeur van het reclamebureau Burston-Marsteller dat inde ogen van de Unabomber verantwoordelijk is voor het ‘groenwassen’ vande milieuramp veroorzaakt door de Exxon-Valdez, gedood als hij thuis eenpostpakketje opent. Op 24 april 1995 arriveert een met tape dichtgeplaktedoos op het hoofdkwartier van de Forest Association in Californië.Geamuseerd speculeert de staf dat het wel eens een bom zou kunnen zijn.Omdat de secretaresse het niet open krijgt, overhandigt ze het aan haarbaas Gilbert Murray – ook al was het pakketje dan geadresseerd aan zijnvoorganger William Dennison. Deze maakt het open en komt door de explosieom het leven. 

Twee dagen later stuurt de Unabomber een brief aan The New York Times,een aantal andere Amerikaanse dagbladen en David Gelertner waarin de FreedomClub laat weten dat “nu de tijd rijp is voor het verspreiden van haar anti-industriëleideeën”. De Unabomber belooft geen aanslagen meer te plegen als hetmanifest van de Freedom Club, Industrial Society and Its Future, wordtgepubliceerd. Om zijn eisen kracht bij te zetten, verstuurt de Unabomber nog eenaantal brieven. In de eerste, gericht aan de Nobelprijs-laureaten voorbiologie en genetische manipulatie Richard Roberts van Boston Biotech enPhilip Sharpe van het Technologisch Instituut te Massachusetts, wijst hijhen erop hoezeer de Freedom Club gekant is tegen hun onderzoekingen. Eindjuni 1995, ontvangt de luchthaven van Los Angeles een brief waarin wordtgedreigd op een dag een vliegtuig op te blazen. De volgende dag, wanneerinmiddels al een peperdure veiligheidsoperatie op gang is gekomen, wordtin een nieuwe brief de vorige afgedaan als een grap. 

Op 2 juli 1995, de dertiende verjaardag van het eerste Unabombardementop Berkeley, arriveert daar een volgend pakket van de Freedom Club. Ondanksde waarschuwingen van de FBI, wordt het pakket opengemaakt door een hoogleraarin de psychologie, die eerder in een artikel had beweerd dat de Unabombereen psychopaat is zonder geldige motieven. Tot zijn opluchting ontdekthij dat het slechts een kopie bevat van Industrial Society and Its Futureen een lijst indringende vragen, waarin de draak wordt gestoken met dekarikatuur die de hoogleraar eerder van de Unabomber had geschetst. TerwijlThe New York Times en andere kranten nog twijfelen of ze het manifest zullenpubliceren, zijn andere bladen naarstig op zoek naar een primeur. De meestbizarre onderhandeling vindt plaats tussen de Unabomber en Penthouse. DeUnabomber stemt erin toe dat dit blad het manifest publiceert, maar danwil hij vanwege de “allerbelabberdste kwaliteit” van Penthouse nog ééntechnocraat ombrengen. Duidelijk ongelukkig met deze deal biedt uitgeverBob Guccione de Unabomber een maandelijkse column als alternatief. 
Deze deal gaat uiteindelijk niet door omdat The New York Times en TheWashington Post op 19 september tot publikatie over gaan. De redactiesbenadrukken dat ze dit niet doen om journalistieke redenen, maar in hetbelang van de openbareveiligheid. Hoofd-aanklager Janet Reno en FBI-directeurLouis Freeh bevestigen dat zij enige druk op de redactie hebben uitgeoefend.Beide kranten krijgen er overigens elk 30 duizend dollar voor. Om technischeredenen wordt het zes pagina’s lange manifest eerst uitgebracht als bijlagevan The Washington Post. De bijlage wordt opzettelijk midden in de weekuitgebracht omdat de oplage dan lager is.
Time Warner is zo goed om Industrial Society and Its Future onmiddellijkop Internet te zetten. Twee dagen later, op 21 september 1995, staat hetmanifest ook in The Oakland Tribune. Dit, zo zegt de redactie, opdat lezersde auteur kunnen herkennen aan zijn manier van schrijven en hem eventueelkunnen aangeven. 

De discussie over de inhoud van het manifest is dan al in alle hevigheidlosgebarsten. Velen prijzen de inzichten van de Freedom Club omtrent demalheur van het moderne bestaan. Andere vinden het hoogdravend en slechtseen herhaling van eerder geformuleerde kritieken op de industriëlesamenleving. Vooral in gematigd linkse kringen valt het manifest slecht.Niet alleen distantiëren ze zich van het door de Freedom Club gepropageerdegeweld, ook zijn ze gepikeerd over de aan hun gerichte kritiek welke eencentrale plaats inneemt in het manifest. De meer radicale groepen warenvaak wel te spreken over het manifest. Enkele van deze groepen startenonlangs zelfs een campagne, Ted for President!. Theodore Kaczinski heeftlaten weten niet beschikbaar te zijn. 

Amsterdam, juni 1996 

Communiqué van de Unabomber

Uit: New York Times, woensdag 26 april 1995.

DIT IS EEN BOODSCHAP
van de terroristische groepering Freedom Club.

Afgelopen december hebben we Thomas Mosser opgeblazen, omdat hij in de directie zat van Burston-Marsteller. Burston-Marsteller heeft zich schuldig gemaakt aan diverse wandaden. Het bedrijf heeft onder andere meegeholpen het imago van Exxon op te poetsen na het incident met de Exxon Valdez. Maar we hebben onze aanslag op Burston-Marsteller eigenlijk niet zozeer gepleegd vanwege specifieke wandaden, als wel op algemene gronden. Burston-Marsteller is zo ongeveer de grootste organisatie op het gebied van public relations.

Dat betekent dat zij actief zijn in het ontwikkelen van technieken om opvattingen van mensen te manipuleren. Vooral om die reden, en niet zozeer vanwege hun optreden in specifieke gevallen, hebben we een bom gestuurd naar een directielid van deze onderneming.

In sommige nieuwsberichten is ten onrechte gesteld dat wij aanslagen zouden plegen op universiteiten en geleerden. We hebben niets tegen universiteiten of geleerden als zodanig. Alle mensen van universiteiten op wie we een aanslag hebben gepleegd, waren specialisten op technische gebieden. (Wij beschouwen bepaalde gebieden van de toegepaste psychologie, zoals gedragsbeïnvloeding, als technische gebieden.) We zouden niet willen dat er ook maar iemand denkt dat we graag letsel willen toebrengen aan hoogleraren die zich wijden aan archeologie, geschiedenis, literatuur of dergelijke onschuldige materie. De mensen op wie wij het hebben gemunt, zijn natuurwetenschappers en ingenieurs, vooral op doorslaggevende gebieden als informatica en genetica. Bij de bom die was geplaatst op de Business School aan de Universiteit van Utah is het een en ander misgegaan. We zullen niet zeggen wat er precies is misgegaan, omdat we de FBI geen aanwijzingen willen geven. Er is niemand gewond geraakt door die bom.

In onze vorige brief aan deze krant noemden we onszelf anarchisten. Aangezien ‘anarchist’ een vaag begrip is, dat wordt gebruikt voor verschillende maatschappijopvattingen, is een nadere uitleg nodig. We noemen onszelf anarchisten omdat ons ideaal is om de gehele samenleving op te delen in zeer kleine, volkomen autonome eenheden. Helaas is ons niet duidelijk hoe we dat doel zouden kunnen bereiken, dus we hebben het op de lange baan geschoven. Ons doel op de korte termijn, dat volgens ons in de komende decennia verwezenlijkt zou kunnen worden, is de vernietiging van het wereldwijde industrieel systeem. Door middel van onze bomaanslagen hopen we in de industriële samenleving de maatschappelijke instabiliteit te bevorderen, anti-industriële ideeën te propageren en iedereen die het industrieel systeem haat een hart onder de riem te steken.

De FBI heeft geprobeerd deze bomaanslagen af te doen als het werk van een eenzelvige gek. We zullen geen tijd verspillen aan de vraag of we gek zijn, maar we zijn in ieder geval niet eenzelvig. Om veiligheidsredenen zullen we niet onthullen hoeveel leden onze groep heeft, maar wie de moeite neemt om de bladen van anarchisten en van de radicale milieubeweging te lezen, zal zien dat de oppositie tegen het industrieel-technologisch systeem wijdverbreid is en nog steeds groeit.

Waarom maken we onze doelstellingen nu pas bekend, terwijl we zo’n zeventien jaar geleden onze eerste bom al hebben gemaakt? Onze eerste bommen hadden te weinig rendement om de aandacht te trekken van een groot publiek, of om mensen met een afkeer van het systeem een hart onder de riem te steken. De ervaring leerde dat buskruit-bommen die klein genoeg waren om onopvallend te worden vervoerd, te krachteloos waren om veel schade aan te richten, dus we namen een paar jaar de tijd om wat dingen uit te proberen. In die tijd hebben we geleerd hoe we staafbommen moesten maken die wel krachtig genoeg waren, en we hebben die bij diverse geslaagde en een aantal niet geslaagde bomaanslagen gebruikt.

[Passage weggelaten in oorspronkelijke publikatie op verzoek van de FBI: waarschijnlijk ontwerpdetails van een hulpmiddel om eisen kracht bij te zetten.]

Nu we niet meer gebonden zijn aan metalen buizen voor onze explosieven, kunnen we onze bommen de grootte en vorm geven die we zelf willen. We zijn er vrij zeker van dat we weten hoe we de kracht van onze explosieven kunnen vergroten, en het aantal batterijen dat nodig is om ze te laten afgaan kunnen verkleinen. Zoals we net al zeiden, denken we nu ook te beschikken over effectiever fragmentatiemateriaal. We verwachten dan ook dat we dodelijke bommen in steeds kleinere, lichtere en onschuldiger uitziende pakjes kunnen verpakken. Aan de andere kant denken we dat we veel grotere bommen kunnen maken dan we ooit gemaakt hebben. Met een aktetas of een reiskoffer vol explosieven zouden we in staat moeten zijn om de muren van behoorlijk grote gebouwen weg te blazen.

We zijn dus duidelijk in staat om heel wat schade aan te richten. En het ziet er niet naar uit dat de FBI ons op korte termijn in de kraag zal grijpen. De FBI is een lachertje.

De mensen die al die onzin over groei en vooruitgang aan ons opdringen, verdienen het om streng te worden gestraft. Maar uiteindelijk is het ons er niet om te doen om hen te straffen, maar om ideeën te propageren. We worden het trouwens een beetje zat om bommen te maken. Er is weinig lol aan om al je avonden en weekenden te spenderen aan het klaarmaken van gevaarlijke mengsels, het vervaardigen van ontstekingsmechanismen uit stukken metaal, of het afstropen van de sierra’s op zoek naar een plek die afgelegen genoeg is om een bom uit te proberen. Daarom doen we een voorstel. We beschikken over een uitvoerig artikel, van 29.000 tot 37.000 woorden, dat we gepubliceerd willen zien. Als u het volgens onze eisen publiceert, zullen we voorgoed afzien van verdere terroristische activiteiten. Het moet worden gepubliceerd in de New York Times, Time of Newsweek, of in een ander veelgelezen, landelijk verspreid blad. In verband met de lengte zal het naar we aannemen in afleveringen moeten verschijnen. Het mag ook worden gepubliceerd in de vorm van een boekje, maar voor dat boek moet dan veel reclame worden gemaakt en het moet in het hele land en ook op een aantal plaatsen in het buitenland tegen een redelijke prijs in de boekhandel verkrijgbaar zijn. Wie het materiaal wil uitgeven, heeft er zes maanden lang de exclusieve rechten op en mag de eventuele winst in eigen zak steken. Na die zes maanden vanaf de eerste verschijningsdatum van het artikel of boek moet het openbaar bezit worden, zodat iedereen het kan reproduceren of publiceren. (Als het materiaal in afleveringen wordt gepubliceerd, wordt iedere aflevering zes maanden na verschijning openbaar bezit.) We moeten het recht krijgen om elk jaar, tot drie jaar na het verschijnen van ons artikel of boek, drieduizend woorden te publiceren in de New York Times, Time of Newsweek om iets aan ons artikel toe te voegen, onze visie te verduidelijken of te reageren op kritiek.

Het artikel zal niet expliciet oproepen tot geweld. Er zal onvermijdelijk impliciet uit blijken dat wij geweld soms noodzakelijk achten, aangezien wij de industriële samenleving willen elimineren en zelf geweld gebruikt hebben om dat doel te bereiken. Maar het artikel zal niet expliciet oproepen tot geweld. Er zal ook niet in worden gepleit voor het omverwerpen van de regering van de Verenigde Staten en er zal niets obsceens in staan of iets anders waarvan u de publikatie als onaanvaardbaar zou kunnen beschouwen. Hoe kunt u weten dat we ons zullen houden aan onze belofte om van terrorisme af te zien als aan onze voorwaarden wordt voldaan? Het zal in ons eigen voordeel zijn om onze belofte na te komen. We willen steun krijgen voor bepaalde ideeën. Als we onze belofte breken, zullen mensen hun respect voor ons verliezen en minder geneigd zijn om onze ideeën te accepteren.

Op ons aanbod om van terrorisme af te zien maken we op drie punten een voorbehoud. Ten eerste: Onze belofte geldt pas als alle delen van het artikel of het boek zijn verschenen. Ten tweede: Als de autoriteiten erin zouden slagen om ons op te sporen en er een poging wordt gedaan om iemand van ons te arresteren, of zelfs maar te ondervragen in verband met de bomaanslagen, behouden we ons het recht voor om geweld te gebruiken. Ten derde: We maken onderscheid tussen terrorisme en sabotage. Met terrorisme bedoelen we acties die zijn ingegeven door de wens om de ontwikkelingen in een samenleving te beïnvloeden, en die erop gericht zijn om mensen letsel toe te brengen of te doden. Met sabotage bedoelen we acties vanuit dezelfde motivatie die erop zijn gericht om eigendommen te vernietigen zonder mensen letsel toe te brengen. Ons aanbod is dat we beloven af te zien van terrorisme. We behouden ons het recht voor om sabotage te plegen.

Het is misschien maar goed dat het mislukken van onze eerste aanslagen ons ervan heeft weerhouden om indertijd openbare uitspraken te doen. We waren toen nog erg jong en onbezonnen.

Door de jaren heen hebben we net zoveel aandacht besteed aan de ontwikkeling van onze ideeën als aan het ontwikkelen van bommen, en we hebben nu echt iets serieus te melden. We hebben ook het gevoel dat de tijd er nu echt rijp voor is om anti-industriële ideeën te presenteren.

Wilt u ervoor zorgen dat het antwoord op ons aanbod uitgebreid in de media aan de orde komt, zodat we het niet over het hoofd zullen zien. Maak vooral goed duidelijk waar en hoe ons materiaal zal worden gepubliceerd en hoe lang het duurt voordat het in druk verschijnt als we het manuscript eenmaal hebben ingestuurd. Als het antwoord bevredigend is, zullen we het manuscript voltooien en het u toesturen. Als het antwoord onbevredigend is, beginnen we met het maken van onze volgende bom. We moedigen u aan om deze brief te plaatsen.

Freedom Club  

De industriële samenleving en haar toekomst 

Inleiding

1. De Industriële Revolutie en de gevolgen ervan zijn rampzalig geweest voor de mensheid. Ze hebben in ruime mate de levensverwachting verhoogd van degenen onder ons die in de ‘ontwikkelde’ landen leven, maar ze hebben de samenleving ontwricht, het leven zijn voldoening ontnomen, de mensen onderworpen aan vernederingen, alom tot geestelijk lijden geleid (in de Derde Wereld ook tot lichamelijk lijden) en grote schade aangericht aan de natuur. De voortschrijdende ontwikkeling van de technologie zal de toestand alleen maar erger maken: het is wel zeker dat de mensen onderworpen zullen worden aan nog grotere vernederingen en dat de natuur nog meer schade zal ondervinden; daarnaast is het waarschijnlijk dat maatschappelijke ontwrichting en geestelijk lijden verder zullen toenemen; bovendien zal wellicht ook het lichamelijk lijden verergeren, zelfs in de ‘ontwikkelde’ landen. 

2. Het industrieel-technologisch systeem kan overleven of ten onder gaan. Als het overleeft, KAN het op den duur het fysiek en psychisch lijden verminderen, maar dan alleen na een pijnlijke periode van aanpassing, en alleen als mensen en vele andere levende organismen voorgoed worden gereduceerd tot stukjes techniek, tot niet meer dan radertjes in de sociale machine. Bovendien, als het systeem overleeft, zijn de gevolgen onvermijdelijk: het systeem kan niet worden verbeterd of aangepast om te voorkomen dat het mensen van hun waardigheid en autonomie berooft. 

3. Ook als het systeem instort, zal dat bijzonder pijnlijke consequenties hebben. Maar naarmate het systeem groter wordt, zullen de gevolgen van een ineenstorting rampzaliger zijn. Als het instort, kan dat dus maar beter zo snel mogelijk gebeuren. 

4. We pleiten dan ook voor een revolutie tegen het industriële systeem. Deze revolutie kan gewelddadig of geweldloos zijn, een uitbarsting of een geleidelijk proces van enkele decennia. Dat kunnen we niet voorspellen. Maar we geven wel in grote lijnen aan wat voor maatregelen degenen die walgen van het industriële systeem moeten treffen om de weg te bereiden voor een revolutie tegen dit type samenleving. Dit moet geen POLITIEKE revolutie worden. Het doel is niet om regeringen omver te werpen, maar om de economische en technologische basis van de huidige maatschappij te gronde te richten. 

5. In dit artikel besteden we aandacht aan slechts enkele negatieve ontwikkelingen die voortkomen uit het industrieel-technologisch systeem. Andere ontwikkelingen stippen we alleen aan, of laten we geheel buiten beschouwing. Dat betekent niet dat we die ontwikkelingen onbelangrijk vinden. Om praktische redenen moeten we ons hier beperken tot gebieden die onvoldoende aandacht hebben gekregen, of waarover wij iets nieuws te melden hebben. Er zijn bijvoorbeeld goed georganiseerde bewegingen op het gebied van natuur en milieu. Daarom hebben we weinig geschreven over de afbraak van het milieu of de vernietiging van de ongerepte natuur, ook al vinden we dit zeer belangrijke onderwerpen. 

De psychologievan het moderne linksisme 

6. Vrijwel iedereen zal het ermee eens zijn dat we leven in een ernstig gestoorde samenleving. Een van de meest verbreide uitingen van de gekte in onze wereld is het linksisme. Een discussie over de psychologie van het linksisme kan daarom dienen als inleiding tot een discussie over de problemen van de moderne samenleving in het algemeen. 

7. Maar wat is linksisme? In de eerste helft van de twintigste eeuw kon het linksisme vrijwel gelijk worden gesteld aan het socialisme. Vandaag de dag is er sprake van een versplinterde beweging en is het vaag wie met recht een linksist kan worden genoemd. Als we het in dit stuk hebben over linksisten bedoelen we vooral socialisten, collectivisten, ‘politiek correcte’ types, feministen, homo- en gehandicaptenactivisten, dierenbeschermingsactivisten en wat dies meer zij. Maar niet iedereen die zich met deze bewegingen inlaat is een linksist. Wat we in ons betoog over het linksisme duidelijk willen maken is dat het hier niet zozeer gaat om een beweging of ideologie als wel om een psychologisch type, of, beter gezegd, een verzameling van aan elkaar verwante typen. Wat we bedoelen met ‘linksisme’ zal dan ook duidelijker naar voren komen als we het gaan hebben over de linksistische psychologie (zie ook paragraaf 227-230). 

8. Wat we precies onder linksisme verstaan zal desondanks lang niet zo duidelijk worden als we zouden willen, maar daar lijkt niets aan te doen. We proberen alleen maar ruwweg aan te geven welke twee psychologische neigingen in onze ogen de belangrijkste drijfveren zijn van het moderne linksisme. In geen geval pretenderen we de VOLLEDIGE waarheid te vertellen over de linksistische psychologie. Bovendien betreft ons betoog alleen het moderne linksisme. We gaan niet in op de vraag in hoeverre onze uiteenzetting van toepassing is op linksisten uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. 

9. De twee psychologische neigingen die aan het moderne linksisme ten grondslag liggen, noemen we ‘minderwaardigheidsgevoelens’ en ‘oversocialisering’. Minderwaardigheidsgevoelens zijn typerend voor het moderne linksisme als geheel, terwijl oversocialisering alleen kenmerkend is voor een bepaald deel van het moderne linksisme; maar wel voor een zeer invloedrijk deel. [ Noot van de vertaler: leftism is in de gehele tekst vertaald met ‘linksisme’, en leftist met ‘linksist’. Dit om te benadrukken dat de Freedom Club kritiek levert op linkszijn als ‘-isme’, als dogma; niet op linkszijn als zodanig. De begrippen ‘linksigheid’ en ‘linksige’ zijn daarom tweede keus. mh] 

Minderwaardigheidsgevoelens 

10. Met ‘minderwaardigheidsgevoelens’ bedoelen we niet alleen gevoelens van minderwaardigheid in de strikte zin van het woord, maar ook een heel spectrum van aanverwante eigenschappen: gebrek aan zelfrespect, gevoelens van machteloosheid, depressieve neigingen, defaitisme, schuldbesef, zelfhaat, enzovoorts. We stellen dat moderne linksisten neigen tot deze gevoelens (mogelijk in meer of mindere mate onderdrukt), en dat die gevoelens bepalend zijn voor de richting waarin het moderne linksisme zich ontwikkelt. 

11. Wanneer iemand bijna alles als denigrerend beschouwt wat over hem wordt gezegd (of over groeperingen waarmee hij zich identificeert), concluderen we dat hij minderwaardigheidsgevoelens heeft, of een gebrek aan zelfrespect. Deze neiging is duidelijk aanwezig bij pleitbezorgers voor de rechten van minderheidsgroepen, ook als ze zelf geen deel uitmaken van de groepen waarvoor ze opkomen. Ze zijn overgevoelig voor de termen waarmee minderheden worden aangeduid. De termen ‘neger’, ‘oosterling’, ‘invalide’ of ‘griet’ voor een Afrikaan, een Aziaat, een gehandicapte of een vrouw, hadden oorspronkelijk helemaal geen negatieve bijbetekenis. ‘Wijf’ en ‘griet’ waren gewoon de vrouwelijke equivalenten van ‘vent’, ‘gozer’ of ‘kerel’. De negatieve connotaties zijn aan deze termen verbonden door de activisten zelf. Sommige pleitbezorgers van dierenrechten gaan zelfs zo ver dat ze het woord ‘huisdier’ afwijzen en eisen dat je ‘dierlijke medebewoner’ zegt. Linksistische antropologen wringen zich in allerlei bochten om toch vooral niets over primitieve volkeren te zeggen dat misschien wel als negatief zou kunnen worden opgevat. Ze willen ‘primitief’ vervangen door ‘zonder schrift’. Ze lijken wel paranoïde over alles wat de indruk zou kunnen wekken dat er primitieve culturen bestaan die minderwaardig zijn aan de onze. (We willen niet beweren dat primitieve culturen minderwaardig ZIJN aan de onze. We geven alleen maar aan hoe overgevoelig linksistische antropologen zijn.) 

12. De hoogste mate van gevoeligheid voor ‘politiek incorrect’ taalgebruik vind je niet bij de doorsnee zwarte gettobewoner, Aziatische immigrant, mishandelde vrouw of gehandicapte, maar bij een minderheidsgroep van activisten, van wie velen niet eens behoren tot een ‘onderdrukte’ groep, maar juist tot de bevoorrechte lagen van de samenleving. Echte bolwerken van politieke correctheid vind je onder hoogleraren met een vaste baan en een riant salaris, merendeels heteroseksuele, blanke mannen uit de middenklasse. 

13. Veel linksisten identificeren zich verregaand met de problemen van groepen die de naam hebben zwak te zijn (vrouwen), overwonnen (Amerikaanse Indianen), afstotelijk (homoseksuelen), of anderszins minderwaardig. De linksisten vinden deze groepen zélf minderwaardig. Ze zullen zichzelf nooit bekennen dat ze dergelijke gevoelens hebben, maar juist omdat ze deze groepen als minderwaardig beschouwen, identificeren ze zich met hun problemen. (We willen niet beweren dat vrouwen, indianen en anderen minderwaardig ZIJN; we maken alleen iets duidelijk over de linksistische psychologie.) 

14. Feministen zijn er enorm op gebrand om te bewijzen dat vrouwen net zo sterk en capabel zijn als mannen. Ze zijn kennelijk doodsbenauwd dat vrouwen misschien wel NIET zo sterk en capabel zijn als mannen. 

15. Linksisten hebben vaak een afkeer van alles waar kracht, goedheid of succes van afstraalt. Ze hebben een hekel aan Amerika, aan de Westerse beschaving, aan blanke mannen, aan rationaliteit. De redenen die linksisten noemen voor hun haat tegen het Westen, etc., komen duidelijk niet overeen met hun ware motieven. Ze ZEGGEN dat ze de pest hebben aan het Westen omdat het oorlogszuchtig is, imperialistisch, seksistisch, etnocentrisch enzovoorts, maar als dezelfde tekortkomingen voorkomen in socialistische landen of in primitieve culturen, praat de linksist deze goed. Hooguit geeft hij KNARSETANDEND toe dat dat ze bestaan; terwijl hij deze misstanden ENTHOUSIAST aan de kaak stelt (en ze daarbij meestal zwaar overdrijft) als ze voorkomen in de Westerse beschaving. Het is dus duidelijk dat deze gebreken voor de linksist niet de werkelijke reden vormen voor zijn afkeer van Amerika en het Westen. Die afkeer wordt veroorzaakt door de kracht en het succes van Amerika en het Westen. 

16. Termen als ‘zelfvertrouwen’, ‘onafhankelijkheid’, ‘initiatief’, ‘ondernemingszin’, ‘optimisme’ spelen nauwelijks een rol in het progressieve en linksistische vocabulair. De linksist is anti-individualistisch, pro-collectivistisch. Hij wil dat de samenleving alle problemen voor iedereen oplost, voor iedereen zorgt. Hij is niet iemand die vertrouwt op zijn eigen kunnen om zijn eigen boontjes te doppen en zijn eigen behoeften te bevredigen. De linksist moet niets hebben van wedijver, omdat hij zich diep in zijn hart een mislukkeling voelt. 

17. Uit de kunst waartoe moderne linksistische intellectuelen zich aangetrokken voelen, spreekt meestal iets van smerigheid, verslagenheid of wanhoop; de toon kan ook orgiastisch zijn: met het afwerpen van de rationele beheersing wordt de hoop opgegeven om via rationele afweging iets tot stand te kunnen brengen. Het enige wat rest, is je overgeven aan de sensaties van het moment. 

18. Hedendaagse linksistische filosofen hebben de neiging om rede, wetenschap en objectieve werkelijkheid te verwerpen. Ze houden vol dat alles cultureel bepaald is. Natuurlijk kun je grote vraagtekens zetten bij de grondslagen van wetenschappelijke kennis en bij de wijze waarop het begrip ‘objectieve werkelijkheid’ wordt gedefinieerd, als dat al mogelijk is. Maar het is duidelijk dat moderne linksistische filosofen zich niet beperken tot koel logisch denken en een systematische analyse van de grondslagen van kennis. Ze zijn emotioneel sterk betrokken bij hun aanval op waarheid en werkelijkheid. Zij vallen deze begrippen aan vanwege hun eigen psychologische behoeften. Om te beginnen dient hun aanval als uitlaatklep voor hun agressie en wordt, voorzover hun opzet slaagt, hun machtshonger erdoor bevredigd. Nog belangrijker is dat linksisten een afkeer hebben van wetenschap en rationaliteit omdat daarin bepaalde opvattingen als waar worden beschouwd (d.w.z. geslaagd, superieur) en andere als onwaar (mislukt, inferieur). De minderwaardigheidsgevoelens van de linksist zitten zo diep dat hij het niet kan verdragen als sommige zaken worden beoordeeld als geslaagd en superieur en andere als mislukt of inferieur. Dat is ook de uiteindelijke reden waarom veel linksisten het begrip geestesziekte van de hand wijzen en IQ-tests zinloos vinden. Linksisten moeten niets hebben van genetische verklaringen voor menselijke vermogens of gedragingen, omdat dergelijke verklaringen de schijn wekken dat sommige personen beter of minder zijn dan anderen. Linksisten stellen liever dat het aan de samenleving te danken of te wijten is wat iemand voor vermogens of gebreken heeft. In die opvatting is iemands ‘inferioriteit’ niet zijn eigen schuld, maar de schuld van de samenleving, omdat hij niet goed is opgevoed. 

19. De typische linksist uit zijn gevoelens van minderwaardigheid niet door op te scheppen, alleen aan zichzelf te denken,anderen te koeioneren, zichzelf aan te prijzen of over lijken te gaan. Zo iemand gelooft nog een beetje in zichzelf. Hij schiet tekort in het besef van zijn eigen macht en in zijn gevoel van eigenwaarde, maar hij weet nog wel dat hij sterk over kan komen, en zijn pogingen om sterk over te komen, leiden tot zijn onaangename gedrag (1). Maar de linksist is daarvoor al te ver heen. Zijn gevoelens van minderwaardigheid zitten er zo diep ingebakken dat hij zichzelf niet kan zien als een sterk en waardevol individu. Vandaar het collectivisme van de linksist. Hij kan zich alleen sterk voelen als lid van een grote organisatie of een massabeweging waarmee hij zich identificeert. 

20. Let op de masochistische trekjes van linksistische actievormen. Linksisten protesteren door voor voertuigen te gaan liggen, ze dagen politie en racisten doelbewust uit om hen te mishandelen, etcetera. Deze actievormen zijn misschien wel vaak effectief, maar veel linksisten gebruiken ze niet als middel om een doel te bereiken maar omdat ze DE VOORKEUR GEVEN aan masochistische actievormen. Zelfhaat is een linksistische eigenschap. 

21. Linksisten mogen dan wel beweren dat hun activisme is ingegeven door mededogen of morele principes, en inderdaad spelen morele principes een rol bij de linksist van het overgesocialiseerde type, maar mededogen en morele principes kunnen nooit de belangrijkste drijfveren zijn voor linksistisch activisme. Daarvoor is linksistisch gedrag te agressief en te zeer gericht op het verwerven van macht. Bovendien is bij het meeste linksistische gedrag niet rationeel afgewogen of het wel ten goede komt aan de mensen die de linksisten zeggen te willen helpen. Als iemand bijvoorbeeld vindt dat positieve actie goed is voor zwarten, heeft het dan zin om in agressieve en dogmatische bewoordingen positieve actie te eisen? Het is natuurlijk produktiever om een diplomatieke en verzoenende toon aan te slaan en op zijn minst verbaal en symbolisch concessies te doen aan blanken die menen dat deze programma’s discriminerend voor hen zijn. Maar linksistische activisten kiezen niet voor een dergelijke benadering, omdat die hun emotionele behoeften niet zou bevredigen. Zwarten helpen is niet hun werkelijke doel. Integendeel, rassenproblemen dienen voor hen als excuus om hun eigen agressie en gefrustreerde hang naar macht te uiten. Door zo te handelen schaden ze in feite de zwarten, omdat de agressieve houding van de activisten jegens de blanke meerderheid de rassenhaat versterkt. 

22. Als onze samenleving helemaal geen maatschappelijke problemen kende, zouden de linksisten problemen moeten UITVINDEN om zich ergens druk over te kunnen maken. 

23. We benadrukken nog eens dat het voorafgaande niet bedoeld is als een nauwgezette beschrijving van iedereen die kan worden beschouwd als een linksist. Het is slechts een ruwe schets van een algemene tendens in het linksisme. 

Oversocialisering 

24. Psychologen gebruiken de term ‘socialisering’ voor het proces waarin kinderen wordt geleerd om te denken en te handelen zoals de maatschappij dat wil. Iemand wordt goed gesocialiseerd genoemd als hij gelooft in en zich houdt aan de normen en waarden van die maatschappij, en goed functioneert binnen die maatschappij. Het lijkt onzinnig om te beweren dat veel linksisten overgesocialiseerd zijn. De linksist wordt immers beschouwd als een rebel. Toch is deze opvatting wel te verdedigen. Veel linksisten zijn niet zo rebels als ze lijken. 

25. De normen en waarden van onze samenleving eisen zo veel van ons, dat niemand volledig volgens de heersende moraal kan denken, voelen en handelen. We worden bijvoorbeeld geacht niemand te haten, maar vrijwel iedereen haat ooit wel eens iemand, of hij het zichzelf nu wil bekennen of niet. Sommige mensen zijn zozeer gesocialiseerd dat hun streven om moreel te denken, voelen en handelen als een zware last op hun schouders drukt. Om zich niet schuldig te voelen moeten ze voor zichzelf voortdurend de schijn ophouden, en morele verklaringen zien te vinden voor gevoelens en handelingen die in werkelijkheid een niet-morele oorsprong hebben. We noemen zulke mensen ‘overgesocialiseerd’ (2). 

26. Oversocialisering kan leiden tot een gebrek aan zelfrespect, een gevoel van machteloosheid, defaitisme, schuldgevoel, etcetera. Een heel belangrijke vorm van socialisering in onze maatschappij is kinderen te leren dat ze zich moeten schamen over gedrag of taalgebruik dat ingaat tegen de verwachtingen van de samenleving. Als dit te ver wordt doorgedreven, of als een bepaald kind erg vatbaar is voor zulke gevoelens, gaat hij zich uiteindelijk schamen voor ZICHZELF. Bij een overgesocialiseerd persoon worden denken en handelen bovendien meer beperkt door de maatschappelijke verwachtingen dan bij een minder gesocialiseerd persoon. De meeste mensen vertonen behoorlijk wat ‘ondeugend’ gedrag. Ze liegen, plegen kleine diefstallen, overtreden verkeersregels, lopen er op het werk de kantjes van af, ze haten iemand, ze zeggen gemene dingen, of ze gebruiken een of ander achterbaks truukje om een ander voor te zijn. De overgesocialiseerde mens doet dat soort dingen niet, en als hij ze wel doet, levert dat gevoelens van schaamte en zelfhaat op. De overgesocialiseerde mens kán niet eens zonder schuldbesef iets denken of voelen wat in strijd is met de heersende moraal; hij laat geen ‘onzuivere’ gedachten toe. En bij socialisering gaat het niet alleen om morele zaken; we worden ook gesocialiseerd om ons aan gedragsnormen te houden die niet onder het kopje ‘moraal’ thuishoren. Zo wordt de overgesocialiseerde persoon psychologisch geknecht en snelt hij zijn leven lang voort over rails die de samenleving voor hem heeft aangelegd. Veel overgesocialiseerde mensen voelen zich hierdoor geremd en machteloos, en kunnen daar ten zeerste onder gebukt gaan. Oversocialisering lijkt ons een van de ergste wreedheden die mensen elkaar kunnen aandoen. 

27. Wij stellen dat een groot en invloedrijk deel van modern links overgesocialiseerd is, en dat die oversocialisering in hoge mate de koers van het moderne linksisme bepaalt. Linksisten van het overgesocialiseerde type zijn meestal intellectuelen, of behoren tot de hogere middenklasse. Merk op dat intellectuelen op universiteiten (3) het meest gesocialiseerde segment van de samenleving vormen, en ook het meest linkse segment. 

28. De linksist van het overgesocialiseerde type probeert zich van zijn psychologische leiband te ontdoen en zijn autonomie te bekrachtigen door te rebelleren. Maar meestal is hij niet sterk genoeg om tegen de meest fundamentele waarden van de maatschappij in opstand te komen. Over het algemeen zijn de doeleinden van hedendaagse linksisten NIET in strijd met de gangbare moraal. Integendeel, links neemt een algemeen aanvaard moreel principe over, maakt het zich eigen, en beschuldigt vervolgens de samenleving van schending van dat principe. Voorbeelden: rassengelijkheid, gelijkheid der seksen, hulp aan de armen, vrede als tegengesteld aan oorlog, geweldloosheid in het algemeen, vrijheid van meningsuiting, diervriendelijkheid. Op fundamenteler niveau gaat het dan om de plicht van het individu om de samenleving ten dienste te zijn en de plicht van de samenleving om voor het individu te zorgen. Al deze waarden zijn al lange tijd diep geworteld in onze samenleving (of op zijn minst in de middelste en hogere lagen van de bevolking (4). Deze waarden worden expliciet of impliciet uitgedragen of als aanvaard verondersteld in het materiaal dat ons wordt aangereikt door de gevestigde communicatie-media en het onderwijs. Linksisten, met name die van het overgesocialiseerde type, komen meestal niet tegen deze principes in opstand maar rechtvaardigen hun vijandigheid jegens de samenleving door te stellen (niet geheel ten onrechte) dat de samenleving zich niet aan deze principes houdt. 

29. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop de overgesocialiseerde linksist duidelijk blijk geeft van zijn verbondenheid met de geldende normen in onze samenleving, terwijl hij juist pretendeert ertegen in opstand te komen. Veel linksisten staan achter positieve actie: zwarten aan goede banen helpen, het onderwijs op zwarte scholen verbeteren en meer subsidie geven aan zulke scholen. De manier waarop de zwarte ‘onderklasse’ leeft, beschouwen ze als een schande voor de maatschappij. Ze willen de zwarte mens integreren in het systeem, zorgen dat hij directeur wordt, of advocaat, of wetenschapper, net als de blanken uit de hogere middenklasse. De linksisten zullen hier tegenin brengen dat dat wel het laatste is wat ze willen, van de zwarte mens een kopie van de blanke maken; integendeel, ze willen juist de Afro-Amerikaanse cultuur behouden. Maar waaruit bestaat dit streven naar behoud van de Afro-Amerikaanse cultuur? Uit nauwelijks meer dan het eten van gerechten uit de zwarte keuken, het luisteren naar zwarte muziekstijlen, het dragen van zwarte kledingstijlen en het bezoeken van zwarte kerken of moskeeën. Met andere woorden, het mag zich slechts uiten in bijkomstigheden. Gaat het echter om ESSENTIELE kwesties, dan willen de linksisten van het overgesocialiseerde type dat de zwarte mens zich aanpast aan de idealen van de blanke middenklasse. Ze willen dat hij technische vakken studeert, leidinggevende wordt of wetenschapper, dat hij zijn leven wijdt aan het beklimmen van de status-ladder, om te bewijzen dat zwarten net zo goed zijn als blanken. Ze willen dat zwarte vaders ‘verantwoordelijkheid’ dragen; ze willen dat zwarte straatbendes geweldloos worden, enzovoorts. En dat zijn precies de waarden van het industrieel-technologisch systeem. Het laat het systeem volkomen koud naar wat voor muziek iemand luistert, wat voor kleren iemand draagt of wat voor geloof iemand aanhangt, zolang hij maar naar school gaat, een goede baan heeft, carrière maakt, een ‘verantwoordelijke’ ouder is, geweldloos is en ga zo maar door. Hoezeer hij het ook zal ontkennen, in feite wil de overgesocialiseerde linksist de zwarte mens integreren in het systeem en hem de waarden van dat systeem opleggen. 

30. We willen zeker niet beweren dat linksisten, zelfs die van het overgesocialiseerde type, NOOIT in opstand komen tegen de fundamentele waarden van de samenleving. Dat doen ze soms duidelijk wel. Sommige overgesocialiseerde linksisten zijn zelfs in opstand gekomen tegen een van de voornaamste principes van de huidige samenleving, door lichamelijk geweld te gebruiken. Naar eigen zeggen is geweld voor hen een vorm van ‘bevrijding’. Met andere woorden, door geweld te gebruiken ontdoen ze zich van het psychologisch keurslijf dat hen is aangemeten. Omdat ze overgesocialiseerd zijn, is dit keurslijf voor hen knellender dan voor anderen; vandaar hun behoefte zich eruit te bevrijden. Maar gewoonlijk rechtvaardigen ze hun rebellie met een beroep op algemeen gangbare waarden. Als ze geweld gebruiken, doen ze dat onder het mom van het bestrijden van racisme of iets dergelijks. 

31. We realiseren ons dat er vele bezwaren zijn aan te voeren tegen bovenstaande ruwe schets van de linksistische psychologie. De werkelijke situatie is complex, en een enigermate volledige beschrijving zou ettelijke boekdelen vergen, als de daartoe benodigde gegevens al beschikbaar zouden zijn. We hebben slechts ruwweg aangegeven wat de twee belangrijkste tendensen zijn binnen de psychologie van het moderne linksisme. 

32. De problemen van de linksist weerspiegelen de problemen van onze samenleving als geheel. Gebrek aan zelfrespect, depressieve neigingen en defaitisme beperken zich niet tot links. Hoewel deze problemen vooral opvallen bij links, zijn ze wijdverbreid in de gehele maatschappij. Nog nooit was de socialisering zo ver doorgevoerd als in de huidige samenleving. We krijgen zelfs van deskundigen te horen hoe we moeten eten, hoe we moeten sporten, hoe we de liefde moeten bedrijven, hoe we onze kinderen moeten grootbrengen, en ga zo maar door. 

Het machtsproces 

33. Mensen hebben behoefte (waarschijnlijk biologisch bepaald) aan iets wat we ‘het machtsproces’ zullen noemen. Die behoefte aan het machtsproces hangt nauw samen met de behoefte aan macht (die algemeen erkend wordt), maar is niet helemaal hetzelfde. Het machtsproces bestaat uit vier elementen. De drie meest duidelijk te onderscheiden elementen noemen we: doel, inspanning en bereiken van het doel. (Iedereen heeft doelen nodig die alleen door inspanning te bereiken zijn, en iedereen heeft de behoefte om in ieder geval enkele van deze doelen te bereiken). Het vierde element is moeilijker te omschrijven en is misschien niet voor iedereen noodzakelijk. We noemen het autonomie en komen erop terug in de paragrafen 42-44. 

34. Neem het hypothetische geval van een man die alles kan krijgen wat hij maar wenst. Zo’n man heeft macht, maar hij zal in ernstige psychologische problemen komen. In het begin zal hij het goed naar zijn zin hebben, maar gaandeweg zal hij zich vreselijk gaan vervelen en afgestompt raken. En uiteindelijk wordt hij misschien chronisch depressief. Uit de geschiedenis blijkt dat aristocratieën zonder al te veel verplichtingen vaak decadent worden. Dat geldt niet voor aristocratieën die moeten vechten voor machtsbehoud. Maar gevestigde aristocratieën die de tijd aan zichzelf hebben en zich niet hoeven in te spannen gaan zich gewoonlijk vervelen, geven zich over aan hedonisme en raken afgestompt, ook al hebben ze macht. Hieruit blijkt dat macht alleen niet voldoende is. Een mens moet ook doelen nastreven om zo zijn macht te kunnen uitoefenen. 

35. Iedereen heeft doelen; al is het alleen maar om te voorzien in de eerste levensbehoeften: eten, drinken en het soort kleding en onderdak dat het betreffende klimaat vereist. Maar de aristocraat van het goede leven hoeft zich daar niet voor in te spannen. Vandaar zijn verveling en afgestomptheid. 

36. Het niet bereiken van belangrijke doelen leidt tot de dood als het om eerste levensbehoeften gaat, en tot frustratie als het niet bereiken van die doelen verenigbaar is met overleven. Als je er je hele leven niet in slaagt om doelen te bereiken, leidt dat tot defaitisme, gebrek aan zelfrespect of depressiviteit. 

37. Om ernstige psychologische problemen te vermijden, heeft een mens dus doelen nodig die door inspanning bereikt kunnen worden, en moet hij er in redelijke mate in slagen om zijn doelen te verwezenlijken. 

Surrogaat-activiteiten 

38. Niet iedere aristocraat met veel vrije tijd raakt echter verveeld of afgestompt. Keizer Hirohito, bijvoorbeeld, verzonk niet in decadent hedonisme, maar verdiepte zich in de biologie van de zee, en verwierf ook enig gezag op dat gebied. Als mensen zich niet hoeven in te spannen voor hun eerste levensbehoeften, stellen ze zich dikwijls kunstmatige doelen. In veel gevallen streven ze deze doelen na met dezelfde energie en emotionele betrokkenheid die ze anders in het vervullen van hun basisbehoeften hadden gestoken. Zo hadden de aristocraten van het Romeinse Rijk hun literaire pretenties; en veel Europese aristocraten besteedden enkele eeuwen geleden ontzettend veel tijd en energie aan de jacht, hoewel ze het vlees helemaal niet nodig hadden; andere aristocratieën streefden naar status door uitgebreid met hun rijkdom te pronken; en enkele aristocraten, zoals Hirohito, wijdden zich aan de wetenschap. 

39. We gebruiken de term ‘surrogaat-activiteit’ om een activiteit te omschrijven die gericht is op een kunstmatig doel dat mensen zich enkel en alleen stellen om ergens naar toe te werken, anders gezegd: enkel en alleen om de ‘voldoening’ die ze putten uit het nastreven van een doel. Voor de herkenning van surrogaat-activiteiten hanteren we de volgende vuistregel. Als iemand veel tijd en energie steekt in het bereiken van doel X, stel je de vraag: als hij het grootste deel van zijn tijd en energie moest steken in het bevredigen van zijn primaire behoeften, en als hij daartoe zijn lichamelijke en geestelijke vermogens op afwisselende en interessante wijze moest gebruiken, zou hij zich dan ernstig misdeeld voelen omdat hij doel X niet kon bereiken? Als het antwoord ‘nee’ is, dan is het streven van die persoon naar doel X een surrogaat-activiteit. Dat Hirohito zich bezighield met de biologie van de zee was duidelijk een surrogaat-activiteit: we mogen aannemen dat Hirohito, als hij zijn tijd had moeten besteden aan interessant niet-wetenschappelijk werk om in zijn primaire levensbehoeften te voorzien, het niet als een ernstig gemis had ervaren dat hij niets wist van de anatomie en de levenscycli van zeedieren. Aan de andere kant is het streven naar seks en liefde (bijvoorbeeld) geen surrogaat-activiteit, omdat de meeste mensen, zelfs al zijn ze verder tevreden met hun bestaan, zich te kort gedaan zouden voelen als hun leven voorbijging zonder dat ze ooit een relatie hadden met iemand van de andere sekse. (Maar het streven naar buitensporig veel seks, meer dan de werkelijke behoefte, kan wel een surrogaat-activiteit zijn.) 

40. In de moderne industriële samenleving kost het maar weinig moeite om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Het volstaat om door middel van een opleiding een of andere simpele technische vaardigheid onder de knie te krijgen, vervolgens op tijd op het werk te komen en daar de zeer geringe inspanning op te brengen die nodig is om een baan te behouden. De enige vereisten zijn een bescheiden mate van intelligentie, en bovenal, gewoon GEHOORZAAMHEID. Wie daarover beschikt, wordt door de samenleving verzorgd van de wieg tot het graf. (Ja, er bestaat een onderklasse die niet verzekerd is van de eerste levensbehoeften, maar we hebben het hier over de grootste gemene deler.) Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat je in de moderne samenleving overal surrogaat-activiteiten ziet: wetenschappelijk werk, sportprestaties, liefdadigheidswerk, kunstzinnige en literaire schepping, carrière maken, geld en goederen vergaren die al lang niets meer toevoegen aan het levensgenot, en maatschappelijk activisme gericht op zaken die geen betrekking hebben op de activist zelf, zoals bij blanke activisten die opkomen voor de rechten van niet-blanke minderheden. Dit zijn niet altijd pure surrogaat-activiteiten, omdat ze bij veel mensen deels zijn ingegeven door andere behoeftes dan de behoefte om een doel na te streven. Wetenschappelijk werk kan deels voortkomen uit een hang naar prestige; kunstzinnige schepping uit de behoefte om gevoelens te uiten; militant sociaal activisme uit agressie. Maar voor de meeste mensen die ze najagen, zijn deze activiteiten grotendeels surrogaat-activiteiten. Zo zullen de meeste wetenschappers er waarschijnlijk mee instemmen dat de ‘voldoening’ die hun werk hun schenkt belangrijker is dan het geld en het prestige dat het oplevert. 

41. Voor veel, misschien wel voor alle mensen zijn surrogaat-activiteiten minder bevredigend dan het nastreven van echte doelen (dat wil zeggen, doelen die mensen zelfs zouden willen bereiken als hun behoefte aan het machtsproces al was bevredigd). In de meeste gevallen blijkt dat mensen die surrogaat-activiteiten ontplooien nooit tevreden zijn, nooit rust kennen. De geldwolf blijft maar streven naar meer rijkdom. De wetenschapper heeft het ene probleem nog niet opgelost of hij begint al aan het volgende. De langeafstandloper dwingt zichzelf om steeds maar verder en verder te rennen. Veel mensen die zich bezighouden met surrogaat-activiteiten zullen zeggen dat ze daarin veel meer voldoening vinden dan in de ‘banale’ bevrediging van hun biologische behoeften, maar dat komt alleen maar omdat er in onze samenleving nauwelijks nog enige inspanning vereist is voor de bevrediging van biologische behoeften. En wat nog belangrijker is: in onze samenleving bevredigen mensen hun primaire behoeften niet AUTONOOM, maar door te functioneren als onderdeel van een immens maatschappelijk apparaat. Daarentegen hebben mensen over het algemeen wel een grote mate van autonomie bij het ontplooien van hun surrogaat-activiteiten. 

Autonomie 

42. Autonomie hoeft niet voor ieder individu een noodzakelijk onderdeel van het machtsproces te zijn. Maar de meeste mensen hebben in meer of mindere mate behoefte aan autonomie bij het nastreven van hun doelen. Ze willen zelf het initiatief nemen, en ook het verdere verloop ervan zelf bepalen. Toch betekent dat voor de meeste mensen niet dat zij als enige de verantwoordelijkheid willen dragen voor het initiatief en het verdere verloop. Het is meestal afdoende als ze deel uitmaken van een KLEINE groep. Dus als zes mensen met elkaar een doel afspreken en er gezamenlijk in slagen om dat doel te bereiken, is aan hun behoefte aan het machtsproces voldaan. Maar als ze nauwomschreven bevelen krijgen van hogerhand, die geen ruimte bieden voor autonome besluitvorming en eigen initiatief, zal hun behoefte aan het machtsproces niet worden bevredigd. Hetzelfde geldt wanneer besluiten collectief worden genomen, als de groep die de gezamenlijke beslissing neemt zo groot is dat afzonderlijke individuen geen rol van betekenis meer spelen (5). 

43. Het is waar dat sommige individuen weinig behoefte lijken te hebben aan autonomie. Ofwel hun machtshonger is niet groot, ofwel ze stillen die door zich te identificeren met een of andere machtige organisatie waartoe ze behoren. En dan zijn er nog de onnadenkende, animale types, die tevreden lijken met een puur fysieke machtsbeleving (de goede frontsoldaat, die zijn gevoel van macht ontleent aan de aangeleerde gevechtstechnieken die hij met plezier toepast in blinde gehoorzaamheid aan zijn meerderen). 

44. Maar voor de meeste mensen is het machtsproces – een doel hebben, een AUTONOME inspanning leveren en dat doel bereiken – dé manier om eigenwaarde, zelfvertrouwen en machtsgevoel te verwerven. Als iemand onvoldoende gelegenheid heeft gehad om het hele machtsproces door te maken, zijn de gevolgen (afhankelijk van het individu en de manier waarop het machtsproces is verstoord): verveling, afstomping, gebrek aan zelfrespect, minderwaardigheidsgevoelens, defaitisme, depressiviteit, angst, schuldgevoel, frustratie, agressie, mishandeling van partner of kinderen, onverzadigbaar hedonisme, abnormaal seksueel gedrag, slaapproblemen, eetstoornissen, enzovoorts (6). 

Oorzaken vanmaatschappelijke problemen 

45. Alle bovengenoemde symptomen kunnen in elke samenleving voorkomen, maar in de hedendaagse industriële samenleving komen ze op zeer grote schaal voor. We zijn niet de eersten die opmerken dat de wereld vandaag de dag de waanzin nabij lijkt. Dat is niet normaal voor menselijke samenlevingen. Er is reden genoeg om aan te nemen dat de primitieve mens minder last had van stress en frustratie, en tevredener was met zijn manier van leven dan de hedendaagse mens. Het was zeker niet allemaal rozegeur en maneschijn in primitieve samenlevingen. Mishandeling van vrouwen en kinderen was heel gewoon bij Australische aboriginals, transseksualiteit kwam vrij veel voor bij sommige Amerikaanse Indianenstammen. Maar OVER HET GEHEEL GENOMEN lijkt het erop dat de verschillende soorten problemen die we in de vorige paragraaf hebben opgesomd bij primitieve volkeren veel minder voorkwamen dan in de moderne samenleving. 

46. De sociale en psychische problemen van de moderne samenleving wijten we aan het volgende: deze samenleving dwingt mensen om te leven onder omstandigheden die radicaal verschillen van die waaronder de mensheid zich ontwikkelde, en om zich zodanig te gedragen dat dat ingaat tegen de gedragspatronen waaraan de mens van oudsher gewend was. Zoals we hierboven al stelden, heeft de mens onvoldoende gelegenheid om het machtsproces daadwerkelijk door te maken. Dat is in onze ogen de belangrijkste van de abnormale omstandigheden waaraan de moderne samenleving mensen onderwerpt. Maar het is niet de enige. Voordat we ons richten op verstoring van het machtsproces als oorzaak van maatschappelijke problemen, zullen we eerst enkele andere oorzaken bespreken. 

47. Onder de abnormale omstandigheden die zich in de moderne industriële samenleving voordoen, vallen onder andere: de extreem hoge bevolkingsdichtheid, de scheiding tussen mens en natuur, de enorme snelheid waarmee maatschappelijke veranderingen zich voltrekken en het ineenstorten van natuurlijke, kleinschalige gemeenschappen zoals het grootfamilieverband, het dorp of de stam. 

48. Het is algemeen bekend dat stress en agressie toenemen als mensen dichter op elkaar leven. De huidige bevolkingsdichtheid en de scheiding tussen mens en natuur zijn gevolgen van de technologische vooruitgang. In alle pre-industriële samenlevingen leefden mensen voornamelijk op het platteland. De Industriële Revolutie veroorzaakte een enorme groei van de steden en van het percentage van de totale bevolking dat er leeft, terwijl de moderne landbouwtechnologie ervoor heeft gezorgd dat de aarde veel meer mensen kan voeden dan ooit tevoren. (Daar komt nog bij dat technologie de gevolgen van een hoge bevolkingsdichtheid verergert, omdat mensen daardoor steeds meer mogelijkheden krijgen om overlast te veroorzaken. Bijvoorbeeld een scala aan luidruchtige apparaten: elektrische grasmaaiers, radio’s, motoren, enzovoorts. Als het gebruik van deze voorwerpen niet aan regels is gebonden, werkt de herrie op de zenuwen van mensen die van rust en stilte houden. Wordt het gebruik wel beperkt, dan zijn de gebruikers ervan gefrustreerd… Als deze apparaten nooit waren uitgevonden, zouden ze ook geen conflicten en frustraties hebben veroorzaakt.) 

49. Voor primitieve samenlevingen vormde de natuur (die gewoonlijk slechts langzaam verandert) een stabiele context die zekerheid bood. In de moderne wereld overheerst de maatschappij eerder de natuur dan omgekeerd, en de moderne samenleving verandert als gevolg van technologische ontwikkelingen zeer snel. Het ontbreekt ons dan ook aan een stabiele context. 

50. De conservatieven zijn dwazen: ze beklagen zich over het verval van traditionele waarden, maar tegelijkertijd juichen ze de technologische vooruitgang en economische groei toe. Blijkbaar dringt het niet tot hen door dat je geen snelle, drastische wijzigingen in de technologie en economie van een samenleving kunt aanbrengen zonder dat alle andere aspecten van de samenleving ook snel veranderen; en dat leidt onvermijdelijk tot het verval van traditionele waarden. 

51. Het verval van traditionele waarden leidt tot op zekere hoogte tot het verdwijnen van de banden die traditionele, kleinschalige maatschappelijke groepen bij elkaar houden. Deze groepen vallen ook uiteen doordat de huidige omstandigheden individuen dwingen of in de verleiding brengen om naar andere plaatsen te verhuizen, en zich zo los te maken uit hun gemeenschappen. Los van dat alles geldt dat een technologische samenleving familiebanden en plaatselijke gemeenschappen zwakker MOET maken om goed te kunnen functioneren. In de moderne samenleving is een individu in de eerste plaats trouw aan het systeem en pas in de tweede plaats aan een kleinschalige gemeenschap. Als de onderlinge loyaliteit van kleinschalige groepen sterker was dan de loyaliteit aan het systeem, zouden die gemeenschappen hun eigenbelang nastreven ten koste van het systeem. 

52. Stel je voor dat een overheidsfunctionaris of een directeur van een onderneming een neef, vriend of geloofsgenoot aan een baan helpt, in plaats van de meest geschikte kandidaat aan te nemen. Met een dergelijke vriendendienst plaats hij zijn persoonlijke loyaliteit boven zijn loyaliteit aan het systeem, en dat is ‘nepotisme’ of ‘discriminatie’, twee ernstige vergrijpen in de moderne samenleving. Samenlevingen met industriële aspiraties die er niet voldoende in geslaagd zijn om de persoonlijk of plaatselijk verschuldigde loyaliteit ondergeschikt te maken aan de loyaliteit aan het systeem, zijn meestal erg inefficiënt. (Kijk maar naar Latijns-Amerika.) In een ontwikkelde industriële samenleving is dan ook alleen ruimte voor kleinschalige gemeenschappen als ze zijn ontkracht, getemd, en verworden tot radertjes in het systeem (7). 

53. Een groeiende bevolkingsdichtheid, snelle veranderingen en de afbraak van gemeenschappen zijn algemeen erkende oorzaken van maatschappelijke problemen, maar we denken niet dat ze een afdoende verklaring vormen voor de omvang die de problemen vandaag de dag hebben aangenomen. 

54. Enkele pre-industriële steden waren erg groot en dichtbevolkt, maar hun inwoners leken niet zo erg onder psychologische problemen gebukt te gaan als de moderne mens. Er zijn in Amerika nog steeds dunbevolkte landelijke gebieden te vinden, en daar treffen we dezelfde problemen aan als in stedelijke gebieden, al zijn ze meestal wel minder acuut. Bevolkingsdichtheid is dus kennelijk niet de bepalende factor. 

55. Gedurende de negentiende eeuw leidde de Amerikaanse pioniersgeest en de trek naar het Westen, waarschijnlijk niet minder dan nu, tot het uiteenvallen van familieverbanden en kleinschalige gemeenschappen. Veel kerngezinnen leefden zelfs vrijwillig zo afgelegen, mijlenver van hun buren, dat ze tot geen enkele gemeenschap behoorden. Toch leken ze daar geen moeite mee te hebben. 

56. Daarnaast veranderde de Amerikaanse samenleving in die tijd erg snel en ingrijpend. Een man die geboren en getogen was in een blokhut, zich niets hoefde aan te trekken van wet en gezag, en grotendeels leefde van de jacht, had op latere leeftijd misschien een vaste baan in een ordelijke gemeenschap met streng toezicht op naleving van de wet. Dat waren ingrijpender veranderingen dan wat iemand vandaag de dag in zijn leven meemaakt, en toch schijnt dat toen niet tot psychologische problemen te hebben geleid. Sterker nog, in de negentiende eeuw blaakte de Amerikaanse samenleving van optimisme en zelfvertrouwen, wat van de huidige samenleving niet gezegd kan worden (8). 

57. Het verschil is volgens ons dat de moderne mens het gevoel heeft (grotendeels terecht) dat veranderingen hem worden OPGEDRONGEN, terwijl de negentiende-eeuwse pionier het gevoel had (ook grotendeels terecht) dat hij de veranderingen zelf teweegbracht, uit vrije wil. Een pionier vestigde zich op een stuk land naar eigen keuze, en maakte er eigenhandig een boerenbedrijf van. In die tijd had een hele provincie soms maar een paar honderd inwoners. Een provincie vormde een veel geïsoleerder en autonomer geheel dan tegenwoordig. De pionierende boer nam dus als lid van een betrekkelijk kleine groep deel aan de opbouw van een nieuwe, ordelijke gemeenschap. Het is de vraag of de vestiging van een dergelijke gemeenschap wel een verbetering was, maar in ieder geval bevredigde het de behoefte aan het machtsproces van de pionier. 

58. We kunnen nog andere voorbeelden noemen van samenlevingen waarin zich snelle veranderingen hebben voltrokken en/of waarin geen nauwe gemeenschapsbanden bestonden, zonder dat dat leidde tot de massale gedragsstoornissen die de huidige industriële samenleving vertoont. Wij menen dat de sociale en psychische problemen in de moderne samenleving vooral veroorzaakt worden door het feit dat mensen onvoldoende de gelegenheid hebben om het machtsproces op een normale manier te beleven. We zeggen niet dat de huidige samenleving de enige is waarin het machtsproces is verstoord. Waarschijnlijk hebben de meeste, zo niet alle ontwikkelde samenlevingen in meer of mindere mate belemmeringen opgeworpen voor het machtsproces. Maar in de moderne industriële samenleving is het probleem wel heel acuut geworden. Het linksisme is er, in ieder geval in zijn meest recente (midden-tot-laat-twintigste-eeuwse) vorm, ten dele een symptoom van dat er iets goed mis is met het machtsproces. 

Ontwrichting van het machtsproces in de moderne samenleving 

59. We delen de menselijke driften in drie groepen in: (1) de driften die bevredigd kunnen worden met minimale inspanning; (2) de driften die wel bevredigd kunnen worden, maar alleen met veel moeite; (3) driften die niet adequaat bevredigd kunnen worden, hoeveel moeite men er ook voor doet. Het machtsproces is het proces van bevrediging van de driften uit de tweede groep. Hoe meer driften er in de derde groep voorkomen, hoe groter de frustratie, woede, en uiteindelijk defaitisme, depressiviteit, etcetera. 

60. In de moderne industriële samenleving worden de natuurlijke menselijke driften meestal naar de eerste en derde categorie gedrongen, terwijl de tweede groep in toenemende mate bestaat uit kunstmatig opgewekte driften. 

61. In primitieve samenlevingen vallen de eerste levensbehoeften in het algemeen in groep 2: ze kunnen wordenbevredigd, maar dat kost wel veel moeite. Maar de moderne samenleving stelt zich min of meer garant voor ieders eerste levensbehoeften (9) en eist daar slechts een minimale inspanning voor terug, zodat de primaire behoeften in groep 1 belanden. (Misschien vindt niet iedereen dat de inspanning die je moet leveren om een baan te behouden ‘minimaal’ is; maar bij banen van lager en middelbaar niveau is gehoorzamen gewoonlijk de enige inspanning die gevraagd wordt. Je gaat zitten of staan waar ze zeggen dat je moet gaan zitten of staan, en je doet wat je moet doen op de manier waarop ze zeggen dat je het moet doen. Het komt maar zelden voor dat je je moet laten gelden, en in ieder geval is er nauwelijks sprake van autonomie in je werk, zodat je behoefte aan het machtsproces niet echt bevredigd wordt.) 

62. Sociale behoeften, zoals seks, liefde en status, vallen ook in de moderne samenleving meestal in groep 2, afhankelijk van de situatie van het individu (10). Tenzij mensen een buitengewoon sterke hang naar aanzien hebben, is de inspanning die ze zich moeten getroosten om de sociale behoeften te bevredigen niet groot genoeg om in afdoende mate aan de behoefte aan het machtsproces te voldoen. 

63. Er zijn dus bepaalde kunstmatige behoeften geschapen die in groep 2 vallen, en daardoor voorzien in de behoefte aan het machtsproces. Door middel van reclame- en marketingtechnieken wordt bij mensen de behoefte gekweekt aan zaken waar hun grootouders nooit naar verlangd of zelfs maar van gedroomd hebben. Je moet er heel wat voor doen om zo veel geld te verdienen dat je deze behoeften kunt bevredigen, ze vallen dan ook in categorie 2. (Zie echter paragraaf 80-82). De moderne mens moet zijn behoefte aan het machtsproces vooral bevredigen door het najagen van de kunstmatige behoeften die door reclame en marketing zijn gecreëerd (11), en door surrogaat-activiteiten. 

64. Het ziet ernaar uit dat veel mensen, misschien wel de meeste, niet genoeg hebben aan deze kunstmatige vormen van het machtsproces. Een regelmatig terugkerend thema in de geschriften van maatschappij-critici uit de tweede helft van de twintigste eeuw is het gevoel van doelloosheid dat veel mensen in de moderne samenleving kwelt. (Voor deze doelloosheid worden ook vaak andere termen gebruikt, zoals ‘anomie’ en ‘leegheid van het bestaan’.) Het lijkt ons dat de term ‘identiteitscrisis’ in feite staat voor ‘op zoek zijn naar zingeving’, vaak naar een mogelijkheid om zich te wijden aan een passende surrogaat-activiteit. Misschien is het existentialisme wel voor een groot deel een reactie op de doelloosheid van het moderne leven (12). Zeer wijdverbreid in de moderne samenleving is het zoeken naar ‘voldoening’. We denken echter dat voor de meerderheid der mensen een activiteit waarbij voldoening het voornaamste doel is (dat wil zeggen, een surrogaat-activiteit) niet daadwerkelijk voldoening biedt. Met andere woorden, zo’n activiteit voorziet niet geheel in de behoefte aan het machtsproces. (Zie paragraaf 41.) Die behoefte kan alleen volledig worden bevredigd door activiteiten met een extern doel, zoals eerste levensbehoeften, seks, liefde, status, wraak, enzovoort. 

65. Bovendien, als doelen worden nagestreefd door het verdienen van geld, het beklimmen van de status-ladder of het anderszins functioneren als onderdeel van het systeem, zijn de meeste mensen niet in de gelegenheid om hun doelen AUTONOOM na te streven. De meeste mensen die werken doen dat voor een ander. In paragraaf 61 wezen we er al op dat ze hun dagen slijten met doen wat ze wordt opgedragen op de manier waarop het ze wordt opgedragen. Zelfs de meeste mensen met een eigen zaak hebben maar een beperkte autonomie. Kleine ondernemers klagen altijd dat ze aan handen en voeten gebonden zijn door het woud van regels dat de overheid heeft ingesteld. Sommige van deze regels zijn ongetwijfeld overbodig, maar de meeste overheidsregels zijn essentiele en onmisbare onderdelen van onze buitengewoon ingewikkelde maatschappij. Een groot deel van de kleine bedrijven opereert tegenwoordig op basis van licenties. Een paar jaar geleden schreef de Wall Street Journal dat veel licentieverlenende ondernemingen eisen dat licentie-aanvragers een persoonlijkheidstest doen die erop gericht is om creatieve en initiatiefrijke mensen UIT TE SLUITEN, omdat zulke mensen niet meegaand genoeg zijn om zich braaf aan het licentiesysteem te houden. Daardoor kunnen veel mensen die juist een grote behoefte aan autonomie hebben geen kleine ondernemer worden. 

66. Vandaag de dag wordt het leven van mensen meer bepaald door wat het systeem VOOR hen doet of hen AANdoet, dan door wat ze voor zichzelf doen. En als ze iets voor zichzelf doen, maken ze daarbij steeds vaker gebruik van de kanalen die door het systeem zijn gecreëerd. De geboden kansen zijn meestal de kansen die het systeem biedt, kansen die moeten worden benut overeenkomstig de geldende regels (13), en die alleen kans van slagen hebben bij gebruik van door deskundigen voorgeschreven technieken. 

67. En zo wordt het machtsproces in onze samenleving verstoord door een gebrek aan echte doelen, en een gebrek aan autonomie bij het nastreven van doelen. Maar wat ook verstorend werkt zijn de menselijke driften uit groep 3: de driften die je niet kunt bevredigen, hoeveel moeite je ook doet. Een van deze driften is de behoefte aan zekerheid. Ons leven is afhankelijk van beslissingen die andere mensen nemen; we hebben geen invloed op deze beslissingen en gewoonlijk kennen we de mensen die ze nemen niet eens. (‘We leven in een wereld waarin betrekkelijk weinig mensen – misschien 500 tot 1000 – de belangrijke beslissingen nemen’ – Philip B. Heymann van Harvard Law School, geciteerd door Anthony Lewis, New York Times, 21 april 1995.) Ons voortbestaan is afhankelijk van de vraag of de veiligheidsnormen in een kerncentrale afdoende worden nageleefd; hoeveel bestrijdingsmiddel er in ons voedsel mag zitten, of hoeveel vervuiling in de lucht; hoe bekwaam (of incompetent) onze dokter is; of we een baan krijgen of kwijtraken hangt af van beslissingen die worden genomen door economen in overheidsdienst of de directies van ondernemingen; en ga zo maar door. De meeste individuen kunnen zich maar in zeer beperkte mate beschermen tegen deze gevaren. Het streven naar zekerheid wordt daardoor gedwarsboomd, met als gevolg een gevoel van machteloosheid. 

68. Men zou daar tegen kunnen inbrengen dat de primitieve mens fysiek gezien minder zekerheid heeft dan de moderne mens, zoals blijkt uit zijn lagere levensverwachting; en dat de moderne mens dus lijdt aan een lagere en niet aan een hogere mate van onzekerheid dan voor mensen normaal is. Maar een innerlijke zekerheid heeft niet zoveel te maken met verzekerd zijn van lijfsbehoud. Ons GEVOEL van zekerheid komt niet zozeer voort uit objectieve factoren als wel uit een bepaald vertrouwen dat we in staat zijn om voor onszelf te zorgen. Als de primitieve mens wordt bedreigd door een roofdier kan hij vechten voor zijn leven; dreigt hij te verhongeren, dan kan hij in andere streken op zoek gaan naar voedsel. Het is niet zeker of hij in zijn pogingen slaagt, maar hij is in geen geval weerloos overgeleverd aan de gevaren die hem bedreigen. Het moderne individu staat daarentegen machteloos tegenover veel zaken die hem bedreigen: ongelukken met kernenergie, kankerverwekkende stoffen in voedsel, milieuvervuiling, oorlog, hogere belastingen, schending van zijn privacy door grote organisaties, maatschappelijke of economische verschijnselen op landelijk niveau die zijn manier van leven kunnen ontwrichten. 

69. Het is waar dat de primitieve mens machteloos staat tegenover een aantal gevaren die hem bedreigen; ziekte, bijvoorbeeld. Maar hij kan het risico van ziekte gelaten aanvaarden. Het hoort bij het leven, het is niemands schuld, behalve wanneer er een denkbeeldige, onpersoonlijke kwade geest in het spel is. Maar de gevaren die het moderne individu bedreigen zijn DOOR DE MENS GECREËERD. Ze hebben niets met toeval van doen, maar zijn hem OPGEDRONGEN door andere personen, op wiens beslissingen hij, als individu, geen invloed heeft. Als gevolg daarvan voelt hij zich gefrustreerd, vernederd en kwaad. 

70. De primitieve mens heeft zijn lot dus grotendeels in eigen hand (als individu of als lid van een KLEINE groep), terwijl het lot van de moderne mens in handen is van personen of organisaties die te ver van hem af staan of te groot zijn om er persoonlijk invloed op te kunnen uitoefenen. Het streven naar zekerheid van de moderne mens valt daarom gewoonlijk in groep 1 en 3; op sommige gebieden (voedsel, onderdak, etcetera) hoeft hij zich nauwelijks in te spannen voor zijn zekerheid, terwijl hij op andere gebieden ONMOGELIJK zekerheid kan vinden. (Deze verregaande versimpeling van de werkelijke situatie geeft grofweg en in algemene termen aan hoezeer de toestand van de moderne mens verschilt van die van de primitieve mens.) 

71. Mensen hebben veel driften of impulsen van voorbijgaande aard die in het moderne bestaan noodzakelijkerwijs gefrustreerd worden, en daarom in groep 3 vallen. Iemand kan boos worden, maar vechten is niet toegestaan in de moderne samenleving. In veel gevallen gaat zelfs verbale agressie al te ver. Als je ergens heen gaat kun je erge haast hebben of juist in de stemming zijn om langzaam te reizen, maar meestal is er geen andere mogelijkheid dan met de verkeersstroom mee te gaan en je aan de verkeersregels te houden. Je zou je werk misschien anders willen aanpakken, maar gewoonlijk moet je je houden aan de regels van je werkgever. Ook op allerlei andere manieren is de moderne mens gebonden aan een netwerk van (geschreven of ongeschreven) regels en voorschriften, die veel van zijn impulsen frustreren en zo met het machtsproces botsen. De meeste van deze voorschriften kunnen niet worden afgeschaft, omdat ze noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de industriële samenleving. 

72. De moderne samenleving is in bepaalde opzichten extreem tolerant. Als het gaat om zaken die irrelevant zijn voor het functioneren van het systeem, dan kunnen we normaal gesproken doen wat we willen. We mogen om het even welk geloof aanhangen (zolang het ons niet aanmoedigt tot gedrag dat het systeem in gevaar brengt). We mogen naar bed gaan met wie we maar willen (zolang we maar ‘veilig vrijen’). We mogen alles doen wat we willen zolang het maar ONBELANGRIJK is. Maar met betrekking tot alle BELANGRIJKE zaken onderwerpt het systeem ons gedrag in toenemende mate aan regels. 

73. Gedrag wordt niet alleen gestuurd door expliciete voorschriften en niet alleen door de overheid. Er is vaak sprake van indirecte dwang of van psychologische druk of manipulatie, uitgeoefend door andere organisaties dan de overheid of door het systeem als geheel. De meeste grote organisaties gebruiken een of andere vorm van propaganda (14) om de opvattingen en het gedrag van het publiek te manipuleren. Propaganda blijft niet beperkt tot reclamespots en advertenties, en soms zijn de mensen die propaganda maken zich daar niet eens bewust van. Met de inhoud van amusementsprogramma’s kan bijvoorbeeld heel goed propaganda worden bedreven. Een voorbeeld van indirecte dwang: er bestaat geen wet die bepaalt dat we iedere dag naar ons werk moeten gaan en moeten doen wat onze werkgever zegt. Juridisch gezien is er niets dat ons belet om in de wildernis te gaan leven als primitieve mensen, of om een eigen bedrijf te beginnen. Maar in de praktijk is er nog maar weinig ongerepte natuur over, en biedt de economie slechts ruimte aan een beperkt aantal kleine ondernemers. Vandaar dat de meesten van ons alleen kunnen overleven als werknemer van een ander. 

74. De obsessie van de moderne mens om oud te worden en tot op hoge leeftijd fit en seksueel aantrekkelijk te blijven is volgens ons een symptoom van een gebrek aan voldoening, dat zijn oorzaak heeft in een verstoord machtsproces. De midlife crisis is ook zo’n symptoom. Hetzelfde geldt voor de geringe belangstelling voor het ouderschap. Dat mensen kinderloos blijven is in de moderne samenleving vrij normaal, maar komt in primitieve samenlevingen nauwelijks voor. 

75. In primitieve samenlevingen bestaat het leven uit een opeenvolging van fasen. Als de behoeften en doelen van de ene fase zijn vervuld, gaat men zonder tegenzin over naar de volgende fase. Een jongeman ondergaat het machtsproces door jager te worden, waarbij hij jagen niet ziet als sport of als iets wat ‘voldoening’ schenkt, maar als middel om aan vlees te komen dat nodig is als voedsel. (Bij jonge vrouwen is het proces ingewikkelder, met meer nadruk op sociale macht; we gaan daar nu niet nader op in.) Wanneer deze fase met succes is doorlopen, heeft de jongeman er niets op tegen om zich te gaan wijden aan de verantwoordelijkheden van het gezinsleven en de opvoeding. (Veel moderne mensen daarentegen stellen het krijgen van kinderen voor onbepaalde tijd uit, omdat ze het te druk hebben met het zoeken naar een vorm van ‘voldoening’. Wij denken dat ze pas echt voldoening vinden als ze afdoende ervaring hebben opgedaan met het machtsproces – met echte doelen in plaats van de kunstmatige doelen van surrogaat-activiteiten.) Als de primitieve mens zijn kinderen heeft grootgebracht, en het machtsproces heeft doorlopen door in hun eerste levensbehoeften te voorzien, voelt hij wederom dat zijn taak erop zit, en kan hij zich verzoenen met de ouderdom (als hij zolang blijft leven) en de dood. Veel moderne mensen weten zich daarentegen geen raad met het vooruitzicht van de dood; dat blijkt wel uit de moeite die ze doen om fit en gezond te blijven en er goed uit te blijven zien. Naar onze mening komt dat door een gebrek aan voldoening, voortkomend uit het feit dat ze nooit hun lichaamskracht hebben gebruikt, dat ze nooit het machtsproces hebben doorgemaakt door middel van echte lichamelijke inspanning. Niet de primitieve mens, die zijn lichaam dagelijks gebruikt heeft voor praktische doeleinden, is bang voor de aftakeling van het ouder worden, maar de moderne mens, die nooit enig praktisch nut van zijn lichaam heeft gehad dat verder ging dan van zijn auto naar zijn huis lopen. De mens wiens behoefte aan het machtsproces tijdens zijn leven is bevredigd, is het best voorbereid op het einde van dat leven. 

76. Het in dit hoofdstuk gevolgde betoog zou bij bepaalde mensen devolgende reactie kunnen oproepen: ‘De samenleving moet een manier vindenom mensen de kans te geven om het machtsproces door te maken.’ Wat zulkemensen niet beseffen, is dat zo’n kans juist teniet gedaan wordt als desamenleving deze aan hen geeft. Ze moeten juist hun eigen kansen vindenof scheppen. Zolang het systeem deze kansen aan hen GEEFT, lopen ze nogsteeds aan de leiband. Om autonomie te verwerven, moeten ze zich ontdoenvan deze leiband. 

Hoe sommige mensen zich aanpassen

77. Niet iedereen in de industrieel-technologische samenleving lijdt onder psychische problemen. Sommige mensen verklaren zelfs dat ze best tevreden zijn met de huidige samenleving. We gaan hier in op enkele redenen waarom mensen zo heel verschillend reageren op de moderne samenleving.

78. In de eerste plaats is het streven naar macht waarschijnlijk niet bij iedereen even sterk. Individuen met weinig behoefte aan macht hebben betrekkelijk weinig behoefte om het machtsproces door te maken, of in ieder geval betrekkelijk weinig behoefte aan autonomie tijdens het machtsproces. Dit zijn de meegaande types, die gelukkig zouden zijn geweest als plantage-zwartje in het Oude Zuiden. (We willen niet afgeven op ‘plantage-zwartjes’ in het Oude Zuiden. Het pleit voor de meeste slaven dat ze NIET tevreden waren met hun lijfeigenschap. Maar we minachten mensen die WEL tevreden zijn in slavernij.)

79. Mensen kunnen soms uitzonderlijke hartstochten hebben en door het najagen daarvan hun behoefte aan het machtsproces bevredigen. Mensen met een ongewoon sterke hang naar maatschappelijke status kunnen bijvoorbeeld hun hele leven bezig zijn met het beklimmen van de status-ladder, zonder zich bij dat spel ooit te vervelen.

80. Mensen verschillen in hun vatbaarheid voor reclame- en marketingtechnieken. Sommige mensen zijn daar zo gevoelig voor dat ze er zelfs bij een hoog inkomen niet in slagen om bevrediging te vinden voor hun steeds aanwezige verlangens naar de glimmende nieuwe speeltjes die de marketing-industrie hen voorhoudt. Ze zitten altijd krap bij kas, ook al hebben ze een ruim inkomen, en hun verlangens worden gefrustreerd.

81. Sommige mensen zijn nauwelijks gevoelig voor reclame- en marketing-technieken. Die mensen zijn niet geïnteresseerd in geld. De verwerving van materiële zaken bevredigt hun behoefte aan het machtsproces niet.

82. Mensen die tot op zekere hoogte vatbaar zijn voor reclame- en marketing-technieken, kunnen genoeg geld verdienen om hun verlangen naar goederen en diensten te bevredigen, maar daar moeten ze dan wel veel moeite voor doen (overwerken, een tweede baan, promotie maken, etcetera.) Zo bevredigt de verwerving van materiële zaken hun behoefte aan het machtsproces. Maar dat wil nog niet zeggen dat hun behoefte volledig bevredigd wordt. Misschien hebben ze onvoldoende autonomie in het machtsproces (wanneer hun werk bestaat uit het opvolgen van bevelen) en sommige van hun driften kunnen gefrustreerd worden (bv. zekerheid, agressie). (We stellen het in de paragrafen 80-82 veel te simpel voor door ervan uit te gaan dat het verlangen naar materiële zaken volledig op conto van de reclame- en marketingwereld kan worden geschreven. Zo simpel is het natuurlijk niet.)

83. Sommige mensen bevredigen gedeeltelijk hun behoefte aan macht door zich te identificeren met een machtige organisatie of massa-beweging. Een individu zonder doelen of macht sluit zich aan bij een beweging of een organisatie, neemt daarvan de doelstellingen over, en werkt vervolgens mee aan het bereiken ervan. Worden een aantal van die doelen bereikt, dan voelt het individu zich (door zijn identificatie met de beweging of organisatie) alsof hij het machtsproces heeft doorgemaakt, ook al hebben zijn persoonlijke inspanningen geen rol van betekenis gespeeld in het bereiken van die doelen. Van dit verschijnsel werd handig gebruik gemaakt door de fascisten, nazi’s en communisten. Onze samenleving gebruikt het ook, zij het iets subtieler. Voorbeeld: Manuel Noriega was de VS een doorn in het oog (doel: straf Noriega). De VS vielen Panama binnen (inspanning) en straften Noriega (doel bereikt). De VS maakten het machtsproces door, en omdat veel Amerikanen zich met de VS identificeerden, beleefden die het machtsproces als het ware mee. Vandaar de brede publieke steun voor de inval in Panama; het gaf mensen een gevoel van macht (15). Hetzelfde verschijnsel treffen we aan in legers, ondernemingen, politieke partijen, humanitaire organisaties, religieuze of ideologische bewegingen. Vooral linksistische bewegingen trekken vaak mensen aan die zoeken naar bevrediging van hun behoefte aan macht. Maar voor de meeste mensen is identificatie met een grote organisatie of een massabeweging niet voldoende om de behoefte aan macht volledig te bevredigen.

84. Een andere manier waarop mensen hun behoefte aan het machtsproces bevredigen, is via surrogaat-activiteiten. Zoals we hebben uitgelegd in paragraaf 38-40, is een surrogaat-activiteit gericht op een kunstmatig doel, dat het individu nastreeft vanwege de ‘voldoening’ die hij put uit het nastreven zelf, en niet omdat het voor hem noodzakelijk is dat doel te bereiken. Er is bijvoorbeeld geen praktische reden om enorme spierbundels te kweken, een balletje in een gat te slaan of een serie postzegels compleet te krijgen. Toch storten veel mensen in onze samenleving zich met overgave op body-building, golf of postzegels verzamelen. Sommige mensen zijn meer ‘van buitenaf geleid’ dan anderen, en zijn daarom eerder geneigd waarde te hechten aan een surrogaat-activiteit, simpelweg omdat de mensen om hen heen of de samenleving die activiteit belangrijk vinden. Daarom kunnen mensen zo bloedserieus zijn als het gaat om in wezen triviale activiteiten als sport, bridge, schaken, of paranormale prietpraat, terwijl anderen, met een nuchterder kijk op dit soort zaken, er nooit meer in zien dan surrogaat-activiteiten, en er daarom niet genoeg belang aan hechten om hun behoefte aan het machtsproces op die manier te kunnen bevredigen. Rest alleen nog om erop te wijzen dat de manier waarop iemand z’n brood verdient in veel gevallen ook een surrogaat-activiteit is. Geen PURE surrogaat-activiteit, omdat de activiteit deels wordt ondernomen om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien en (voor sommige mensen) om de maatschappelijke status en de luxe-artikelen te kunnen verwerven die de reclame hen opdringt. Maar veel mensen steken veel meer energie in hun werk dan noodzakelijk is om het geld en de status te verkrijgen waar ze behoefte aan hebben, en deze extra inspanning valt onder de surrogaat-activiteiten. Die extra inspanning vormt samen met de emotionele investering die eraan gekoppeld is een van de krachtigste invloeden die zorgen voor de voortdurende ontwikkeling en vervolmaking van het systeem, met negatieve gevolgen voor de individuele vrijheid (zie paragraaf 131). Vooral voor de creatiefste wetenschappers en ingenieurs is het werk vaak grotendeels een surrogaat-activiteit. Dit punt is zo belangrijk dat we er straks nader op in zullen gaan in een apart hoofdstuk (paragraaf 87-92).

85. In dit hoofdstuk hebben we uitgelegd hoe veel mensen in de moderne samenleving er wel in slagen hun behoefte aan het machtsproces in meer of mindere mate te bevredigen. Maar we denken dat bij de meerderheid de behoefte aan het machtsproces niet volledig wordt bevredigd. In de eerste plaats is het uitzonderlijk als mensen een onverzadigbare hang naar status hebben, of ‘verslaafd’ zijn aan een surrogaat-activiteit, of zich sterk genoeg identificeren met een beweging of organisatie om hun behoefte aan macht op die manier te bevredigen. Anderen putten geen volledige bevrediging uit surrogaat-activiteiten of uit identificatie met een organisatie (zie de paragrafen 41 en 64). In de tweede plaats is er te veel bemoeienis van het systeem, door expliciete regelgeving of door socialisering. Daardoor krijgen mensen te weinig autonomie en raken ze gefrustreerd omdat het onmogelijk is om bepaalde doelen te bereiken en omdat er te veel impulsen moeten worden onderdrukt.

86. Maar zelfs als de meeste mensen in de industrieel-technologische samenleving heel tevreden waren, zouden wij (Freedom Club) nog steeds tegen die samenleving gekant zijn, onder andere omdat we het vernederend vinden om aan je behoefte aan het machtsproces te voldoen door surrogaat-activiteiten of door identificatie met een organisatie, en niet door het nastreven van echte doelen.

De beweegredenen van wetenschappers

87. Wetenschap en technologie zijn voor ons de belangrijkste voorbeelden van surrogaat-activiteiten. Sommige wetenschappers beweren dat ze gedreven worden door ‘nieuwsgierigheid’, maar dat is absurd. De meeste wetenschappers werken aan zeer specialistische problemen, die alle normale nieuwsgierigheid te boven gaan. Is een astronoom, wiskundige of entomoloog bijvoorbeeld nieuwsgierig naar de eigenschappen van isopropyltrimethylmethaan? Natuurlijk niet. Alleen een scheikundige is in zoiets geïnteresseerd, en dan alleen nog omdat scheikunde zijn surrogaat-activiteit is. Is de scheikundige benieuwd naar de juiste classificatie van een nieuwe keversoort? Neen. Die vraag boeit alleen de entomoloog, en die is er alleen in geïnteresseerd omdat entomologie zijn surrogaat-activiteit is. Als de scheikundige en de entomoloog echt moeite moesten doen om in hun eerste levensbehoeften te voorzien, en als ze voor die inspanning hun vermogens op interessante wijze moesten aanwenden voor niet-wetenschappelijke bezigheden, dan zou isopropyltrimethylmethaan of de classificatie van kevers hun worst zijn. Stel dat de scheikundige door gebrek aan middelen voor postdoctoraal onderwijs verzekeringsagent was geworden in plaats van scheikundige. Dan was hij erg geïnteresseerd geweest in verzekeringskwesties, en had isopropyltrimethylmethaan hem niets kunnen schelen. In ieder geval is het niet normaal om uit pure nieuwsgierigheid zoveel tijd en energie in je werk te stoppen als wetenschappers doen. Het is gewoon niet staande te houden dat ‘nieuwsgierigheid’ de drijfveer van de wetenschapper is .

88. Het vermeende ‘nut voor de mensheid’ doet het als verklaring al niet veel beter. Soms houdt wetenschappelijk werk geen enkel verband met het menselijk welbevinden – dat geldt bijvoorbeeld voor veel archeologisch werk, of voor vergelijkende taalwetenschap. Bij andere wetenschapsgebieden is er duidelijk sprake van potentiële gevaren. Toch zijn de hierbij betrokken wetenschappers net zo enthousiast over hun werk als hun collega’s die vaccins ontwikkelen of luchtvervuiling bestuderen. Neem het geval van dr. Edward Teller, die duidelijk emotioneel betrokken was bij het propageren van kerncentrales. Kwam deze betrokkenheid voort uit een verlangen om de mensheid van dienst te zijn? Zo ja, waarom werd dr. Teller dan niet emotioneel over andere ‘humanitaire’ zaken? Als hij zo sociaal voelend was, waarom werkte hij dan mee aan het ontwikkelen van de waterstofbom? Net als bij zoveel andere wetenschappelijke verworvenheden is het maar de vraag of kerncentrales van nut zijn voor de mensheid. Weegt de goedkope elektriciteit op tegen de groeiende afvalberg en de kans op ongelukken? Dr. Teller had slechts oog voor één kant van de zaak. Zijn emotionele betrokkenheid bij kernenergie kwam duidelijk niet voort uit een verlangen om ‘de mensheid van dienst te zijn’, maar uit de persoonlijke voldoening die hij putte uit zijn werk en uit de praktische toepassingen ervan.

89. Hetzelfde geldt voor wetenschappers in het algemeen. Een enkele uitzondering daargelaten laten zij zich niet leiden door nieuwsgierigheid of door het verlangen om de mensheid van dienst te zijn, maar door de behoefte om het machtsproces door te maken: om een doel te hebben (een wetenschappelijk probleem oplossen), een inspanning te leveren (onderzoek) en het doel te bereiken (oplossing van het probleem). Wetenschap is een surrogaat-activiteit omdat wetenschappers hun werk hoofdzakelijk doen vanwege de voldoening die het hun geeft.

90. Natuurlijk is het niet zó eenvoudig. Ook andere drijfveren spelen bij veel wetenschappers een rol. Geld en status, bijvoorbeeld. Sommige wetenschappers horen misschien tot het type mens met een onverzadigbare hang naar status (zie paragraaf 79) en ontlenen daar een groot deel van hun motivatie aan. Ongetwijfeld zijn de meeste wetenschappers, net als het merendeel van de bevolking, tot op zekere hoogte vatbaar voor reclame- en marketing-technieken, en hebben zij geld nodig om hun verlangen naar goederen en diensten te vervullen. Wetenschap is dan ook geen PURE surrogaat-activiteit, maar wel grotendeels een surrogaat-activiteit.

91. Verder is het zo dat wetenschap en technologie een sterke massabeweging vormen, en dat veel wetenschappers hun behoefte aan macht bevredigen door zich met deze massabeweging te identificeren (zie paragraaf 83).

92. En zo vervolgt de wetenschap verblind zijn weg, zonder oog te hebben voor het werkelijke welzijn van de mensheid of voor enige andere maatstaf, enkel en alleen ter bevrediging van de psychische behoeften van de wetenschappers en van de overheidsfunctionarissen en ondernemers die de middelen fourneren voor hun onderzoek.

De aard van de vrijheid

93. We zullen hier de stelling verdedigen dat de industrieel-technologische samenleving niet zodanig kan worden hervormd dat een steeds verder gaande inperking van de menselijke vrijheid voorkomen kan worden. Maar omdat ‘vrijheid’ een woord is dat op vele manieren kan worden uitgelegd, moeten we eerst duidelijk maken wat voor soort vrijheid we bedoelen.

94. Met ‘vrijheid’ bedoelen we: de mogelijkheid om het machtsproces te ervaren, met echte doelen, niet met de kunstmatige doelen van surrogaat-activiteiten, en zonder bemoeienis, manipulatie of toezicht van wie dan ook, vooral niet van een grote organisatie. Vrijheid betekent kunnen beslissen (als individu of als lid van een KLEINE groep) over alles wat je eigen lijfsbehoud betreft: voedsel, kleding, onderdak, en bescherming tegen alle bedreigingen die zich in je omgeving voordoen. Vrijheid betekent dat je macht hebt; geen macht over anderen, maar wel de macht om je eigen levensomstandigheden te bepalen. Je hebt geen vrijheid als iemand anders (met name een grote organisatie) macht over je heeft, hoe welwillend, tolerant en anti-autoritair die macht ook wordt uitgeoefend. Vrijheid moet vooral niet worden verward met veel mogen (zie paragraaf 72).

95. Er wordt beweerd dat we in een vrije maatschappij leven, omdat bepaalde rechten in de grondwet zijn vastgelegd. Maar die rechten zijn niet zo belangrijk als ze lijken. De mate van persoonlijke vrijheid in een samenleving wordt meer bepaald door de economische en technologische structuur van die samenleving dan door haar wetten of regeringsvorm (16). De meeste Indiaanse volken in New England waren monarchieën, en veel steden in de Italiaanse renaissance werden geregeerd door dictators. Maar als je over deze samenlevingen leest, krijg je de indruk dat ze een veel grotere persoonlijke vrijheid kenden dan onze samenleving. Ten dele kwam dit omdat er geen efficiënte mechanismen bestonden om de wil van de machthebber ook daadwerkelijk op te leggen: er waren geen moderne, goed georganiseerde politiekorpsen, geen manieren om snel over grote afstand met elkaar te communiceren, geen camera’s die toezicht hielden, geen dossiers met informatie over het leven van doorsnee burgers. Daarom was het betrekkelijk eenvoudig om je aan het gezag te onttrekken.

96. Wat onze grondwettelijke rechten betreft, kunnen we bijvoorbeeld eens kijken naar de vrijheid van drukpers. Geen kwaad woord over dat recht: het is een erg belangrijk instrument om de concentratie van politieke macht te beperken, en om degenen die politieke macht hebben op het rechte spoor te houden door iedere vorm van wangedrag van hun kant openbaar te maken. Maar persvrijheid heeft weinig nut voor de doorsnee burger als individu. De massamedia staan grotendeels onder controle van grote organisaties die geïntegreerd zijn in het systeem. Iedereen die over wat geld beschikt kan iets laten drukken, of het verspreiden op het Internet of op een andere wijze; maar wat hij te zeggen heeft wordt overspoeld door de grote hoeveelheid informatie die door de media wordt verspreid, en zal dus in de praktijk geen effect sorteren. Met woorden indruk maken op de samenleving is daarom voor de meeste individuen en kleine groeperingen vrijwel onmogelijk. Neem ons (Freedom Club) bijvoorbeeld. Als we nooit iets gewelddadigs hadden gedaan en dit geschrift naar een uitgever hadden gestuurd, was er waarschijnlijk niets mee gedaan. Was het wel geaccepteerd en gepubliceerd, dan zou het waarschijnlijk door maar weinig mensen zijn gelezen, omdat het leuker is om het door de media geproduceerde amusement te bekijken dan om een serieus essay te lezen. En zelfs als veel mensen dit essay hadden gelezen, dan zouden de meeste lezers al snel zijn vergeten wat ze gelezen hadden, door de stortvloed aan informatie waarmee de media hun geest overspoelen. Om onze boodschap aan het publiek over te brengen en ook echt door te laten dringen, moesten we mensen doden.

97. Grondwettelijke rechten zijn tot op zekere hoogte bruikbaar, maar ze waarborgen niet veel meer dan wat je het burgerlijke begrip van vrijheid zou kunnen noemen. In de burgerlijke opvatting is een ‘vrij’ mens in wezen onderdeel van een maatschappelijk raderwerk en geniet hij slechts een beperkt aantal voorgeschreven en afgeperkte vrijheden; vrijheden die eerder zijn gericht op de behoeften van het maatschappelijk raderwerk dan op de behoeften van het individu. De ‘vrije’ mens geniet in de burgerlijke optiek economische vrijheid omdat dat de groei en vooruitgang bevordert; hij geniet vrijheid van drukpers omdat openbare kritiek wangedrag van politieke leiders binnen de perken houdt; hij heeft recht op een eerlijk proces, omdat willekeurige opsluiting, naar de grillen van de machthebbers, slecht zou zijn voor het systeem. Dit was duidelijk de instelling van Simón Bolívar. Hij vond dat mensen alleen vrijheid verdienden als ze die gebruikten om de vooruitgang te bevorderen (vooruitgang in de burgerlijke betekenis). Andere burgerlijke denkers hebben eenzelfde opvatting van vrijheid als niet meer dan een middel om collectieve doelen te bereiken. Chester C. Tan, legt in Chinese Political Thought in the Twentieth Century (1971, Doubleday, Garden City) op pagina 202 de filosofie uit van Kwomintang-leider Hu Han-Min: ‘Aan een individu worden rechten toegekend omdat hij deel uitmaakt van de samenleving, en zijn gemeenschapsleven deze rechten vereist. Met gemeenschap bedoelde Hoe de gehele samenleving van het land.’ En op bladzijde 259 schrijft Tan dat volgens Karsoem Chang (Chang Chun-mai, hoofd van de Staatssocialistische Partij in China) vrijheid gebruikt moest worden in het belang van de staat en het volk als geheel. Maar hoe vrij is iemand als hij die vrijheid slechts kan gebruiken volgens de voorschriften van een ander? Freedom Club heeft een andere opvatting over vrijheid dan Bolívar, Hu, Chang of andere burgerlijke theoretici. Het probleem bij dergelijke theoretici is dat zij van de ontwikkeling en toepassing van sociale theorieën hun surrogaat-activiteit hebben gemaakt. Bijgevolg zijn de theorieën eerder gericht op de behoeften van de theoretici dan op de behoeften van volken die toevallig de pech hebben om in een maatschappij te leven waar die theorieën worden opgelegd.

98. Tot besluit van dit hoofdstuk nog één belangrijke opmerking: Er mag niet van worden uitgegaan dat iemand genoeg vrijheid heeft omdat hij dat toevallig BEWEERT. Vrijheid wordt ingeperkt door psychologische invloeden waar mensen zich niet bewust van zijn, en bovendien wordt wat mensen onder vrijheid verstaan eerder bepaald door maatschappelijke conventies dan door hun werkelijke behoeften. Zo zullen veel linksisten van het overgesocialiseerde type waarschijnlijk beweren dat de meeste mensen, zijzelf inbegrepen, te weinig gesocialiseerd zijn in plaats van te veel. Toch moet de overgesocialiseerde linksist een hoge psychische tol betalen voor zijn vergaande mate van socialisering.

Enkele historische wetmatigheden

99. De geschiedenis moet worden gezien als de som van twee componenten: een grillige component die bestaat uit een reeks onvoorspelbare gebeurtenissen zonder waarneembaar patroon, en een constante component die bestaat uit historische ontwikkelingen op de lange termijn. Hier houden we ons bezig met die lange-termijntrend.

100. EERSTE WETMATIGHEID. Als er een KLEINE verandering wordt doorgevoerd die de trend beïnvloedt, is het effect van die verandering bijna altijd van voorbijgaande aard – de oorspronkelijke trend wordt al snel weer zichtbaar. (Voorbeeld: een hervormingsbeweging die de bezem wil halen door politieke corruptie in de samenleving heeft zelden meer dan een korte-termijneffect; vroeg of laat leunen de hervormers weer achterover en sluipt de corruptie weer binnen. De mate van politieke corruptie in een bepaalde samenleving blijft doorgaans constant of verandert slechts langzaam mee met de evoluerende samenleving. Normaal gesproken heeft een politieke schoonmaakoperatie slechts blijvende gevolgen als er tegelijkertijd ingrijpende maatschappelijke veranderingen plaatsvinden; een KLEINE verandering in de samenleving is daarvoor niet voldoende.) Als een kleine verandering in de historische trend permanent lijkt, komt dat alleen omdat de verandering in dezelfde richting gaat als de trend, zodat de trend niet verandert, maar alleen een duwtje in de rug krijgt.

101. De EERSTE WETMATIGHEID is welhaast een tautologie. Als een trend niet stabiel is ten opzichte van kleine veranderingen, zou die trend alle kanten opgaan in plaats van een duidelijke richting te volgen; met andere woorden, het zou helemaal geen trend zijn.

102. TWEEDE WETMATIGHEID. Als er een verandering wordt doorgevoerd die groot genoeg is om de trend voorgoed om te buigen, zal die de samenleving als geheel veranderen. Met andere woorden, de samenleving is een systeem waarbinnen alle onderdelen met elkaar samenhangen, en je kunt niet een belangrijk onderdeel voorgoed veranderen zonder alle andere onderdelen ook te veranderen.

103. DERDE WETMATIGHEID. Als er een verandering wordt doorgevoerd die groot genoeg is om de trend voorgoed om te buigen, kunnen de gevolgen voor de samenleving als geheel niet vooraf worden voorspeld. (Tenzij verschillende andere samenlevingen dezelfde verandering hebben doorgemaakt en dezelfde gevolgen hebben ervaren. In dat geval valt op empirische gronden te voorspellen dat een andere samenleving die dezelfde verandering ondergaat waarschijnlijk dezelfde gevolgen zal ondervinden.)

104. VIERDE WETMATIGHEID. Een nieuw type samenleving kan niet op papier worden ontworpen. Dat wil zeggen, je kunt niet van tevoren een nieuwe samenleving uitdenken, en die dan instellen en verwachten dat alles functioneert zoals je het bedacht had.

105. De derde en de vierde wetmatigheid komen voort uit de complexiteit van menselijke samenlevingen. Een verandering in menselijk gedrag zal de economie en het leefmilieu van een samenleving beïnvloeden; de economie zal het leefmilieu beïnvloeden en andersom, en de veranderingen in de economie en het leefmilieu zullen op ingewikkelde, onvoorspelbare manieren het menselijk gedrag beïnvloeden; enzovoorts. Het netwerk van oorzaken en gevolgen is te complex om te worden ontrafeld en begrepen.

106. VIJFDE WETMATIGHEID. Mensen kiezen niet bewust en rationeel de vorm van hun samenleving. Samenlevingen ontwikkelen zich door processen van maatschappelijke evolutie die niet rationeel door mensen worden gestuurd.

107. De vijfde wetmatigheid volgt uit de andere vier.

108. Ter verduidelijking: volgens de eerste wetmatigheid kan een poging tot maatschappijhervorming in het algemeen ofwel in de richting gaan waarin de samenleving zich toch al ontwikkelt (zodat hoogstens een verandering die toch wel zou zijn opgetreden in een stroomversnelling komt) ofwel slechts een voorbijgaand effect sorteren, zodat de samenleving snel terugvalt in het oude patroon. Om een echte koerswijziging teweeg te brengen op een voor de samenleving belangrijk gebied, is hervorming onvoldoende en is revolutie vereist. (Bij een revolutie hoeft het niet per se om een gewapende opstand of om het omverwerpen van een regering te gaan.) Volgens de tweede wetmatigheid veranderen er bij een revolutie altijd meerdere aspecten van een samenleving; en volgens de derde wetmatigheid doen zich veranderingen voor die de revolutionairen nooit verwacht of gewenst hadden. Volgens de vierde wetmatigheid zal een door revolutionairen of utopisten ingesteld nieuw type samenleving nooit zo uitvallen als was gepland.

109. De Amerikaanse Revolutie is geen hiermee niet in tegenspraak. Wij zouden de Amerikaanse ‘Revolutie’ geen revolutie willen noemen maar een onafhankelijkheidsoorlog gevolgd door nogal verstrekkende politieke hervormingen. De stichters van onze natie veranderden niets aan de richting waarin de Amerikaanse samenleving zich ontwikkelde en dat was ook helemaal niet hun bedoeling. Ze ontdeden zich alleen van het vertragende effect van de Britse heerschappij op deze ontwikkeling. Hun politieke hervormingen veranderden niets aan de fundamentele trend, maar gaven de Amerikaanse politieke cultuur alleen een zetje in de richting waarin de ontwikkeling uit zichzelf al ging. De Britse samenleving, waarvan de Amerikaanse afstamt, bewoog zich al heel lang in de richting van een parlementaire democratie. En voor de Onafhankelijkheidsoorlog kenden de Amerikanen al vertegenwoordigende organen in de vorm van de koloniale assemblées. Het politieke systeem dat door de grondwet werd ingesteld was gebaseerd op het Britse systeem en op de koloniale assemblées. De aanpassingen waren uiteraard ingrijpend – het lijdt geen twijfel dat de grondleggers van de Verenigde Staten een heel belangrijke stap zetten. Maar het was een stap in de richting die de Engelssprekende wereld allang was ingeslagen. Het bewijs daarvoor is dat Groot-Brittannië en alle koloniën die merendeels door mensen van Britse afkomst werden bevolkt, uitkwamen op een systeem van volksvertegenwoordiging dat vergelijkbaar was met dat van de Verenigde Staten. Als de Founding Fathers de moed hadden verloren en de Onafhankelijkheidsverklaring niet hadden getekend, was onze huidige manier van leven niet wezenlijk anders geweest. Misschien hadden we dan wat nauwere banden met Engeland gehad, en een parlement en een minister-president in plaats van een congres en een president. Dat maakt weinig uit. Vandaar dat de Amerikaanse Revolutie niet in tegenspraak is met deze wetmatigheden, maar ze juist goed illustreert.

110. Evengoed is het wel zaak om de wetmatigheden met beleid toe te passen. Ze zijn verwoord in onnauwkeurige formuleringen, die ruimte laten voor interpretaties, en er zijn uitzonderingen te bedenken. Wij willen ze niet voorstellen als ijzeren wetten, maar als vingerwijzigingen, als gedachtenbepalende richtlijnen, die wellicht enig tegenwicht kunnen bieden aan naïeve ideeën omtrent de toekomst van de samenleving. De wetmatigheden zouden voortdurend in het achterhoofd moeten worden gehouden, en als je tot een conclusie komt die ermee in strijd is, moet je je denkproces nog eens zorgvuldig nalopen, en alleen aan je conclusie vasthouden als je daarvoor goede, gegronde redenen hebt.

De industrieel-technologische samenleving kan niet worden hervormd

111. De bovengenoemde wetmatigheden maken al enigszins duidelijk hoe verschrikkelijk moeilijk het zou zijn om het industriële systeem zodanig te hervormen dat een steeds verder gaande inperking van onze vrijheid voorkomen wordt. Sinds de Industriële Revolutie, zo niet eerder, is de tendens dat de technologie het systeem steeds meer versterkt, en dat individuele vrijheid en plaatselijke autonomie daar ernstig onder lijden. Vandaar dat elke verandering die erop gericht is om de vrijheid te behoeden voor de technologie in strijd zou zijn met een fundamentele trend in de ontwikkeling van onze samenleving. Dat betekent dat zo’n verandering ofwel van voorbijgaande aard zou zijn – en zich tegen de stroom in niet staande zou kunnen houden – ofwel sterk genoeg zou zijn om onze hele samenleving een ander karakter te geven. Dit volgt uit de eerste twee wetmatigheden. Aangezien de samenleving zou veranderen op een manier die niet vooraf kan worden voorspeld (derde wetmatigheid), zou dat bovendien een groot risico betekenen. Veranderingen die groot genoeg zijn om blijvend tot meer vrijheid te leiden, zouden niet worden ingevoerd, omdat men zich zou realiseren dat die het systeem ernstig zouden ondergraven. Dus eventuele pogingen tot hervorming zouden hoe dan ook de kracht missen om enig effect te sorteren. Zelfs als er veranderingen werden ingevoerd die groot genoeg waren om het roer echt om te gooien, zouden die worden teruggedraaid als hun ontwrichtende gevolgen aan het licht kwamen. Permanente veranderingen die tot meer vrijheid leiden kunnen daarom alleen op gang worden gebracht door personen die bereid zijn om een ingrijpende, gevaarlijke en onvoorspelbare wijziging van het gehele systeem voor lief te nemen. Met andere woorden, door revolutionairen, niet door hervormers.

112. Mensen die graag de vrijheid willen redden zonder de veronderstelde voordelen van de technologie op te offeren, zullen naïeve voorstellen doen voor een nieuw soort samenleving waarin vrijheid en technologie samen kunnen gaan. Los van het feit dat mensen die voorstellen doen zelden zeggen langs welke weg zo’n nieuwe samenleving concreet tot stand gebracht zou kunnen worden, volgt uit de vierde wetmatigheid dat zelfs als de nieuwe samenleving er zou komen, deze ten onder zou gaan, of heel anders zou uitvallen dan verwacht.

113. Alleen al op grond van heel algemene argumenten lijkt het dus zeer onwaarschijnlijk dat de samenleving dusdanig kan worden veranderd dat vrijheid en technologie met elkaar kunnen samengaan. In de volgende hoofdstukken geven we enkele meer specifieke redenen voor onze conclusie dat vrijheid en technologische vooruitgang onverenigbaar zijn.

Beperking van vrijheid is onvermijdelijk in de industriële samenleving

114. Zoals al is uitgelegd in de paragrafen 65-67 en 70-73, is de hedendaagse mens gebonden aan een woud van regels en wetten, en ligt zijn lot in handen van personen die ver van hem af staan, en op wiens beslissingen hij geen invloed heeft. Hier is geen sprake van toeval of willekeur van arrogante bureaucraten. Deze situatie is noodzakelijk en onvermijdelijk in elke technologisch ontwikkelde samenleving. Het systeem MOET het gedrag van mensen streng reguleren om te kunnen functioneren. Op het werk moeten mensen doen wat hen wordt opgedragen, anders zou de produktie spaak lopen. Bureaucratieën MOETEN volgens strikte regels geleid worden. Elke wezenlijke persoonlijke inbreng van laaggeplaatste bureaucraten zou het systeem ontregelen en leiden tot beschuldigingen van oneerlijkheid, als gevolg van de verschillen in de wijze waarop individuele bureaucraten hun invloed aanwenden. Het is waar dat enkele beperkingen van onze vrijheid best afgeschaft kunnen worden, maar OVER HET GEHEEL GENOMEN is de regulering van ons leven door grote organisaties noodzakelijk voor het functioneren van de industrieel-technologische samenleving. Het gevolg is dat de meerderheid van de bevolking zich machteloos voelt. Het is echter zeer wel denkbaar dat formele regels steeds meer worden vervangen door psychologische instrumenten die ervoor zorgen dat we willen wat het systeem van ons verlangt. (Propaganda (14), voorlichtingstechnieken, programma’s op het gebied van de ‘geestelijke gezondheid’, etcetera.)

115. Het systeem MOET mensen dwingen om gedragingen te vertonen die steeds verder afwijken van het natuurlijk menselijk gedragspatroon. Het systeem heeft bijvoorbeeld wetenschappers, wiskundigen en technici nodig. Zonder hen kan het niet functioneren. Er wordt daarom zware druk uitgeoefend op kinderen om in deze vakken uit te blinken. Het is onnatuurlijk dat een puber zijn tijd grotendeels doorbrengt achter een bureau met zijn neus in de boeken. Een normale puber wil vooral actief communiceren met de werkelijke wereld. Bij primitieve volkeren leren kinderen dingen die in natuurlijke harmonie zijn met natuurlijke menselijke impulsen. Bij de Amerikaanse Indianen, bijvoorbeeld, worden jongens onderricht in buiten-activiteiten – precies wat jongens leuk vinden. Maar in onze samenleving worden kinderen ertoe aangezet om zich in technische vakken te verdiepen, wat de meesten met tegenzin doen.

116. De constante druk die het systeem uitoefent om het menselijk gedrag te sturen, leidt tot een gestage toename van het aantal mensen dat zich niet kan of wil aanpassen aan de eisen van de samenleving: uitkeringstrekkers, jeugdbendeleden, sekteleden, mensen die in opstand komen tegen de overheid, saboterende milieu-activisten, randfiguren en allerlei andere mensen die ergens tegen zijn.

117. In elke technologisch geavanceerde samenleving MOET het lot van het individu afhangen van beslissingen waar hij zelf geen werkelijke invloed op heeft. Een technologische samenleving laat zich niet uitsplitsen in kleine, autonome gemeenschappen, omdat de produktie afhangt van de samenwerking tussen zeer grote aantallen mensen en machines. Een dergelijke samenleving MOET strak georganiseerd zijn en er MOETEN beslissingen worden genomen die grote aantallen mensen aangaan. Als een beslissing bijvoorbeeld een miljoen mensen aangaat, heeft ieder individu door de bank genomen maar een aandeel van een miljoenste in die beslissing. In de praktijk betekent dat doorgaans dat beslissingen genomen worden door overheidsfunctionarissen of directies van grote ondernemingen, of door technisch specialisten. Maar zelfs als het publiek stemt over een beslissing is het aantal stemmers normaal gesproken zo groot dat de stem van één individu nauwelijks meetelt (17). Vandaar dat de meeste individuen niet de mogelijkheid hebben om enige meetbare invloed uit te oefenen op belangrijke beslissingen die ingrijpen in hun leven. In een technologisch ontwikkelde samenleving valt dit op geen enkele manier te verhelpen. Het systeem probeert dit probleem ‘op te lossen’ door mensen via propaganda zo ver te krijgen dat ze de beslissingen die voor hen genomen zijn ook WILLEN, maar zelfs als men er met deze ‘oplossing’ volledig in zou slagen om mensen zich beter te laten voelen, zou dat nog vernederend zijn.

118. Conservatieven en enkele anderen pleiten voor meer ‘plaatselijke autonomie’. Plaatselijke gemeenschappen hadden ooit autonomie, maar dat soort autonomie wordt almaar onmogelijker naarmate deze gemeenschappen meer verweven raken met en afhankelijk worden van grootschalige systemen zoals openbare nutsbedrijven, computernetwerken, het wegennet, de massamedia, de moderne gezondheidszorg. De autonomie wordt verder tegengewerkt door het feit dat toepassing van technologie op de ene plaats gevolgen heeft voor mensen op andere plaatsen, ver daarvandaan. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen of chemicaliën nabij een riviertje kan honderden kilometers stroomafwaarts het drinkwater vervuilen, en het broeikaseffect heeft invloed op de hele wereld.

119. Het systeem is er niet en kan er ook niet zijn om menselijke behoeften te bevredigen. Integendeel, het menselijk gedrag moet juist aangepast worden aan de behoeften van het systeem. Dit heeft niets te maken met de politieke of maatschappelijke ideologie die naar men zegt aan het technologisch systeem ten grondslag zou liggen. Het is te wijten aan de technologie zelf, omdat het systeem niet door ideologie wordt gestuurd maar door wat technisch noodzakelijk is (18). Natuurlijk bevredigt het systeem vele menselijke behoeften, maar in het algemeen slechts voorzover het systeem daar baat bij heeft. De behoeften van het systeem staan voorop, niet die van de mens. Het systeem zorgt bijvoorbeeld dat mensen te eten hebben omdat het systeem niet zou functioneren als iedereen zou verhongeren; zolang het NIET AL TE VEEL MOEITE KOST, besteedt het zeker aandacht aan de psychologische behoeften van mensen, omdat het niet kan functioneren als te veel mensen depressief of opstandig worden. Maar het systeem moet, vanwege goede, gegronde, praktische redenen, constant druk op mensen uitoefenen om hun gedrag te kneden naar de behoefte van het systeem. Stapelt het afval zich te hoog op? De overheid, de media, het onderwijssysteem, milieu-activisten, iedereen bedelft ons onder een stortvloed aan propaganda over recycling. Meer technisch personeel nodig? Het propagandakoor spoort kinderen aan om exact te kiezen. Niemand staat stil bij de vraag of het niet onmenselijk is om pubers te dwingen het grootste deel van hun tijd te spenderen aan vakken waar de meeste van hen een hekel aan hebben. Als geschoolde arbeiders hun baan kwijtraken door de technische vooruitgang en moeten worden ‘omgeschoold’, vraagt niemand of het vernederend voor hen is om van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Men neemt het gewoon voor lief dat iedereen moet buigen voor wat technisch noodzakelijk is, en daar zijn ook goede redenen voor: als de menselijke behoeften belangrijker waren dan wat technisch noodzakelijk is, zouden er economische problemen ontstaan, werkloosheid, tekorten en erger. Wat ‘geestelijke gezondheid’ is, wordt in onze samenleving grotendeels bepaald door de mate waarin een individu zich gedraagt overeenkomstig de behoeften van het systeem, en dat doet zonder tekenen van stress te vertonen.

120. Er worden wel pogingen gedaan om binnen het systeem ruimte te scheppen voor zingeving en autonomie, maar die werken hooguit op de lachspieren. Zo liet een onderneming iedere werknemer een eigen catalogus maken, in plaats van hen een bepaald deel van een catalogus te laten samenstellen; en dat moest hen dan het gevoel geven dat ze zinvol en doelgericht bezig waren. Sommige ondernemingen hebben geprobeerd om hun werknemers meer autonomie te geven in hun werk, maar om praktische redenen is dit meestal maar beperkt mogelijk, en in ieder geval zal de autonomie van een werknemer zich nooit uitstrekken tot de uiteindelijke doelen – hun ‘autonome’ inspanningen kunnen nooit gericht zijn op doelen die ze zelf kiezen, alleen op doelen die hun werkgever kiest, zoals het voortbestaan en de groei van de onderneming. Een bedrijf zou binnen de kortste keren over de kop gaan als het zijn werknemers vrij liet begaan. Ook binnen een socialistisch systeem moeten de arbeiders in iedere onderneming hun inspanningen richten op de doelstellingen van die onderneming, anders is de onderneming geen bruikbaar onderdeel van het systeem. Nogmaals, om puur technische redenen is het in de industriële samenleving voor de meeste individuen of kleine groepen niet mogelijk om een grote mate van autonomie te genieten. Zelfs de kleine ondernemer heeft gewoonlijk maar weinig autonomie. Afgezien van de noodzaak van overheidsregulering is hij gebonden door het gegeven dat hij in het economisch systeem moet passen en zich moet conformeren aan de eisen van dat systeem. Als iemand bijvoorbeeld een nieuwe technologie ontwikkelt, is het vaak zo dat de kleine ondernemer die technologie moet gebruiken om te kunnen meeconcurreren, of hij wil of niet.

De ‘slechte’ kanten van technologie kunnen niet worden gescheiden van de ‘goede’ kanten

121. Een andere reden waarom de industriële samenleving niet kan worden hervormd ten faveure van de vrijheid, is dat de moderne technologie een gesloten systeem is, waarbinnen alle onderdelen van elkaar afhankelijk zijn. Je kunt je niet van de ‘slechte’ kanten ontdoen en alleen de goede kanten behouden. Neem bijvoorbeeld de moderne geneeskunde. Vooruitgang in de medische wetenschap hangt af van vooruitgang in de scheikunde, natuurkunde, biologie, informatica en andere disciplines. Voor geavanceerde medische behandelingen is dure, technologisch hoogwaardige apparatuur nodig, die alleen ontwikkeld kan worden in een technologisch vooruitstrevende, welvarende samenleving. Het zal duidelijk zijn dat wezenlijke vooruitgang in de geneeskunde onmogelijk is zonder het gehele technologisch systeem en alles wat daarmee samenhangt.

122. Zelfs als de geneeskunde zich kon blijven ontwikkkelen zonder de rest van het technologisch systeem, zou dat op zichzelf al bepaalde kwalijke gevolgen hebben. Stel bijvoorbeeld dat men een manier vindt om suikerziekte te genezen. Mensen met een genetische aanleg voor suikerziekte zullen dan net zoveel kans hebben om te overleven en zich voort te planten als ieder ander. Van natuurlijke selectie tegen de genen voor suikerziekte is dan geen sprake meer, zodat die genen zich over de hele bevolking kunnen verspreiden. (Wellicht gebeurt dat nu ook al enigszins, want suikerziekte is weliswaar ongeneeslijk, maar kan wel in de hand worden gehouden met behulp van insuline.) Hetzelfde zal gebeuren met vele andere ziekten waarbij het aantal mensen dat er vatbaar voor is toeneemt als de bevolking genetisch achteruitgaat. De enige oplossing daarvoor is een of andere vorm van eugenetica, of vergaande genetische manipulatie, zodat de mens in de toekomst niet langer een schepping is van de natuur, het toeval of God (afhankelijk van je godsdienstige of filosofische overtuiging), maar een fabrikaat.

123. Als je vindt dat de grote boze overheid zich NU al te veel met je leven bemoeit, wacht dan maar eens tot de overheid het genetisch gestel van je kinderen gaat reguleren. Een dergelijk ingrijpen zal onvermijdelijk volgen op de introductie van genetische manipulatie bij mensen, omdat de gevolgen van ongereglementeerde genetische manipulatie rampzalig zouden zijn (19).

124. De gebruikelijke reactie op zulke bezwaren is om over ‘medische ethiek’ te beginnen. Maar ethische richtlijnen zouden nooit gebruikt worden om de vrijheid te beschermen als de vooruitgang der geneeskunde in het geding is; ze zouden de toestand alleen maar erger maken. Ethische richtlijnen voor genetische manipulatie zouden in de praktijk gebruikt worden om het genetisch gestel van mensen te reguleren. Iemand (in de meeste gevallen iemand uit de hogere middenklasse) zou besluiten dat die en die toepassingen van genetische manipulatie ‘ethisch’ zouden zijn en andere niet, wat erop neerkomt dat zij hun eigen waarden opleggen aan het genetisch gestel van de bevolking als geheel. Zelfs als ethische richtlijnen volledig democratisch tot stand zouden komen, dan nog zouden de waarden van de meerderheid worden opgelegd aan minderheden met een heel andere mening over wat ‘ethisch’ gebruik van genetische manipulatie inhoudt. De enige ethische richtlijn die de vrijheid daadwerkelijk zou beschermen, is een richtlijn die ELKE vorm van genetische manipulatie bij mensen verbiedt, en je kunt er zeker van zijn dat er nooit een dergelijke ethische richtlijn zal worden ingesteld in een technologische samenleving. Een richtlijn die genetische manipulatie maar zeer beperkt toelaat, zal nooit lang standhouden. De verleiding van de enorme mogelijkheden die de biotechnologie biedt zou onweerstaanbaar zijn, te meer daar de meeste mensen menen dat de meeste toepassingen duidelijk en onmiskenbaar goed zijn (uitbanning van lichamelijke en geestesziekten, mensen de benodigde vermogens geven om vooruit te komen in de hedendaagse wereld). Het is onvermijdelijk dat genetische manipulatie uitgebreid zal worden toegepast, maar alleen voorzover dat verenigbaar is met de behoeften van het industrieel-technologisch systeem (20).

In het maatschappelijk krachtveld is de technologie sterker dan het streven naar vrijheid

125. Het is onmogelijk een DUURZAAM compromis te sluiten tussen technologie en vrijheid, omdat de technologie in onze samenleving veel meer macht heeft en de vrijheid steeds verder terugdringt door HERHAALDE compromissen. Je kunt het vergelijken met twee buren die in het begin evenveel land bezitten, maar waarvan er een machtiger is dan de ander. De machtige eist een deel van het land van de ander op. De zwakke weigert. De machtige zegt: ‘Goed, dan sluiten we een compromis. Geef me de helft van waar ik om vroeg.’ De zwakke kan weinig anders dan toegeven. Enige tijd later eist de machtige buurman weer een stuk land op, weer wordt er een compromis gesloten, enzovoorts. Door de zwakke partij een lange reeks compromissen op te dringen, krijgt de machtige uiteindelijk al het land. Zo gaat het ook bij het conflict tussen technologie en vrijheid.

126. We zullen uitleggen waarom de technologie een sterkere positie inneemt in de samenleving dan het streven naar vrijheid.

127. Een technologische ontwikkeling die geen bedreiging lijkt te vormen voor de vrijheid, blijkt daar later vaak een zeer grote bedreiging voor te zijn. Neem het gemotoriseerd vervoer. Een voetganger kon vroeger gaan of staan waar hij wilde in zijn eigen tempo en zonder zich aan verkeersregels te hoeven storen, en hij was niet afhankelijk van technologische hulpmiddelen. Toen er motorvoertuigen werden ingevoerd, leken die de vrijheid van de mens te vergroten. Ze ontnamen de voetganger zijn vrijheid niet, je hoefde geen auto te hebben als je dat niet wilde, en wie wel besloot om een auto te kopen kon veel sneller reizen dan iemand die liep. De invoering van gemotoriseerd vervoer veranderde de samenleving echter al snel: de bewegingsvrijheid van de mens werd enorm ingeperkt. Toen auto’s talrijk werden, moest men hun gebruik steeds meer aan regels onderwerpen. Vooral in dichtbevolkte gebieden kun je met een auto niet gaan en staan waar je wilt in je eigen tempo. Je bewegingen worden bepaald door de verkeersstroom en door allerlei verkeersregels. Je bent gebonden aan allerlei verplichtingen: voorwaarden waar je aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor een rijbewijs, rij-examen, kentekenregistratie, verzekering, periodieke keuring van je auto, afbetaling van de aanschafprijs. Bovendien is het gebruik van gemotoriseerd vervoer niet langer een vrije keuze. Sinds de invoering van gemotoriseerd vervoer is de inrichting van de steden zodanig veranderd dat de meeste mensen niet langer op loopafstand wonen van werk, winkels en recreatiemogelijkheden, zodat ze zich wel per auto MOETEN verplaatsen. Anders moeten ze gebruik maken van het openbaar vervoer, en in dat geval hebben ze nog minder bewegingsvrijheid dan wanneer ze auto rijden. Zelfs de vrijheid van de voetganger is nu sterk aan banden gelegd. In de stad moet hij voortdurend stoppen en wachten voor verkeerslichten die vooral zijn bedoeld om het autoverkeer van dienst te zijn. Buiten de bebouwde kom is het vanwege het autoverkeer gevaarlijk en onaangenaam om over de weg te lopen. (Nog even terug naar de belangrijke stelling waarvoor het voorbeeld van het gemotoriseerd verkeer als illustratie diende: als er een nieuw stuk techniek wordt gepresenteerd als iets waar een individu al dan niet voor kan kiezen, hoeft dat niet per se een vrije keuze te BLIJVEN. In veel gevallen verandert de nieuwe technologie de samenleving zodanig dat mensen op den duur GEDWONGEN worden er gebruik van te maken.)

128. Hoewel de technologische vooruitgang IN ZIJN GEHEEL voortdurend onze vrijheid inperkt, heeft iedere nieuwe technische vinding AFZONDERLIJK wel iets aantrekkelijks. Elektriciteit, sanitaire voorzieningen binnenshuis, snelle communicatie over grote afstanden…wat kun je daar nu tegen hebben? En er valt ook weinig in te brengen tegen elk van de talloze andere technische ontwikkelingen waar de moderne samenleving zijn bestaan aan dankt. Het zou bijvoorbeeld absurd zijn geweest om je tegen de invoering van de telefoon te hebben verzet. Deze uitvinding bood veel voordelen en geen nadelen. Maar zoals we in paragraaf 59-76 al hebben uitgelegd, hebben al deze technische ontwikkelingen tezamen gezorgd voor een wereld waarin het lot van de gemiddelde mens niet langer in zijn eigen handen ligt, of in de handen van zijn buren en vrienden, maar in die van politici, grote ondernemers en onbereikbare, anonieme technici en bureaucraten op wie hij als individu geen enkele invloed heeft (21). Dit proces zal in de toekomst worden voortgezet. Neem nu genetische manipulatie. Er zullen zich maar weinig mensen verzetten tegen de invoering van een genetische techniek waarmee een erfelijke ziekte kan worden uitgebannen. Zo’n techniek richt op het eerste gezicht geen kwaad aan en voorkomt een hoop ellende. Maar als je een groot aantal genetische verbeteringen doorvoert wordt de mens meer een nijverheidsprodukt dan een vrije schepping van het toeval (of van God, of wat dan ook, afhankelijk van je geloofsovertuiging).

129. Een andere reden voor de grote invloed van technologie in het maatschappelijke krachtenveld is dat de technologische vooruitgang binnen de context van een bepaalde samenleving maar één richting op gaat; er is geen weg terug. Als een technologische innovatie eenmaal is ingevoerd, worden mensen er normaal gesproken afhankelijk van, behalve als er iets nog geavanceerders voor in de plaats komt. Niet alleen worden mensen als individuen afhankelijk van een nieuw stuk technologie, het gaat nog verder, het systeem als geheel wordt er afhankelijk van. (Stel je voor wat er zou gebeuren met het systeem als er bijvoorbeeld geen computers meer waren.) Daarom kan het systeem maar één kant op: nog verder gaande technologisering. De technologie dwingt de vrijheid herhaaldelijk om een stap terug te doen – zolang het technologisch systeem tenminste niet in zijn geheel omver wordt geworpen.

130. De technologie ontwikkelt zich met een enorme snelheid en bedreigt de vrijheid in een heleboel verschillende opzichten tegelijk (hoge bevolkingsdichtheid, regels en voorschriften, toenemende afhankelijkheid van individuen van grote organisaties, propaganda en andere psychologische technieken, genetische manipulatie, aantasting van privacy door camerabewaking en computers, etcetera.) Om ÉÉN van deze bedreigingen van de vrijheid het hoofd te kunnen bieden, zou al een lange, zware strijd nodig zijn. Degenen die voor de vrijheid opkomen, kunnen niet op tegen het enorme aantal nieuwe aanvallen en de snelheid waarmee ze worden ingezet; daardoor wekken ze alleen nog maar medelijden en is er geen sprake meer van verzet. Het heeft geen enkele zin om elk van de bedreigingen afzonderlijk te bestrijden. Het enige wat nog hoop biedt is om het technologisch systeem als geheel te bestrijden; maar dan praten we over revolutie, niet over hervorming.

131. Mensen die specialistisch werk doen waar je bepaalde technieken voor moet beheersen, gaan meestal zozeer op in hun werk (hun surrogaat-activiteit) dat ze als dat werk botst met de vrijheid, vrijwel altijd kiezen voor hun specialistische werk. Dat is duidelijk het geval bij wetenschappers, maar ook elders komt het voor: opvoedkundigen, humanitaire instellingen, milieu-organisaties hebben geen moeite met het gebruik van propaganda of andere psychologische technieken om hun lovenswaardige doeleinden dichterbij te brengen. Ondernemingen en overheidsinstellingen schrikken er niet voor terug om desgewenst informatie over individuen te vergaren zonder acht te slaan op hun recht op privacy. Politie en justitie vinden het vaak maar lastig om rekening te moeten houden met de grondrechten van verdachten, en vaak ook van volkomen onschuldige personen, en stellen alles in het werk om deze rechten legaal (en soms illegaal) in te perken of te omzeilen. Het merendeel van deze opvoedkundigen, ambtenaren en wetsdienaren gelooft in vrijheid, privacy en grondwettelijke rechten, maar als dat botst met hun werk, vinden ze hun werk meestal belangrijker.

132. Het is bekend dat mensen in het algemeen beter werk afleveren en minder snel opgeven als ze een beloning nastreven dan wanneer ze hun best moeten doen om een straf of iets anders negatiefs te vermijden. Wetenschappers en andere technisch specialisten halen hun motivatie voornamelijk uit de voordelen die hun werk hun oplevert. Maar wie zich keert tegen aantasting van de vrijheid door technologie doet zijn best om een negatief resultaat te voorkomen, met als gevolg dat er maar weinigen zijn die zich onversaagd aan deze ondankbare taak wijden. Als hervormers ooit één duidelijke overwinning zouden boeken die een stevige barrière zou lijken op te werpen tegen een verdere afkalving van de vrijheid als gevolg van de technologische vooruitgang, zou bij de meesten de aandacht verslappen en verschuiven naar aangenamere activiteiten. Maar de wetenschappers zouden blijven doorwerken in hun laboratoria, en de technologie zou zich blijven ontwikkelen en ondanks allerlei barrières manieren vinden om meer en meer greep op mensen te krijgen, en ze alsmaar afhankelijker te maken van het systeem.

133. Welke maatregelen een samenleving ook neemt, of het nu om wetten, instituties, gewoonten of ethische richtlijnen gaat, ze kunnen nooit voor een permanente bescherming tegen de technologie zorgen. We weten uit de geschiedenis dat al dat soort maatregelen van voorbijgaande aard zijn; op den duurveranderen of verdwijnen ze allemaal. Maar technologische ontwikkelingen zijn binnen een bepaalde samenleving permanent. Stel bijvoorbeeld dat een samenleving met bepaalde maatregelen zou voorkomen dat genetische manipulatie op mensen wordt toegepast, of toepassingen zou voorkomen die de vrijheid en de waardigheid bedreigen. De technologie zou op de loer blijven liggen. Vroeg of laat zou de maatregel onhoudbaar worden. Waarschijnlijk al vroeg, gezien het tempo waarin onze samenleving verandert. Dan zou genetische manipulatie onze vrijheid beginnen aan te tasten, en deze aantasting zou onomkeerbaar zijn (tenzij de technologische beschaving zelf ineenstort). Wie nog illusies koesterde om iets structureels te kunnen bereiken met behulp van bepaalde overheidsmaatregelen, moet inmiddels beter weten, gezien de huidige ontwikkelingen in de milieuwetgeving. Een paar jaar geleden leek het er nog op dat er onneembare wettelijke barrières waren opgeworpen, die tenminste ENKELE van de ergste vormen van milieuvervuiling konden voorkomen. Nu de politieke wind even uit een andere richting waait, beginnen die barrières weer af te brokkelen. 134. Om alle bovengenoemde redenen heeft de technologie veel meer invloed op de samenleving dan het streven naar vrijheid. Maar op deze vaststelling moet een belangrijke voorbehoud worden gemaakt. Het ziet ernaar uit dat het industrieel-technologisch systeem in de komende decennia sterk onder druk zal komen te staan als gevolg van economische en milieuproblemen, en vooral door problemen die met het menselijk gedrag samenhangen (vervreemding, rebellie, agressie, een scala aan sociale en psychische problemen). We hopen dat deze druk die het systeem waarschijnlijk te verduren krijgt ervoor zal zorgen dat het ineenstort, of in ieder geval dusdanig verzwakt dat er een revolutie uitbreekt die slaagt, want dat zou het bewijs zijn dat het streven naar vrijheid sterker is dan de technologie.

135. In paragraaf 125 hebben we de analogie gebruikt van de zwakke buurman die berooid achterblijft nadat een sterke buurman hem al zijn land heeft afgenomen door hem een reeks compromissen op te dringen. Maar stel nu eens dat de sterke buurman ziek wordt, zodat hij zich niet kan verdedigen. De zwakke buurman kan de sterke dwingen hem zijn land terug te geven, of hij kan hem doden. Als hij de sterke man laat overleven en hem alleen dwingt om zijn land terug te geven, is hij dom, want als de sterke man weer beter is zal hij opnieuw al het land voor zich opeisen. Het enige verstandige alternatief voor de zwakke man is om de sterke te doden nu hij de kans krijgt. Zo moeten we ook het industrieel systeem vernietigen als het ziek is. Als we een compromis sluiten en het van zijn ziekte laten herstellen, zal het op den duur aan al onze vrijheid een eind maken.

Eenvoudigere maatschappelijke problemen zijn onoplosbaar gebleken

136. Mocht er nog iemand zijn die denkt dat het systeem zodanig hervormd kan worden dat de vrijheid wordt beschermd tegen de technologie, dan moet die persoon wel bedenken hoe klunzig en met hoe weinig resultaat onze samenleving andere sociale problemen te lijf is gegaan die veel eenvoudiger en grijpbaarder zijn. Problemen die het systeem niet tot staan heeft kunnen brengen, zijn onder andere: de aantasting van het milieu, politieke corruptie, drugssmokkel en geweld in huiselijke kring.

137. Neem nu de milieuproblematiek. Het is duidelijk welke waarden hier met elkaar botsen: wat nu economisch goed uitkomt staat tegenover het behoud van een deel van onze natuurlijke hulpbronnen voor onze kleinkinderen (22). Maar over dit onderwerp komen de machthebbers alleen maar met blabla en rookgordijnen, niet met een duidelijk, consistent actieplan. En intussen blijven we milieu-problemen opstapelen waar onze kleinkinderen maar mee moeten leven. Pogingen om het milieuvraagstuk aan te pakken monden uit in conflicten en compromissen tussen verschillende stromingen, waarvan nu eens de ene en dan weer de andere overheerst. De teneur van die conflicten verandert mee met de schommelingen van de publieke opinie. Dat is geen rationeel proces, en geen aanpak waarmee het probleem tijdig en voorgoed zal worden opgelost. Als grote maatschappelijke problemen al worden ‘opgelost’, gebeurt dat zelden of nooit door middel van een rationeel, uitgewerkt plan. Ze verdwijnen gewoon vanzelf door een proces waarbij verschillende rivaliserende groepen die hun eigen (meestal korte-termijn)belang nastreven (23) uiteindelijk (meestal op goed geluk) komen tot een min of meer stabiele modus vivendi. Gezien de wetmatigheden die we in paragraaf 100-106 hebben geformuleerd valt het te betwijfelen of rationele lange-termijnplanning voor een samenleving OOIT goed kan werken.

138. Het is dan ook duidelijk dat de menselijke soort hooguit een beperkt vermogen heeft om maatschappelijke problemen op te lossen, zelfs als ze vrij ongecompliceerd zijn. Hoe moet de mens dan een oplossing vinden voor een veel ingewikkelder en subtieler probleem: zorgen dat vrijheid en technologie kunnen samengaan? De technologie biedt duidelijke materiële voordelen. Vrijheid blijft daarentegen een abstractie die voor verschillende mensen verschillende betekenissen heeft, en het verlies aan vrijheid wordt gemakkelijk verdoezeld met propaganda en mooie praatjes.

139. En vergeet dit belangrijke verschil niet: het is voorstelbaar dat (bijvoorbeeld) onze milieuproblemen op een dag worden geregeld aan de hand van een rationeel, uitgewerkt plan, maar als dat gebeurt is het alleen omdat het op den duur in het belang van het systeem is om deze problemen op te lossen. Maar het is NIET in het belang van het systeem om de vrijheid te handhaven, of de autonomie van kleine groepen. Integendeel, het is in het belang van het systeem om zoveel mogelijk greep te krijgen op het menselijk gedrag (24). Dus terwijl het systeem uit praktische overwegingen op den duur gedwongen kan worden om milieuproblemen op rationele, verstandige wijze te benaderen, zal het systeem uit even praktische overwegingen gedwongen zijn om het menselijk gedrag nog strikter te reguleren (liefst op indirecte wijze, om zo de inbreuk op de vrijheid te verhullen). We staan niet alleen in deze opvatting. Vooraanstaande sociale wetenschappers (zoals James Q. Wilson) wijzen erop hoe belangrijk het is om mensen effectiever te ‘socialiseren’.

Revolutie is eenvoudiger dan hervorming

140. We hopen de lezer ervan te hebben overtuigd dat het systeem niet zodanig kan worden hervormd dat vrijheid en technologie kunnen samengaan. De enige uitweg is om het industrieel-technologisch systeem maar helemaal van de hand te doen. Dat betekent revolutie; niet noodzakelijkerwijs een gewapende opstand, maar in ieder geval wel een ingrijpende en fundamentele verandering van het karakter van de samenleving.

141. Mensen zijn geneigd te denken dat een revolutie veel moeilijker tot stand komt dan een hervorming, omdat revolutie een veel grotere verandering behelst. Maar in feite is revolutie onder bepaalde omstandigheden veel gemakkelijker dan hervorming. Dat komt omdat een revolutionaire beweging een veel grotere betrokkenheid bij mensen kan oproepen een hervormingsbeweging. Een hervormingsbeweging biedt alleen uitzicht op oplossing van een bepaald maatschappelijk probleem. Een revolutionaire beweging belooft alle problemen in één keer op te lossen en een hele nieuwe wereld te creëren; dat is het soort ideaal waarvoor mensen grote risico’s willen nemen en grote offers willen brengen. Om die redenen zou het veel gemakkelijker zijn om het hele technologisch systeem omver te werpen dan om effectieve, permanente beperkingen op te leggen aan de ontwikkeling of de toepassing van willekeurig welk aspect van de technologie, bijvoorbeeld genetische manipulatie. Als de omstandigheden er rijp voor zijn zullen grote groepen mensen zich vol overgave wijden aan een revolutie tegen het industrieel-technologisch systeem. Zoals we in paragraaf 132 al stelden, proberen hervormers door bepaalde aspecten van de technologie in toom te houden een negatief resultaat te vermijden. Maar revolutionairen hebben een aansprekende beloning in het verschiet – verwezenlijking van hun revolutionaire visie – en zetten zich daarom meer in en geven het minder snel op dan hervormers.

142. Hervormingen worden altijd beteugeld door de angst voor pijnlijke gevolgen als veranderingen te ver gaan. Maar als de revolutionaire koorts een samenleving eenmaal in haar greep houdt, zijn mensen bereid om de vreselijkste ontberingen te lijden voor de goede zaak. Dat bleek duidelijk in de Franse en de Russische Revolutie. Het mag dan zo zijn dat in dergelijke gevallen slechts een minderheid van de bevolking zich echt voor de revolutie inzet, maar deze minderheid is groot en actief genoeg om de dominante kracht in de samenleving te worden. We komen terug op revolutie in paragraaf 180-205.

Sturing van menselijk gedrag

143. Vanaf het begin van de beschaving hebben georganiseerde samenlevingen mensen onder druk moeten zetten om het maatschappelijk organisme te kunnen laten functioneren. De wijze waarop dit gebeurt verschilt sterk van samenleving tot samenleving. Soms gaat het om fysieke drukmiddelen (gebrek aan goede voeding, te zware lichamelijke arbeid, milieuverontreiniging), soms om psychologische (lawaai, veel mensen dicht op elkaar laten leven, mensen dwingen om hun gedrag aan te passen aan de eisen van de samenleving). De menselijke natuur is altijd min of meer stabiel geweest; of is in ieder geval altijd binnen bepaalde marges gebleven. Daardoor zijn er altijd grenzen geweest aan wat samenlevingen van mensen konden vragen. Als de grens van wat mensen kunnen verdragen wordt overschreden, loopt de zaak uit de hand: of opstand, of criminaliteit, of corruptie, of ontduiking van werk, of depressiviteit en andere geestelijke problemen, of een verhoogd sterftecijfer, of een verlaagd geboortecijfer of iets anders, zodat de samenleving ofwel instort, ofwel te inefficiënt gaat functioneren en (snel of geleidelijk, door verovering, uitputting of evolutie) wordt vervangen door een efficiënter type samenleving (25).

144. De menselijke natuur heeft dus in het verleden grenzen gesteld aan de ontwikkeling van samenlevingen. Er kon slechts zoveel van mensen gevraagd worden, en niet meer. Maar dat is nu misschien wel aan het veranderen, omdat de moderne technologie werkt aan methoden om mensen bij te werken.

145. Stel je een samenleving voor die mensen overlevert aan omstandigheden waardoor ze vreselijk ongelukkig worden, en hun vervolgens een pilletje geeft om hun ongeluk weg te nemen. Science fiction? Tot op zekere hoogte komt dat al voor in onze eigen samenleving. Het is bekend dat het aantal gevallen van klinische depressiviteit de afgelopen decennia sterk is toegenomen. Wij denken dat dat komt omdat er iets mis is met het machtsproces, zoals we hebben uitgelegd in paragraaf 59-76. Maar zelfs als we het mis hebben, is de toename van depressiviteit hoe dan ook het gevolg van EEN OF MEER omstandigheden in de hedendaagse samenleving. In plaats van de omstandigheden weg te nemen waardoor mensen depressief worden, geeft de moderne samenleving hun antidepressiva. In feite dienen die antidepressiva dus om iemands innerlijk zodanig bij te werken dat hij sociale omstandigheden kan verdragen die hij normaal gesproken ondraaglijk vindt. (Ja, we weten dat depressiviteit vaak een zuiver erfelijke oorsprong heeft. We hebben het hier over die gevallen waarin de omgeving de bepalende factor is.)

146. Medicijnen die de geest beïnvloeden zijn maar één voorbeeld van de methoden die de moderne samenleving ontwikkelt om menselijk gedrag te sturen. We zullen er nog een paar onder de loep nemen.

147. Om te beginnen zijn dat de technieken voor bewaking en beveiliging. In de meeste winkels en op veel andere plaatsen worden er tegenwoordig verborgen videocamera’s gebruikt. Met behulp van computers worden grote hoeveelheden informatie over individuen opgeslagen en bewerkt. Met de zo verkregen informatie wordt fysieke dwang (wetshandhaving) een stuk effectiever (26). Daarnaast heb je de propagandamethoden, waarvoor de massamedia heel bruikbaar zijn. Er zijn goed werkende technieken ontwikkeld om verkiezingen te winnen, produkten te verkopen, de publieke opinie te beïnvloeden. De amusementssector vormt een belangrijk psychologisch instrument voor het systeem, wellicht zèlfs als er veel seks en geweld wordt voorgeschoteld. Amusement biedt de moderne mens een onontbeerlijke ontsnappingsmogelijkheid. In beslag genomen door televisie, video’s enzovoorts, is hij even verlost van de stress, de zorgen, de frustratie, de onvrede. Bij veel primitieve volkeren kunnen mensen als ze geen werk te doen hebben, rustig uren aan een stuk niks zitten doen, omdat ze vrede hebben met zichzelf en met hun wereld. Maar de meeste moderne mensen moeten voortdurend worden beziggehouden of vermaakt, anders ‘vervelen’ ze zich, d.w.z. ze worden kriebelig, onrustig, geïrriteerd.

148. Andere technieken gaan nog verder dan de voorgaande. Opvoeding is niet meer simpelweg een kwestie van een kind een pak voor zijn broek geven als hij zijn les niet kent, of een schouderklopje als hij zijn les wel kent. Het is een wetenschappelijke techniek aan het worden om de ontwikkeling van het kind te sturen. Sylvan Learning Centers is er bijvoorbeeld uitstekend in geslaagd om kinderen te motiveren om te leren en ook op veel gewone scholen wordt met enig succes gebruik gemaakt van psychologische technieken. Ouders krijgen onderricht in ‘ouderschaps’-technieken, die erop gericht zijn om kinderen de fundamentele waarden van het systeem te laten overnemen en zich te leren gedragen volgens de wensen van het systeem. Programma’s voor de ‘geestelijke gezondheid’, ‘interventie’-technieken, psychotherapie, enzovoorts moeten zogenaamd ten goede komen aan het individu, maar in de praktijk worden ze meestal gebruikt om individuen te laten denken en zich te laten gedragen zoals het systeem vereist. (Dat is geen tegenstelling; een individu wiens instelling of gedrag hem in conflict brengt met het systeem, staat tegenover een overmacht. Hij kan zich er ook niet aan onttrekken, dus hij zal waarschijnlijk last krijgen van stress, frustratie, defaitisme. Hij heeft het veel gemakkelijker als hij denkt en zich gedraagt zoals het systeem vereist. In die zin handelt het systeem voor de bestwil van het individu als het hem hersenspoelt tot inschikkelijkheid.) Kindermishandeling wordt in zijn ergste en duidelijkste vormen door de meeste, zo niet alle culturen afgewezen. Een kind pijnigen vanwege een kleinigheid of zonder reden stuit vrijwel iedereen tegen de borst. Maar veel psychologen hanteren een veel ruimere definitie van mishandeling. Is een pak slaag, als onderdeel van een rationeel en consistent tuchtsysteem, een vorm van mishandeling? Doorslaggevend voor het antwoord zal zijn of slaan in de meeste gevallen gedrag oplevert waarmee een persoon in het bestaande maatschappelijk systeem ingepast kan worden. In de praktijk verstaat men onder ‘mishandeling’ meestal elke opvoedingsmethode die gedrag oplevert dat het systeem slecht uitkomt. Dus programma’s ter voorkoming van ‘kindermishandeling’ die verder gaan dan het voorkomen van duidelijke, zinloze wreedheid, richten zich op het sturen van menselijk gedrag door het systeem.

149. Naar we aannemen zullen psychologische technieken voor sturing van menselijk gedrag door onderzoek steeds effectiever worden. Maar we achten het onwaarschijnlijk dat psychologische technieken alleen afdoende zijn om mensen aan te passen aan het type samenleving dat door de technologie wordt gecreëerd. Er zullen waarschijnlijk biologische methoden moeten worden gebruikt. We hebben in dit verband al verwezen naar het gebruik van medicijnen. De neurologie biedt wellicht andere ingangen om de menselijke geest bij te werken. Genetische manipulatie van mensen is al in opkomst in de vorm van ‘gentherapie’, en er is geen reden om aan te nemen dat dergelijke methoden op den duur niet zullen worden gebruikt voor het bijwerken van die aspecten van het lichaam die het geestelijk functioneren beïnvloeden.

150. Zoals we in paragraaf 134 al vermeldden, gaat de industriële samenleving waarschijnlijk een periode van grote spanningen tegemoet, deels vanwege problemen die het menselijk gedrag betreffen, deels door problemen op het gebied van de economie en het milieu. En een aanzienlijk deel van deze laatste problemen vloeit voort uit het gedrag van mensen. Vervreemding, gebrek aan zelfrespect, depressiviteit, tegendraadsheid, opstandigheid; kinderen die niet willen leren, jeugdbendes, drugsgebruik, verkrachting, kindermishandeling, andere misdaden, onveilig vrijen, zwangerschap bij scholieren, bevolkingsgroei, politieke corruptie, rassehaat, rivaliteit tussen etnische groepen, scherpe ideologische conflicten (voor of tegen abortus), politiek extremisme, terrorisme, sabotage, antiregeringsgezinde groepen, rancuneuze groepen. Dat zijn allemaal bedreigingen voor het voortbestaan van het systeem. Het systeem zal GEDWONGEN zijn om ieder bruikbaar middel aan te wenden om het menselijk gedrag te sturen.

151. De sociale ontwrichting die je tegenwoordig ziet, komt zeker niet uit de lucht vallen. Die moet wel het gevolg zijn van de leefomstandigheden waaraan het systeem de mensen onderwerpt. (Naar onze overtuiging is de belangrijkste van deze omstandigheden een verstoord machtsproces.) Als het systeem erin slaagt om voldoende greep te krijgen op het menselijk gedrag om zijn eigen voortbestaan veilig te stellen, zal er een nieuwe keerpunt in de geschiedenis van de mensheid zijn bereikt. Waar voorheen door de grenzen aan wat mensen kunnen verdragen grenzen werden gesteld aan de ontwikkeling van samenlevingen (zoals we hebben uitgelegd in paragraaf 143-144), zal de industrieel-technologische samenleving deze grenzen kunnen overschrijden door mensen bij te werken, hetzij met psychologische methoden, hetzij met biologische methoden, hetzij met een combinatie daarvan. In de toekomst zullen maatschappelijke systemen niet worden aangepast aan de behoeften van mensen. In plaats daarvan zal de mens worden aangepast aan de behoeften van het systeem (27).

152. In het algemeen zal de technologische sturing van menselijk gedrag niet worden ingevoerd met totalitaire bedoelingen, of zelfs niet vanuit een bewuste wens om de menselijke vrijheid te beknotten (28). Elke nieuwe stap waarmee de maakbaarheid van de menselijke geest wordt versterkt, zal worden gezet als rationele reactie op een probleem waar de samenleving voor staat: alcoholisme genezen, de misdaadcijfers omlaag brengen, jongeren ertoe aanzetten om exact te kiezen. In veel gevallen zal er een humanitaire rechtvaardiging voor zijn. Als een psychiater bijvoorbeeld een depressieve patiënt een antidepressivum voorschrijft, bewijst hij dit individu duidelijk een dienst. Het zou onmenselijk zijn om iemand een medicijn te onthouden dat hij nodig heeft. Als ouders hun kinderen naar Sylvan Learning Centers sturen om ze enthousiasme voor school te laten aanpraten, doen ze dat uit bezorgdheid over het welzijn van die kinderen. Misschien zouden sommige van die ouders wel willen dat je geen specialistische opleiding nodig had om een baan te vinden, en dat hun kind niet hoefde te worden gehersenspoeld om een computer-nerd te worden. Maar wat moeten ze? Zij kunnen de samenleving niet veranderen, en hun kind zou werkloos kunnen worden als hij niet over bepaalde vaardigheden beschikt. Dus dan sturen ze hem naar Sylvan.

153. Zo wordt de sturing van menselijk gedrag dus niet ingevoerd door een weloverwogen besluit van de autoriteiten, maar door een proces van maatschappelijke evolutie (maar wel SNELLE evolutie). Dat proces kan onmogelijk worden tegengegaan, omdat iedere ontwikkeling op zichzelf beschouwd gunstig zal lijken; of zal het kwaad dat wordt aangericht door de betreffende ontwikkeling gunstig lijken; of in ieder geval zal het kwaad dat wordt aangericht door de betreffende ontwikkeling minder erg lijken dan de vermeende gevolgen van het achterwege laten van die ontwikkeling (zie paragraaf 127). Propaganda wordt bijvoorbeeld vaak voor goede doelen ingezet, zoals het tegengaan van kindermishandeling of rassehaat (14). Seksuele voorlichting op school is zeker nuttig, maar heeft (voorzover geslaagd) wel tot gevolg dat de verantwoordelijkheid voor seksuele vorming aan het gezin wordt ontnomen en wordt overgedragen aan de staat, in dit geval vertegenwoordigd door het schoolsysteem.

154. Stel dat er een biologische eigenschap wordt ontdekt die de kans vergroot dat een kind crimineel wordt en dat deze eigenschap met een of andere gentherapie kan worden weggenomen (29). Natuurlijk zullen de meeste ouders met kinderen die deze eigenschap hebben, hen deze therapie willen laten ondergaan. Het zou onmenselijk zijn om dat niet te doen, omdat het kind waarschijnlijk een ellendig leven zou krijgen als crimineel. Maar de meeste primitieve samenlevingen hebben lagere misdaadcijfers dan onze samenleving, hoewel ze er geen futuristische opvoedingsmethoden of zware straffen op na houden. Aangezien er geen reden is om aan te nemen dat de moderne mens meer aangeboren roofzuchtige neigingen heeft dan de primitieve mens, moeten de hoge misdaadcijfers in onze samenleving wel het gevolg zijn van de grote druk die de moderne leefomstandigheden op mensen leggen, waaraan velen zich niet kunnen of willen aanpassen. Een behandeling die erop gericht is om potentiële criminele neigingen weg te nemen is dan ook in ieder geval ten dele een manier om mensen zo te reconstrueren dat ze aan de eisen van het systeem voldoen.

155. In onze samenleving wordt het begrip ‘ziekte’ vaak van toepassing verklaard op elke vorm van denken of gedrag die het systeem slecht uitkomt. Dat is ook begrijpelijk, want als een individu niet in het systeem past, is dat zowel pijnlijk voor het individu als problematisch voor het systeem. Manipulatie van een individu om hem in te passen in het systeem wordt daarom beschouwd als een manier om een ‘ziekte’ te ‘genezen’ en dus als iets goeds.

156. In paragraaf 127 wezen we er al op dat als het gebruik van een nieuw stuk technologie AANVANKELIJK facultatief is, het niet per se facultatief hoeft te BLIJVEN, aangezien de nieuwe technologie de samenleving meestal zozeer verandert dat het moeilijk of onmogelijk wordt om als individu te functioneren zonder die technologie te gebruiken. Dat geldt ook voor de technologie van het menselijk gedrag. In een wereld waarin men kinderen een programma laat doorlopen om enthousiasme bij hen op te wekken om te leren, is een ouder welhaast gedwongen om zijn kind zo’n programma te laten doorlopen, omdat het kind anders een betrekkelijke analfabeet blijft en dus geen werk vindt. Of stel dat er een biologische behandelingswijze wordt ontdekt waarmee zonder ongewenste bijwerkingen de stress waar zoveel mensen in onze samenleving onder gebukt gaan enorm kan worden verminderd. Als grote groepen mensen ervoor kiezen om deze behandeling te ondergaan, zal de stress in onze samenleving als geheel verminderen, zodat het systeem de druk die de stress veroorzaakt kan opvoeren. Iets dergelijks schijnt trouwens al gebeurd te zijn met een van de belangrijkste psychologische instrumenten van de samenleving om stress bij mensen te verminderen (of er op zijn minst tijdelijk aan te ontsnappen), namelijk massavermaak (zie paragraaf 147). Ons gebruik van massavermaak is ‘facultatief’; geen enkele wet verplicht ons televisie te kijken, naar de radio te luisteren, tijdschriften te lezen. Toch is massavermaak een middel om even te ontsnappen en om stress te verminderen waar de meesten van ons afhankelijk van zijn geworden. Iedereen klaagt over de troep die op televisie wordt vertoond, maar vrijwel iedereen kijkt ernaar. Een enkeling is van zijn TV-verslaving afgekomen, maar er zullen maar heel weinig mensen zijn die het zonder ENIGE vorm van massavermaak kunnen stellen. (Toch konden de meeste mensen tot voor kort uitstekend toe met alleen het vermaak dat elke gemeenschap zichzelf verschafte.) Zonder de vermaaksindustrie zou het systeem ons waarschijnlijk niet ongestraft aan zoveel stress kunnen blootstellen als het nu doet.

157. Aangenomen dat de industriële samenleving overleeft, zal de technologie het menselijk gedrag op den duur waarschijnlijk volledig in zijn greep krijgen. Het staat buiten kijf dat het menselijk denken en het menselijk gedrag grotendeels biologisch bepaald zijn. In experimenten is aangetoond dat gevoelens als honger, plezier, woede en angst aan- en uitgezet kunnen worden door elektrische stimulering van de juiste hersendelen. Herinneringen kunnen worden uitgewist door hersendelen te beschadigen, of opgehaald door elektrische stimulering. Met medicijnen kunnen hallucinaties worden opgeroepen, of stemmingen veranderd. Als er al een onstoffelijke menselijke ziel bestaat, gaat er duidelijk minder invloed van uit dan van de biologische mechanismen van het menselijk gedrag. Anders zouden onderzoekers niet zo gemakkelijk menselijke gevoelens en menselijk gedrag kunnen manipuleren met medicijnen en elektrische stroom.

158. Het zou vermoedelijk onpraktisch zijn om bij alle mensen elektroden in hun hoofd aan te brengen, zodat de autoriteiten hen onder controle kunnen houden. Maar uit het feit dat menselijke gedachten en gevoelens zo open staan voor biologische interventie blijkt wel dat het probleem van het sturen van menselijk gedrag voornamelijk een technisch probleem is; een probleem van neuronen, hormonen en complexe moleculen; het type probleem dat wetenschappelijk aangepakt kan worden. Gezien de buitengewone staat van dienst van onze samenleving in het oplossen van technische problemen, is het uiterst waarschijnlijk dat er grote vooruitgang zal worden geboekt in het sturen van menselijk gedrag.

159. Zal verzet vanuit de bevolking kunnen voorkomen dat technologische sturing van menselijk gedrag wordt ingevoerd? Dat zou zeker het geval zijn als gepoogd werd om een dergelijke maatregel in één keer door te voeren. Maar aangezien technologische sturing zal worden doorgevoerd door middel van een lange reeks kleine vorderingen, zal er geen rationeel en effectief verzet vanuit de bevolking op gang komen. (Zie de paragrafen 127, 132 en 153.)

160. Wie dit allemaal als science fiction in de oren klinkt, wijzen we erop dat wat gisteren nog science fiction was, vandaag al echt bestaat. De Industriële Revolutie heeft de menselijke leefomgeving en leefwijze ingrijpend veranderd, en het zit er dik in dat naarmate de technologie meer wordt toegepast op het menselijk lichaam en de menselijke geest, de mens zelf net zo ingrijpend wordt veranderd als met zijn leefomgeving en leefwijze is gebeurd.

De mensheid op een kruispunt

161. Maar we lopen op ons verhaal vooruit. Je kunt in een experimentele situatie wel een reeks psychologische of biologische technieken ontwikkelen om het menselijk gedrag te manipuleren, maar daarmee heb je die technieken nog niet geïntegreerd in een functionerend sociaal systeem. Het laatste is veel moeilijker dan het eerste. Zo werken de technieken van de onderwijspsychologie ongetwijfeld vrij goed op de ‘test’-scholen waar ze zijn ontwikkeld, maar dat wil nog niet zeggen dat ze gemakkelijk effectief zijn toe te passen in het onderwijssysteem. We weten allemaal hoe het in veel van onze scholen toegaat. De leraren hebben het veel te druk met messen en pistolen afpakken, om hun leerlingen met behulp van de laatste technieken in computer-nerds te kunnen veranderen. Dus ondanks alle technische vorderingen aangaande het menselijk gedrag heeft het systeem tot nu toe nog niet echt greep op mensen kunnen krijgen. De mensen wiens gedrag het systeem wel redelijk onder controle heeft, zijn mensen van wat je het ‘burgerlijke’ type zou kunnen noemen. Maar er zijn steeds grotere groepen mensen die zich op een of andere manier verzetten tegen het systeem: uitkeringstrekkers, jeugdbendes, sekten, satanisten, nazi’s, radicale milieu-activisten, militia’s, etcetera.

162. Het systeem is momenteel verwikkeld in een wanhopige strijd om bepaalde problemen te overwinnen die zijn voortbestaan in gevaar brengen, waarbij het menselijk gedrag voor de grootste problemen zorgt. Als het systeem er snel genoeg in slaagt om het menselijk gedrag voldoende onder controle te krijgen, zal het waarschijnlijk overleven. Zo niet, dan stort het in. Het lijkt ons zeer waarschijnlijk dat de komende decennia hiervoor beslissend zullen zijn. Over veertig tot honderd jaar weten we meer.

163. Stel dat het systeem de crisis van de komende decennia overleeft. Tegen die tijd zal het de voornaamste problemen waar het voor staat moeten hebben opgelost, of op zijn minst onder controle hebben gebracht, met name dat van het ‘socialiseren’ van mensen; dat wil zeggen, mensen zo volgzaam maken dat hun gedrag geen bedreiging meer vormt voor het systeem. Als dat voor elkaar is, is er zo op het oog niets meer wat de ontwikkeling van de technologie in de weg staat. Die zal dan waarschijnlijk voortschrijden in de richting van de logische afloop: de volledige heerschappij van de technologie over alles op aarde, de mensen en alle andere belangrijke organismen inbegrepen. Het systeem zou een centralistische, monolithische organisatie kunnen worden, of enigszins gefragmenteerd kunnen uitvallen, opgebouwd uit een aantal organisaties die naast elkaar bestaan en een onderlinge relatie hebben die elementen van zowel samenwerking als wedijver bevat, net zoals in onze tijd de overheid, de grote ondernemingen en andere grote organisaties zowel met elkaar samenwerken als met elkaar wedijveren. De menselijke vrijheid zal grotendeels zijn verdwenen, omdat individuen en kleine groepen machteloos staan tegenover grote organisaties, die zijn gewapend met supertechnologie en een arsenaal van geavanceerde psychologische en biologische hulpmiddelen om mensen te manipuleren, en met instrumenten voor bewaking en beveiliging en fysieke dwang. Slechts een klein aantal mensen zal daadwerkelijk macht hebben, en zelfs hun vrijheid zal waarschijnlijk zeer beperkte zijn, omdat ook hun gedrag gereguleerd zal worden; net zoals onze huidige politici en grote ondernemers hun machtsposities alleen kunnen behouden zolang hun gedrag binnen bepaalde, tamelijk smalle grenzen blijft.

164. Denk maar niet dat de systemen zullen ophouden met het ontwikkelen van verdere technieken om de mens en de natuur te sturen als de crisis van de komende paar decennia voorbij is en het voor het voortbestaan van het systeem niet meer nodig is om overal steeds meer greep op te krijgen. Integendeel, als de moeilijke tijden eenmaal voorbij zijn, zal het systeem zijn heerschappij over mens en natuur nog sneller uitbreiden, omdat het dan niet langer wordt gehinderd door het type moeilijkheden waar het nu mee te kampen heeft. Overleving is niet de belangrijkste drijfveer om meer greep op alles te willen krijgen. Zoals we in paragraaf 87-90 al hebben uitgelegd, doen wetenschappers en andere deskundigen hun werk voornamelijk als surrogaat-activiteit; dat wil zeggen, ze bevredigen hun behoefte aan macht door het oplossen van technische problemen. Ze zullen dit met onverminderd enthousiasme blijven doen, en een van de interessantste problemen en grootste uitdagingen is het doorgronden van het menselijk lichaam en de menselijke geest en het ingrijpen in hun ontwikkeling. In het ‘belang van de mensheid’, uiteraard.

165. Maar stel nu eens dat het tegenovergestelde gebeurt en dat het systeem de spanningen van de komende decennia niet blijkt aan te kunnen. Als het systeem ineenstort volgt er wellicht een periode van chaos, ‘woelige tijden’ zoals ze wel vaker in verschillende perioden in de geschiedenis zijn voorgekomen. Het is onmogelijk te voorspellen waar die woelige tijden toe zullen leiden, maar in ieder geval zal de mensheid een nieuwe kans worden vergund. Het grootste gevaar is een wederopstanding van de industriële samenleving in de eerste paar jaar na de ineenstorting. Er zullen zeker veel mensen (vooral machtshongerige types) op gebrand zijn om de fabrieken weer draaiende te krijgen.

166. Er liggen daarom twee taken voor degenen die walgen van de slavernij waartoe het systeem de mensheid reduceert. Ten eerste moeten we ervoor zorgen dat de sociale spanningen binnen het systeem worden opgevoerd, zodat het waarschijnlijker wordt dat het ineenstort of voldoende verzwakt wordt om een revolutie mogelijk te maken. Ten tweede moet er een ideologie ontwikkeld en gepropageerd worden die zich tegen de technologie en de industriële samenleving keert op het moment dat het systeem voldoende verzwakt is. Een dergelijke ideologie biedt ook meer zekerheid dat, op het moment dat de industriële samenleving inderdaad ineenstort, de restanten onherstelbaar worden vernield, zodat het systeem niet opnieuw kan worden opgebouwd. De fabrieken moeten worden vernietigd, technische boeken verbrand, enzovoorts.

Menselijk lijden

167. Het industrieel systeem zal niet ineenstorten uitsluitend als gevolg van revolutionaire actie. Een revolutionaire aanval heeft alleen kans van slagen als het systeem door zijn eigen interne ontwikkelingsproblemen al in ernstige moeilijkheden verkeert. Dus als het systeem ineenstort zal dat ofwel spontaan gebeuren, ofwel door een proces dat deels spontaan is, maar door revolutionairen wordt bevorderd. Als de ineenstorting plotseling plaatsvindt, zal dat aan veel mensen het leven kosten, omdat de wereld zo overbevolkt is dat er niet voldoende voedsel geproduceerd kan worden zonder geavanceerde technologie. Zelfs als de ineenstorting zo geleidelijk gaat dat de afname van de bevolking eerder een gevolg is van een lager geboortecijfer dan van een hoger sterftecijfer, zal het de-industrialisatieproces erg chaotisch verlopen en met veel lijden gepaard gaan. Het is naïef om ervan uit te gaan dat de technologie geruisloos en probleemloos kan worden weggewerkt, vooral omdat de technofielen voor iedere meter zullen vechten. Is het dan niet wreed om je in te zetten voor de ineenstorting van het systeem? Misschien, maar misschien ook niet. In de eerste plaats zullen revolutionairen alleen in staat zijn om het systeem te vernietigen als het al in moeilijkheden verkeert, zodat er een goede kans bestaat dat het op den duur toch wel ineen zou storten; en hoe meer het systeem groeit, hoe rampzaliger de gevolgen van die ineenstorting zullen zijn; het kan dus best dat revolutionairen door het moment van de ineenstorting te vervroegen de omvang van de ramp zullen beperken.

168. In de tweede plaats moet je de strijd en de dood afwegen tegen het verlies aan vrijheid en waardigheid. Voor velen van ons zijn vrijheid en waardigheid belangrijker dan een lang leven of het uit de weg gaan van fysieke pijn. Bovendien gaan we allemaal ooit een keer dood, en je kunt misschien beter doodgaan terwijl je vecht voor je voortbestaan of voor een goede zaak, dan dat je een lang maar leeg en doelloos leven leidt.

169. In de derde plaats is het niet zo zeker dat het voortbestaan van het systeem minder menselijk lijden tot gevolg zal hebben dan de ineenstorting van het systeem zou veroorzaken. Het systeem heeft over de hele wereld al enorm veel lijden teweeggebracht en doet dat nog steeds. Oude culturen die eeuwenlang borg stonden voor goede relaties tussen mensen onderling en tussen de mens en zijn omgeving, zijn kapotgegaan aan het contact met de industriële samenleving, dat heeft geleid tot een ellenlange lijst van economische, sociale, psychische en milieuproblemen. Een van de effecten van het binnendringen van de industriële samenleving is dat over vrijwel de gehele wereld de traditionele remmingen op de bevolkingsomvang uit balans zijn geraakt. Vandaar de bevolkingsexplosie, met alle gevolgen vandien. En dan is er ook nog het psychisch lijden dat wijdverbreid is in de zogenaamd fortuinlijke landen van het westen (zie paragraaf 44-45.) Niemand weet wat de gevolgen zullen zijn van de afbraak van de ozonlaag, het broeikaseffect en andere milieuproblemen die nu nog niet kunnen worden voorzien. En bij de verspreiding van kernwapens is wel gebleken dat nieuwe technologie niet uit handen van dictators en onberekenbare Derde-Wereldlanden kan worden gehouden. Je moet er toch niet aan denken wat ze in Irak of Noord-Korea gaan doen met genetische manipulatie?

170. ‘Ach!’ zeggen de technofielen, ‘De wetenschap maakt dat allemaal wel in orde! We zullen een eind maken aan de honger, psychisch lijden uitbannen en iedereen gezond en gelukkig maken!’ Dat zal best. Dat zeiden ze tweehonderd jaar geleden ook al. De Industriële Revolutie zou een eind maken aan de armoede, iedereen gelukkig maken, enzovoorts. In werkelijkheid is het heel anders gegaan. De technofielen zijn hopeloos naïef (of houden zichzelf voor de gek) in hun inschatting van maatschappelijke problemen. Ze zijn zich niet bewust van (of bewust blind voor) het feit dat invoering van grote veranderingen in een samenleving, zelfs als het schijnbaar verbeteringen zijn, leidt tot een hele reeks andere veranderingen, waarvan de meeste onvoorspelbaar zijn (paragraaf 103). Dat resulteert in ontwrichting van de samenleving. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de technofielen, in hun poging om een eind te maken aan armoede en ziekte, om meegaande, gelukkige persoonlijkheden te vervaardigen, enzovoorts, maatschappelijke systemen zullen creëren die ernstig ontaard zijn, nog veel meer dan het huidige systeem. De wetenschappers pochen bijvoorbeeld dat ze de honger de wereld uit zullen helpen door nieuwe, genetisch gemanipuleerde voedselgewassen te creëren. Maar dat betekent dat de bevolking ongelimiteerd kan blijven doorgroeien, en het is bekend dat een grotere opeenhoping van mensen tot meer stress en agressie leidt. Dat is maar één voorbeeld van de VOORSPELBARE problemen die zich zullen voordoen. We benadrukken, en in het verleden is dat ook gebleken, dat technische vooruitgang de samenleving veel sneller voor nieuwe problemen zal stellen dan er oude problemen door worden opgelost. Daarom zal er een lange, moeilijke periode van vallen en opstaan verstrijken voordat de technofielen de storingen in hun Brave New World hebben verholpen (als hun dat ooit al zal lukken). In de tussentijd zal er erg geleden worden. Het is dus niet zo zeker dat het voortbestaan van de industriële samenleving minder lijden zou veroorzaken dan de ineenstorting van die samenleving. De technologie heeft de mensheid in een penibele situatie gebracht en het zal waarschijnlijk heel moeilijk zijn om daar weer uit te komen.

De toekomst

171. Maar stel nu dat de industriële samenleving de komende decennia overleeft en dat de storingen in het systeem uiteindelijk worden verholpen, zodat het soepel functioneert. Wat voor systeem zal dat zijn? We zullen verschillende mogelijkheden de revu laten passeren.

172. Laten we om te beginnen aannemen dat de informatici erin zullen slagen om intelligente machines te ontwikkelen die alles beter kunnen dan mensen. In dat geval zal al het werk vermoedelijk worden gedaan door grote, zeer goed georganiseerde machinesystemen en zal er geen menselijke inspanning meer nodig zijn. Er zijn dan twee mogelijkheden. Men zou de machines kunnen toestaan om alle beslissingen zelf te nemen zonder menselijk toezicht, of de mens zou de machines blijven besturen.

173. Als de machines wordt toegestaan alle beslissingen zelf te nemen, is er geen zinnig woord te zeggen over de gevolgen, omdat onmogelijk is te voorzien hoe dergelijke machines zich zouden gedragen. We wijzen er slechts op dat de mensheid aan de genade van de machines zou zijn overgeleverd. Je zou kunnen denken dat de mensheid nooit zo dwaas zal zijn om alle macht aan de machines over te dragen. We zeggen dan ook niet dat de mensheid de macht vrijwillig aan de machines zou overdragen, of dat de machines welbewust de macht zullen grijpen. Maar we zeggen wel dat de mensheid gemakkelijk zou kunnen afglijden naar een zodanige afhankelijkheidspositie ten opzichte van de machines dat er in feite geen andere mogelijkheid overblijft dan alle beslissingen van de machines te accepteren. Naarmate de samenleving en de problemen waar ze voor staat complexer worden en machines intelligenter, zullen mensen de machines steeds meer beslissingen voor hen laten nemen, simpelweg omdat machinale beslissingen betere resultaten opleveren dan menselijke. Op den duur kan het zover komen dat de beslissingen die noodzakelijk zijn om het systeem draaiende te houden zo ingewikkeld worden dat mensen niet meer in staat zijn om ze weloverwogen te nemen. Dan hebben de machines het in feite voor het zeggen. Mensen zijn dan niet meer in staat om de machines gewoon uit te zetten, omdat ze er zo afhankelijk van zijn dat uitzetten gelijk zou staan aan zelfmoord.

174. Anderzijds is het ook mogelijk dat de mens de machines de baas blijft. In dat geval zou de gewone man de baas zijn over een aantal eigen machines, zoals zijn auto of zijn PC, maar zou het beheer van grote machinesystemen in handen zijn van een kleine elite – net als nu, maar met twee verschillen. Als gevolg van verbeterde technieken zal de elite meer macht over de massa hebben; en omdat er geen behoefte meer zal zijn aan menselijke arbeid, zouden de massa’s overbodig worden, een blok aan het been van het systeem. Een genadeloze elite zou eenvoudigweg kunnen besluiten om het gewone volk uit te roeien. Een humane elite zou met behulp van propaganda of andere psychologische of biologische technieken het geboortecijfer omlaag kunnen brengen, totdat het gewone volk uitsterft en de elite het rijk alleen heeft. Als de elite bestaat uit weekhartige progressieven, besluiten die misschien wel om de goede herder te gaan spelen voor de rest van het menselijk ras. Ze zien erop toe dat ieders eerste levensbehoeften worden bevredigd, dat alle kinderen in psychologisch hygiënische omstandigheden worden grootgebracht, dat iedereen een gezonde hobby heeft om zijn tijd mee te vullen, en dat mensen die wel eens ontevreden zouden kunnen worden een ‘behandeling’ ondergaan om van hun ‘probleem’ af te komen. Uiteraard zou het leven dan zo doelloos zijn dat mensen biologisch en psychologisch bijgewerkt moeten worden, ofwel om hun behoefte aan het machtsproces te verwijderen, ofwel om hun zucht naar macht te ‘sublimeren’ in een of andere onschuldige hobby. Deze bijgewerkte mensen zijn misschien wel gelukkig in zo’n samenleving, maar vrij zijn ze zeker niet. Ze zijn dan gereduceerd tot de status van huisdieren.

175. Maar stel nu eens dat de informatici er niet in slagen om kunstmatige intelligentie te ontwikkelen, zodat menselijke arbeid noodzakelijk blijft. Ook dan zullen machines steeds meer eenvoudige taken overnemen, zodat er een steeds groter overschot aan laag opgeleide menselijke arbeidskrachten ontstaat. (We zien dat nu ook al. Er zijn veel mensen die moeilijk of onmogelijk werk kunnen vinden, omdat ze om intellectuele of psychologische redenen niet het opleidingsniveau kunnen bereiken dat nodig is om zich in het huidige systeem nuttig te kunnen maken.) Aan degenen die wel werk hebben, zullen steeds hogere eisen worden gesteld; ze zullen steeds beter opgeleid moeten zijn, steeds bekwamer, en steeds betrouwbaarder, aangepaster en meegaander, omdat ze steeds meer de functie krijgen van cellen in een gigantisch organisme. Hun taken zullen steeds specialistischer worden, zodat hun werk eigenlijk niets meer met de echte wereld te maken heeft en slechts gericht is op één heel klein facetje van de werkelijkheid. Het systeem zal alle mogelijke middelen moeten aanwenden, zowel psychologische als biologische, om mensen zo te manipuleren dat ze meegaand zijn, over de bekwaamheden beschikken die het systeem vereist en hun zucht naar macht ‘sublimeren’ in een of andere specialistische taak. Maar de stelling dat de mensen in een dergelijke samenleving meegaand moeten zijn, gaat misschien niet helemaal op. De samenleving kan rivaliteit nuttig achten, aangenomen dat er manieren worden gevonden om deze rivaliteit in banen te leiden die de behoeften van het systeem dienen. We kunnen ons een toekomstige samenleving voorstellen waarin eindeloos wordt gewedijverd om posities die prestige en macht opleveren. Maar er is slechts een handjevol mensen dat ooit de top zal bereiken, waar de enige echte macht ligt (zie het eind van paragraaf 163). Heel weerzinwekkend, een samenleving waarin iemand zijn behoefte aan macht alleen kan bevredigen over de ruggen van heel veel andere mensen, door hen HUN kans op macht te ontnemen.

176. Men kan zich scenario’s voorstellen die aspecten bevatten van een aantal van de mogelijkheden die we net hebben besproken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat machines het merendeel van het werk overnemen dat van werkelijk, praktisch belang is, maar dat mensen worden beziggehouden met relatief onbelangrijk werk. Zo is er al geopperd dat een grote uitbreiding van de dienstensector mensen aan werk kan helpen. Mensen zouden dan hun tijd doorbrengen met elkaars schoenen poetsen, elkaar in taxi’s rondrijden, nijverheidsprodukten maken voor elkaar, elkaar bedienen in restaurants en cafés, enzovoorts. Het lijkt ons wel buitengewoon minderwaardig als het zo met de mensheid moet aflopen, en we betwijfelen of veel mensen voldoening zouden halen uit een dergelijke zinloze tijdvulling. Ze zouden op zoek gaan naar andere, gevaarlijke uitlaatkleppen (drugs, misdaad, ‘sekten’, extremistische groepen), tenzij ze biologisch of psychologisch bijgewerkt zouden worden om hen aan een dergelijke leefwijze aan te passen.

177. Het zal duidelijk zijn dat met bovengenoemde scenario’s nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput. Ze geven alleen het soort uitkomsten aan dat volgens ons het meest voor de hand ligt. Maar we kunnen ons geen aannemelijke scenario’s voorstellen die aanlokkelijker zijn dan de reeds genoemde. Als het industrieel-technologisch systeem de komende veertig tot honderd jaar doorkomt, zal het tegen die tijd naar alle waarschijnlijkheid dan bepaalde algemene kenmerken hebben ontwikkeld: individuen (tenminste die van het ‘burgerlijke’ type, die zijn geïntegreerd in het systeem en zorgen dat het blijft draaien, en die dus alle macht in handen hebben) zullen meer dan ooit afhankelijk zijn van grote organisaties; ze zullen beter ‘gesocialiseerd’ zijn dan ooit en hun fysieke en mentale kwaliteiten zullen er in aanzienlijke mate (waarschijnlijk in zeer hoge mate) in gemanipuleerd zijn en niet zozeer voortkomen uit het toeval (of Gods wil, of wat dan ook); en van de ongerepte natuur zullen hooguit nog enkele restanten over zijn die in stand worden gehouden voor wetenschappelijk onderzoek en onder toezicht staan van en beheerd worden door wetenschapers (dus van ‘ongerept’ zal niet echt sprake meer zijn). Uiteindelijk (zeg over een paar eeuwen) zal waarschijnlijk noch de menselijke soort noch enig ander belangrijk organisme nog bestaan zoals we ze nu kennen. Want als je organismen eenmaal gaat bijwerken met behulp van genetische manipulatie is er geen reden om op een bepaald punt te stoppen, zodat het bijwerken waarschijnlijk net zolang doorgaat totdat de mens en andere organismen een volledige metamorfose hebben ondergaan.

178. Hoe het ook zij, het is zeker dat de technologie de mens in een nieuwe leefomgeving en sociale omgeving plaatst, die radicaal afwijkt van het spectrum van omgevingen waar de mensheid door natuurlijke selectie fysiek en psychisch aan is aangepast. Als de mens niet aan deze nieuwe omgeving wordt aangepast door kunstmatig te worden hervaardigd, zal hij eraan worden aangepast via een langdurig en pijnlijk proces van natuurlijke selectie. Het eerste is veel aannemelijker dan het laatste.

179. Het zou beter zijn om dat hele rotsysteem overboord te gooien en de gevolgen dan maar op de koop toe te nemen.

Strategie

180. De technofielen betrekken ons allemaal bij een ronduit roekeloos avontuur met onbekende afloop. Veel mensen begrijpen wel enigszins wat de technologische vooruitgang ons aandoet, maar nemen toch een passieve houding aan, omdat ze menen dat er niks aan te doen is. Maar wij (Freedom Club) denken dat er wel wat aan te doen is. We denken dat de technologie een halt kan worden toegeroepen en we zullen hier aangeven hoe dat aangepakt kan worden.

181. Zoals we in paragraaf 166 al stelden, zijn de twee voornaamste taken voor dit moment het bevorderen van sociale spanningen en instabiliteit in de industriële samenleving, en het propageren van een ideologie die gekant is tegen de technologie en het industrieel systeem. Als het systeem genoeg spanning en instabiliteit vertoont, is er misschien een revolutie tegen de technologie mogelijk. Die zou ongeveer net zo kunnen verlopen als de Franse en de Russische revolutie. Zowel de Franse als de Russische samenleving kenmerkte zich in de decennia voor de revolutie door steeds duidelijker tekenen van spanning en zwakte. Ondertussen werden er ideologieën ontwikkeld met een nieuwe visie op de wereld die heel anders was dan de oude. In het Russische geval zetten revolutionairen zich actief in om de oude orde te ondermijnen. Toen het oude systeem vervolgens nog meer onder druk kwam te staan (in Frankrijk door een financiële crisis, in Rusland door een militaire nederlaag), werd het weggevaagd door de revolutie. Wij hebben iets voor ogen met ongeveer hetzelfde verloop.

182. Er zal worden tegengeworpen dat de Franse en de Russische revolutie zijn mislukt. Maar de meeste revoluties hebben twee doelen. Ten eerste het vernietigen van de oude samenlevingsvorm en ten tweede de opbouw van de nieuwe samenlevingsvorm die de revolutionairen voor ogen staat. De Franse en de Russische revolutionairen slaagden er (gelukkig!) niet in om de nieuwe samenleving van hun dromen tot stand te brengen, maar het lukte hun uitstekend om de bestaande samenlevingsvorm te vernietigen.

183. Maar om een enthousiaste aanhang te verwerven moet een ideologie zowel een positief als een negatief ideaal hebben; zowel VOOR als TEGEN iets zijn. Het positieve ideaal dat wij voorstaan, is de natuur. Dat wil zeggen, de ONGEREPTE natuur; die aspecten van het functioneren van de aarde en het leven op aarde die niet door mensen worden beheerd en waarin de mens niet ingrijpt. En onder ongerepte natuur verstaan we ook de menselijke natuur. Daarmee bedoelen we die aspecten van het functioneren van het menselijk individu die niet gereguleerd worden door de georganiseerde samenleving, maar het produkt zijn van het toeval, of de vrije wil, of God (afhankelijk van je religieuze of filosofische opvattingen).

184. De natuur is om verscheidene redenen een perfect tegen-ideaal van de technologie. De natuur (datgene wat buiten de macht van het systeem valt) is het tegendeel van de technologie (die de macht van het systeem oneindig wil uitbreiden). De meeste mensen zullen het erover eens zijn dat de natuur mooi is; mensen voelen zich erdoor aangesproken. De radicale milieu-activisten houden er NU AL een ideologie op na die de natuur verheerlijkt en tegen de technologie is (30). Het is niet nodig om omwille van de natuur een of andere schimmige utopie of een nieuw soort maatschappijorde in te stellen. De natuur zorgt wel voor zichzelf: deze spontane schepping bestond al lang voordat er menselijke samenlevingen waren, en eeuwenlang hebben velerlei menselijke samenlevingen zij aan zij met de natuur bestaan zonder al te veel schade aan te richten. Pas sinds de Industriële Revolutie heeft de menselijke samenleving echt een verwoestend effect op de natuur gehad. Om de natuur van deze druk te bevrijden hoeft er geen speciaal soort maatschappelijk systeem te komen, we hoeven ons alleen maar te ontdoen van de industriële samenleving. Toegegeven, dan zijn we nog niet meteen van alle problemen af. De industriële samenleving heeft al enorm veel schade toegebracht aan de natuur en het zal heel lang duren voordat de wonden zijn genezen. Bovendien kunnen zelfs pre-industriële samenlevingen heel wat schade aanrichten aan de natuur. Niettemin is er al een heleboel bereikt als we van de industriële samenleving af zijn. De natuur zal dan van de ergste druk zijn bevrijd, zodat het herstelproces kan beginnen. De georganiseerde samenleving zal niet langer in staat zijn om haar greep op de natuur (inclusief de menselijke natuur) te versterken. Welk type samenleving er ook moge bestaan als het industrieel systeem ter ziele is, zeker is dat de meeste mensen dicht bij de natuur zullen leven, omdat er bij afwezigheid van geavanceerde technologie geen andere manier is waarop mensen KUNNEN leven. Om zich te kunnen voeden moeten ze boer worden, of herder, of visser, of jager, enzovoorts. En in het algemeen gesproken zal de plaatselijke autonomie toenemen, omdat overheden en andere grote organisaties bij gebrek aan geavanceerde technologie en snelle communicatiemogelijkheden minder greep zullen krijgen op plaatselijke gemeenschappen.

185. Wat de negatieve consequenties van het elimineren van de industriële samenleving betreft – tja, je kunt niet van twee walletjes eten. Om iets te bereiken, moet je iets anders opofferen.

186. De meeste mensen hebben een hekel aan psychologische conflicten. Daarom denken ze liever niet serieus na over moeilijke sociale onderwerpen, en krijgen ze zulke onderwerpen graag voorgelegd in simpele zwart-wit-termen: DIT is helemaal goed en DAT is helemaal fout. De revolutionaire ideologie moet daarom op twee niveaus worden ontwikkeld.

187. Op een wat genuanceerder niveau moet de ideologie mensen aanspreken die intelligent, nadenkend en rationeel zijn. Het doel moet zijn om een kern te formeren van mensen die tegen het industrieel systeem zijn op rationele, goed doordachte gronden, met volop oog voor de problemen en tegenstrijdigheden die daarbij komen kijken, en voor de prijs die betaald moet worden om van het systeem af te komen. Het is van groot belang om mensen van dit type aan te trekken, omdat dat bekwame mensen zijn die een grote rol spelen bij het beïnvloeden van anderen. Deze mensen moeten worden aangesproken op een zo rationeel mogelijk niveau. Feiten moeten nooit bewust verdraaid worden en ongenuanceerde uitspraken moeten worden vermeden. Dat betekent niet dat geen beroep mag worden gedaan op emoties, maar daarbij moet er goed op worden gelet dat de waarheid niet wordt verdraaid en dat er ook verder niets gedaan wordt wat het intellectuele aanzien van de ideologie teniet zou doen.

188. Op een tweede niveau moet de ideologie worden gepropageerd in een vereenvoudigde vorm, die de onnadenkende meerderheid in staat stelt om het conflict tussen technologie en natuur in ondubbelzinnige termen te zien. Maar zelfs op het tweede niveau moet de ideologie niet zo goedkoop, ongenuanceerd en irrationeel worden verwoord dat de mensen van het nadenkende en rationele type erdoor worden afgeschrikt. Goedkope, ongenuanceerde propaganda leidt soms op korte termijn tot indrukwekkende resultaten, maar op de lange duur heb je er meer aan om de loyaliteit van een kleine groep intelligente, betrokken mensen te behouden, dan om de emoties aan te wakkeren van een onnadenkende, wispelturige horde die van mening verandert zodra er iemand met een betere propagandastunt komt opdraven. Propaganda van opruiende aard kan echter noodzakelijk zijn als het systeem het breekpunt nadert en er een beslissende strijd gaande is tussen rivaliserende ideologieën om uit te maken welke ideologie de overhand krijgt als het oude wereldbeeld ten onder gaat.

189. Vóór die beslissende strijd moeten de revolutionairen niet verwachten dat ze een meerderheid van de mensen achter zich krijgen. De geschiedenis wordt bepaald door actieve, vastbesloten minderheden, niet door de meerderheid, die zelden een duidelijk en consistente voorstelling heeft van wat ze nu eigenlijk wil. Tot de tijd rijp is voor het beslissende duwtje richting revolutie (31), is de taak van de revolutionairen niet zozeer om de oppervlakkige steun van de meerderheid te verwerven alswel om een kleine kern van zeer toegewijde mensen bijeen te krijgen. Wat de meerderheid betreft volstaat het om hen op de hoogte te stellen van het bestaan van de nieuwe ideologie en hen er regelmatig aan te herinneren; hoewel het natuurlijk wenselijk is om steun te krijgen van de meerderheid voorzover dat mogelijk is zonder de kern van daadwerkelijk betrokken mensen te verzwakken.

190. Elk type maatschappelijk conflict draagt bij aan de destabilisering van het systeem, maar je moet oppassen welk soort conflict je aanmoedigt. Het moet gaan om een conflict tussen het gewone volk en de elite die in de industriële samenleving aan de macht is (politici, wetenschappers, leidende figuren in grote ondernemingen, hoge ambtenaren, enzovoorts). Het conflict moet niet gaan tussen de revolutionairen en het gewone volk. Het zou bijvoorbeeld een slechte strategie zijn als de revolutionairen Amerikanen aanvallen op hun consumptiegedrag. De doorsnee Amerikaan moet juist worden afgeschilderd als een slachtoffer van de reclame- en marketingbranche, die hem allerlei rommel heeft aangepraat waar hij niets aan heeft en die wel een erg schamele compensatie is voor zijn verlies aan vrijheid. Allebei die benaderingen komen met de feiten overeen. Het hangt van je instelling af of je de reclamebranche verwijt dat ze het publiek manipuleert, of het publiek verwijt dat het zich laat manipuleren. Uit strategisch oogpunt kun je het publiek in het algemeen beter geen verwijten maken.

191. Je moet je wel tweemaal bedenken voordat je een ander maatschappelijk conflict aanmoedigt dan dat tussen de elite die de macht heeft (en de technologie in handen heeft) en het grote publiek (waar de technologie haar macht over uitoefent). Om te beginnen leiden andere conflicten meestal de aandacht af van de belangrijke conflicten (tussen machtselite en gewone mensen, tussen technologie en natuur); daarnaast kunnen andere conflicten de technologisering stimuleren, omdat beide partijen in zo’n conflict technologische macht willen gebruiken om voordeel te behalen op de tegenstander. Dat is duidelijk te zien bij rivaliserende landen. Het blijkt ook bij etnische conflicten binnen landen. Zo willen veel zwarte leiders in Amerika Afro-Amerikanen aan meer macht helpen door te zorgen dat zwarte individuen op posities in de technologische machtselite terecht komen. Ze willen dat er veel zwarte overheidsfunctionarissen, wetenschappers, directieleden, enzovoorts komen. Op deze manier werken ze eraan mee dat de Afro-Amerikaanse subcultuur wordt geabsorbeerd door het technologisch systeem. In het algemeen zou je alleen die maatschappelijke conflicten moeten aanmoedigen die kunnen worden gezien als conflicten tussen machtselite en gewone mensen, tussen technologie en natuur.

192. Maar etnische conflicten ontmoedig je NIET door op militante wijze op te komen voor minderheidsrechten (zie de paragrafen 21 en 29). De revolutionairen zouden juist moeten benadrukken dat minderheden weliswaar in meer of mindere mate benadeeld worden, maar dat dat van marginale betekenis is. Onze echte vijand is het industrieel-technologisch systeem, en in de strijd tegen dat systeem zijn etnische verschillen niet van belang.

193. Het soort revolutie dat we voor ogen hebben, hoeft niet per se een gewapende opstand in te houden tegen welke regering dan ook. Fysiek geweld is niet uitgesloten, maar het zal in geen geval een POLITIEKE revolutie zijn. De nadruk zal liggen op technologie en economie, niet op politiek (32).

194. Waarschijnlijk kunnen de revolutionairen er zelfs beter VAN AFZIEN om de politieke macht te grijpen, met wettige of onwettige middelen, totdat het industrieel systeem het kritieke punt heeft bereikt en het in de ogen van de meeste mensen een mislukking is gebleken. Stel bijvoorbeeld dat een ‘groene’ partij bij verkiezingen de meerderheid krijgt in het Amerikaanse Congres. Om de eigen ideologie niet te verraden of af te zwakken, moet deze partij dan rigoureuze maatregelen treffen om een negatieve economische groei tot stand te brengen. Voor de gewone man zouden de gevolgen rampzalig lijken: er zou massale werkloosheid komen, schaarste, enzovoorts. Zelfs als de ergste gevolgen vermeden kunnen worden door bovenmenselijk bekwaam management, zouden de mensen evengoed iets moeten inleveren van de luxe waaraan ze verslaafd zijn geraakt. De onvrede zou toenemen, de ‘groene’ partij zou worden weggestemd en de revolutionairen zouden een nederlaag hebben geleden. Daarom moeten de revolutionairen ook pas proberen om politieke macht te verwerven als het systeem zichzelf dermate in de nesten heeft gewerkt dat alle ontberingen beschouwd worden als gevolg van de feilen van het industrieel systeem zelf en niet van het beleid van de revolutionairen. De revolutie tegen de technologie zal waarschijnlijk een revolutie van buitenstaanders zijn, een revolutie van onderaf en niet van bovenaf.

195. De revolutie moet internationaal zijn en wereldwijd. Ze kan niet in ieder land afzonderlijk op gang worden gebracht. Telkens als wordt geopperd dat bijvoorbeeld de Verenigde Staten moeten inbinden op het gebied van technologische vooruitgang of economische groei, worden mensen hysterisch en beginnen ze te roepen dat als we achter raken op technologisch gebied de Japanners een voorsprong op ons zullen nemen. Alle robotten nog aan toe! De wereld zou uit zijn baan schieten als de Japanners ooit meer auto’s zouden verkopen dan wij! (Nationalisme is erg bevorderlijk voor de technologie). Een redelijker argument is dat als de relatief democratische landen van de wereld technologisch achter raken terwijl nare, dictatoriale landen als China, Vietnam en Noord-Korea zich blijven ontwikkelen, de dictators op den duur de hele wereld zullen domineren. Daarom moet het industrieel systeem in alle landen tegelijk worden aangevallen, voorzover dat mogelijk is. Goed, het is niet zeker dat het industrieel systeem overal ter wereld ongeveer tegelijkertijd vernietigd kan worden, en het is zelfs denkbaar dat de poging om het systeem omver te werpen juist leidt tot de overheersing van het systeem door dictators. Dat risico moeten we nemen. En het is het nemen waard, omdat het verschil tussen een ‘democratisch’ en een dictatoriaal industrieel systeem klein is vergeleken met het verschil tussen een industrieel en een niet-industrieel systeem (33). Je zou zelfs kunnen stellen dat een industrieel systeem beheerst door dictators de voorkeur geniet, omdat dergelijke systemen gewoonlijk inefficiënt blijken, en daarom waarschijnlijk eerder uiteen zullen vallen. Kijk maar naar Cuba.

196. Revolutionairen zouden kunnen overwegen om maatregelen te steunen die ertoe bijdragen dat de wereldeconomie één geheel blijft. Vrijhandelsovereenkomsten zoals NAFTA en GATT zijn op de korte termijn waarschijnlijk schadelijk voor het milieu, maar op de lange termijn zijn ze misschien juist gunstig omdat ze de onderlinge economische afhankelijkheid van landen in stand houden. Het zal gemakkelijker zijn om het industrieel systeem in de hele wereld tegelijk te vernietigen als de wereldeconomie zo’n samenhang vertoont dat de ineenstorting in een willekeurig groot land zal leiden tot de ineenstorting in alle geïndustrialiseerde landen.

197. Sommige mensen staan op het standpunt dat de moderne mens teveel macht heeft, teveel greep op de natuur; ze pleiten voor een passievere houding van de kant van de mensheid. In het gunstigste geval drukken deze mensen zich onduidelijk uit, omdat ze geen onderscheid maken tussen macht voor GROTE ORGANISATIES en macht voor INDIVIDUEN en KLEINE GROEPEN. Het is verkeerd om te pleiten voor machteloosheid en passiviteit, omdat mensen macht NODIG HEBBEN. De moderne mens als collectief – dat wil zeggen, het industrieel systeem – heeft immens veel macht over de natuur, en wij (Freedom Club) vinden dat zeer kwalijk. Maar moderne INDIVIDUEN en KLEINE GROEPEN INDIVIDUEN hebben veel minder macht dan de primitieve mens ooit heeft gehad. In het algemeen wordt de enorme macht van de ‘moderne mens’ over de natuur niet door individuen of kleine groepen uitgeoefend maar door grote organisaties. Voorzover het doorsnee moderne INDIVIDU over technologische macht beschikt, mag hij die alleen gebruiken binnen nauwe grenzen en alleen onder toezicht van en gestuurd door het systeem. (Je hebt overal een vergunning voor nodig, en aan die vergunning zitten allerlei regels en voorschriften vast.) Het individu heeft slechts technologische macht voorzover het systeem hem die verleent. Zijn PERSOONLIJKE macht over de natuur is gering.

198. Primitieve INDIVIDUEN en KLEINE GROEPEN hadden in feite een aanzienlijke macht over de natuur; of misschien kun je beter zeggen: macht BINNEN de natuur. Als de primitieve mens voedsel nodig had, wist hij hoe hij aan eetbare wortels kwam en hoe hij die moest klaarmaken, hoe hij wild moest opsporen en het te pakken moest krijgen met zelfgemaakte wapens. Hij wist hoe hij zich moest beschermen tegen hitte, kou, regen, gevaarlijke dieren, enzovoorts. Maar de primitieve mens bracht de natuur betrekkelijk weinig schade toe, omdat de COLLECTIEVE macht van de primitieve samenleving te verwaarlozen was vergeleken met de COLLECTIEVE macht van de industriële samenleving.

199. In plaats van machteloosheid en passiviteit voor te staan, zou je juist moeten stellen dat de macht van het Industrieel SYSTEEM moet worden gebroken, en dat INDIVIDUEN en KLEINE GROEPEN dan VEEL MEER macht en vrijheid zullen krijgen.

200. Zolang het industrieel systeem nog niet volledig verwoest is, moet de vernietiging van dat systeem het ENIGE doel van de revolutionairen zijn. Andere doelen zouden de aandacht en de energie afleiden van het voornaamste doel. Er is nog een belangrijker reden: als de revolutionairen zichzelf nog enig ander doel toestaan dan de vernietiging van de technologie, komen ze in de verleiding om de technologie te gebruiken als middel om dat andere doel te bereiken. Als ze aan die verleiding toegeven, vallen ze meteen terug in de technologische valkuil, want de moderne technologie is een gecentraliseerd, strak georganiseerd systeem. Om EEN BEETJE technologie te behouden ben je verplicht om de MEESTE technologie te behouden, en uiteindelijk geef je dan slechts een symbolische hoeveelheid technologie op.

201. Stel bijvoorbeeld dat de revolutionairen zich ‘sociale rechtvaardigheid’ ten doel stellen. Gezien de aard van de mens zou sociale rechtvaardigheid er niet vanzelf komen; die zou moeten worden afgedwongen. Dat zou alleen kunnen als de revolutionairen de organisatie en coördinatie centraal houden. Dan moet er snel over grote afstanden getransporteerd en gecommuniceerd kunnen worden en zijn er dus allerlei technologische hulpmiddelen nodig voor die transport- en communicatiesystemen. Om arme mensen te voeden en te kleden zouden ze landbouw- en produktietechnologie moeten gebruiken. En ga zo maar door. Zodat de poging om sociale rechtvaardigheid te waarborgen hen zou dwingen om de meeste onderdelen van het technologische systeem te behouden. Niet dat we iets tegen sociale rechtvaardigheid hebben, maar de pogingen om van het technologisch systeem af te komen mogen er niet door worden gehinderd.

202. Het zou hopeloos zijn als revolutionairen proberen het systeem aan te vallen zonder ENIGE moderne technologie te gebruiken. Ze moeten in ieder geval de communicatiemedia gebruiken om hun boodschap te verspreiden. Maar ze zouden de moderne technologie voor slechts ÉÉN ding moeten gebruiken: om het technologisch systeem aan te vallen.

203. Een alcoholist zit met een vat wijn voor zich. Hij zegt tegen zichzelf: ‘Wijn is niet slecht voor je, zolang je er maar met mate van drinkt. Ze zeggen zelfs dat wijn in kleine hoeveelheden goed voor je is! Het kan heus geen kwaad als ik een klein glaasje neem…’ Het is duidelijk hoe het verder gaat. Vergeet nooit dat je de mensheid met technologie kunt zien als een alcoholist met een vat wijn.

204. Revolutionairen zouden zoveel mogelijk kinderen moeten krijgen. De wetenschap heeft er sterke aanwijzingen voor dat sociale instelling in aanzienlijke mate erfelijk is. Niemand beweert dat je sociale instelling een direct gevolg is van je genetisch gestel, maar binnen de context van onze samenleving schijnen bepaalde persoonlijkheidskenmerkken vaak samen te gaan met een bepaalde sociale instelling. Er zijn ook bezwaren tegen deze bevindingen geuit, maar die zijn weinig overtuigend en lijken voort te komen uit ideologische motieven. Hoe dan ook, niemand zal ontkennen dat de sociale instelling van kinderen in het algemeen min of meer overeenkomt met die van hun ouders. Vanuit onze optiek doet het er niet zoveel toe of deze instellingen genetisch worden overgedragen of via de opvoeding. In beide gevallen WORDEN ze overgedragen.

205. Het vervelende is dat veel mensen die geneigd zijn om tegen het industrieel systeem in opstand te komen ook bezorgd zijn over de overbevolking, en daarom vaak weinig of geen kinderen hebben. Dat zou kunnen betekenen dat ze de wereld in handen geven van het soort mensen dat het industrieel systeem ondersteunt, of op zijn minst accepteert. Om de kracht van de volgende generatie revolutionairen te waarborgen moet de huidige generatie zich overvloedig voortplanten. Daarmee verergeren ze het bevolkingsprobleem maar een klein beetje. En het belangrijkste probleem is het uit de weg ruimen van het industrieel systeem, want als het industrieel systeem eenmaal verdwenen is, moet de bevolking wel in aantal afnemen (zie paragraaf 167); als het industrieel systeem daarentegen overleeft, zal het doorgaan met het ontwikkelen van nieuwe voedselproduktietechnieken die de wereldbevolking in staat zullen stellen om vrijwel onbeperkt door te groeien.

206. Wat de revolutionaire strategie betreft, zijn de enige elementen waar we per se aan vast willen houden dat de eliminatie van de moderne technologie het alles overheersende doel is en dat geen ander doel dit doel in de weg mag staan. Verder moeten revolutionairen voor een empirische benadering kiezen. Als de ervaring leert dat een aantal van de aanbevelingen uit de voorgaande paragrafen geen goede resultaten opleveren, dan moeten deze aanbevelingen terzijde worden geschoven.

Twee soorten technologie

207. Een argument dat waarschijnlijk zal worden aangevoerd tegen onze voorgenomen revolutie is dat die tot mislukken gedoemd is omdat (zo beweert men) in de hele geschiedenis de technologie altijd vooruitgegaan is, nooit achteruit, en technologische achteruitgang dus onmogelijk is. Maar deze bewering is onjuist.

208. We onderscheiden twee soorten technologie, die we kleinschalige en organisatie-afhankelijke technologie zullen noemen. Kleinschalige technologie kan worden gebruikt door kleinschalige gemeenschappen zonder hulp van buitenaf. Organisatie-afhankelijke technologie is afhankelijk van ver doorgevoerde organisatie van de maatschappij. We kennen geen voorbeelden van achteruitgang van enige betekenis bij kleinschalige technologie. Maar organisatie-afhankelijke technologie gaat WEL achteruit als de organisatiegraad waar ze van afhankelijk is, wegvalt. Voorbeeld: toen het Romeinse Rijk uiteenviel, bleef de kleinschalige technologie van de Romeinen behouden omdat iedere pientere handwerksman bijvoorbeeld een waterrad kon bouwen, iedere kundige smid op de Romeinse manier staal kon maken, enzovoorts. Maar de organisatie-afhankelijke technologie van de Romeinen ging WEL achteruit. Hun aquaducten raakten in verval en werden nooit meer hersteld. Hun wegenbouwtechnieken gingen verloren. Het rioolwaterverwerkingssysteem van de Romeinse steden raakte in de vergetelheid, zodat Europese steden tot betrekkelijk kort geleden een systeem gebruikten dat minder geavanceerd was dan dat van het oude Rome.

209. De reden dat technologie altijd vooruit lijkt te zijn gegaan, is dat de meeste technologie tot een eeuw of twee voor de Industriële Revolutie kleinschalige technologie was. Maar de technologie van na de Industriële Revolutie is grotendeels organisatie-afhankelijke technologie. Neem bijvoorbeeld de koelkast. Zonder onderdelen uit de fabriek of de machines uit een post-industriële werkplaats zou het voor een groepje plaatselijke handwerkslieden vrijwel onmogelijk zijn om een koelkast te bouwen. Als het hun op een of andere miraculeuze wijze toch zou lukken, zouden ze er niets aan hebben als er geen elektriciteit was. Ze zouden dus een rivier moeten afdammen en een generator moeten bouwen. Voor een generators heb je grote hoeveelheden koperdraad nodig. Hoe zou je dat moeten maken zonder moderne machines? En hoe zouden ze aan een gas komen dat geschikt is voor koeling? Het zou veel gemakkelijker zijn om een vrieshuis te bouwen of om voedsel goed te houden door het te drogen of in te maken, zoals werd gedaan voor de uitvinding van de koelkast.

210. Het is dus duidelijk dat als het industrieel systeem ooit met de grond wordt gelijkgemaakt, de technologie van de koelkast verloren zou gaan. Hetzelfde geldt voor andere organisatie-afhankelijke technologie. En als die technologie eenmaal een generatie lang verloren zou zijn, zou de wederopbouw eeuwen kosten, net zoals het de eerste keer eeuwen heeft gekost om zover te komen. De weinige overgebleven technische boeken zouden her en der verspreid zijn. Als een industriële samenleving vanaf de grond wordt opgebouwd zonder hulp van buitenaf, kan dat slechts gebeuren in een reeks van opeenvolgende stadia: je hebt gereedschap nodig om gereedschap te maken om gereedschap te maken om gereedschap te maken… Zo’n samenleving moet een lang proces doormaken van economische ontwikkeling en van vooruitgang in de organisatie van de maatschappij. En zelfs bij afwezigheid van een antitechnologische ideologie is er geen reden om te geloven dat iemand er belang in zou stellen om de industriële samenleving opnieuw op te bouwen. Het enthousiasme voor ‘vooruitgang’ is een typisch verschijnsel van de moderne samenleving, dat vóór de 17e eeuw of daaromtrent niet lijkt te hebben bestaan.

211. In de late middeleeuwen waren er vier grote beschavingen die ongeveer even ‘ontwikkeld’ waren: Europa, de islamitische wereld, India, en het Verre Oosten (China, Japan, Korea). Drie van deze beschavingen zijn min of meer stabiel gebleven, en alleen Europa kwam in beweging. Niemand weet waar de dynamiek in het Europa van die tijd vandaan kwam; historici hebben daar wel theorieën over, maar dat is allemaal speculatie. In ieder geval is duidelijk dat snelle ontwikkeling naar een technologische samenlevingsvorm alleen onder bijzondere omstandigheden plaatsvindt. Er is dus geen reden om aan te nemen dat er geen langdurige technologische achteruitgang teweeggebracht kan worden.

212. Zou de samenleving zich OP DEN DUUR opnieuw ontwikkelen naar een industrieel-technologische vorm? Misschien, maar het heeft geen zin om je daar zorgen over te maken, omdat we gebeurtenissen die over 500 tot 1000 jaar plaatsvinden niet kunnen voorspellen of sturen. Die problemen moeten worden aangepakt door de mensen die dan leven.

Het gevaar van het linksisme

213. Vanwege hun behoefte om zich af te zetten en om lid van een beweging te zijn, voelen linksisten of personen van een vergelijkbaar psychologisch type zich vaak aangetrokken tot een opstandige of activistische beweging waarvan de doelen en de leden in beginsel niet linksistisch zijn. De toevloed van linksistische types die daar het gevolg van is, kan een niet-linksistische beweging gemakkelijk veranderen in een linksistische, zodat linksistische doelen de oorspronkelijke doelstellingen van de beweging verdringen of vervormen.

214. Om dit te voorkomen, moet een beweging die de natuur verheerlijkt en tegen technologie gekant is zich resoluut anti-linksistisch opstellen en elke vorm van samenwerking met linksisten vermijden. Het linksisme is op de lange duur niet te rijmen met de ongerepte natuur, met menselijke vrijheid en met de eliminatie van moderne technologie. Het linksisme is collectivistisch; het is erop uit om van de hele wereld (zowel de natuur als de mensheid) een eenheid te maken. Maar dat impliceert dat de georganiseerde samenleving de natuur en het menselijk leven beheert, en er is geavanceerde technologie voor nodig. Een verenigde wereld is niet mogelijk zonder snel transport en snelle communicatie. Je kunt er niet voor zorgen dat alle mensen van elkaar houden zonder geraffineerde psychologische technieken. Een ‘geprogrammeerde samenleving’ kan niet zonder de noodzakelijke technologische basis. Het linksisme wordt vooral gedreven door de zucht naar macht, en de linksist is op zoek naar macht op collectieve basis, door zich te identificeren met een massabeweging of een organisatie. Het linksisme zal de technologie waarschijnlijk nooit opgeven, omdat technologie een te waardevolle bron van collectieve macht is.

215. De anarchist (34) is ook op zoek naar macht, maar dan op individuele basis of als onderdeel van een kleine groep; hij wil dat individuen en kleine groepen in staat zijn om hun eigen levensomstandigheden te bepalen. Hij is tegen technologie omdat kleine groeperingen daardoor afhankelijk zijn van grote organisaties.

216. Sommige linksisten lijken wel tegen de technologie te zijn, maar zijn dat alleen maar zolang ze buitenstaanders zijn en het technologisch systeem in handen is van niet-linksisten. Als het linksisme ooit de overhand krijgt in de samenleving, zodat het technologisch systeem een werktuig wordt in handen van linksisten, zullen die er enthousiast gebruik van maken en de groei ervan stimuleren. Daarmee zullen ze dan in een patroon vervallen dat het linksisme in het verleden keer op keer heeft vertoond. Toen de bolsjewieken in Rusland buitenstaanders waren, verzetten ze zich hevig tegen censuur en tegen de geheime politie, pleitten ze voor zelfbeschikking voor etnische minderheden, enzovoorts; maar zodra ze zelf aan de macht kwamen, stelden ze een strengere censuur in en zetten ze een meedogenlozer geheime politie op dan onder de tsaren ooit bestaan had, en onderdrukten ze etnische minderheden minstens zo erg als de tsaren hadden gedaan. Op de universiteiten in de Verenigde Staten waren linksistische hoogleraren enkele decennia terug, toen linksisten nog in de minderheid waren, fanatieke voorstanders van academische vrijheid, maar nu blijken linksisten op de universiteiten waar ze de dienst uitmaken bereid te zijn om alle anderen hun academische vrijheid te ontzeggen. (Dat heet dan ‘politieke correctheid’.) Met linksisten en technologie zal het net zo gaan: ze zullen er gebruik van maken om alle anderen mee te onderdrukken, als ze er ooit zeggenschap over krijgen.

217. Bij revoluties in het verleden hebben linksisten van het meest machtshongerige type herhaalde malen eerst samengewerkt met niet-linksistische revolutionairen en met linksisten van een meer libertaire signatuur, en hen later verraden om zelf de macht te kunnen grijpen. Robespierre deed dat in de Franse revolutie, de bolsjewieken deden dat in de Russische revolutie, de communisten deden het in Spanje in 1938 en Castro en zijn volgelingen deden het in Cuba. Gezien het verleden van het linksisme, zouden niet-linksistische revolutionairen wel heel dwaas zijn als ze vandaag de dag met linksisten zouden samenwerken.

218. Verscheidene denkers hebben erop gewezen dat het linksisme een soort religie is. Het linksisme is geen religie in de strikte betekenis van het woord, omdat de linksistische doctrine niet uitgaat van het bestaan van een bovennatuurlijk wezen. Maar voor de linksist speelt het linksisme psychologisch net zo’n rol als religie voor sommige mensen speelt. De linksist MOET geloven in het linksisme; het speelt een vitale rol in zijn psychologische administratie. Hij zal zijn geloofsopvattingen niet snel wijzigen onder invloed van de logica of de feiten. Hij is er diep van overtuigd dat het linksisme moreel Juist is, met een hoofdletter, en dat hij niet alleen het recht maar ook de plicht heeft om de linksistische moraal aan iedereen op te leggen. (Veel mensen die we aanduiden als ‘linksisten’ beschouwen zichzelf echter niet als linksistisch en zouden hun eigen stelsel van overtuigingen geen linksisme noemen. We gebruiken de term ‘linksisme’ omdat we geen betere term weten voor het spectrum van onderling verwante levensovertuigingen die kenmerkend zijn voor de bewegingen die strijden voor het feminisme, voor homo-rechten, politieke correctheid, etcetera, en omdat deze bewegingen een sterke affiniteit hebben met de traditionele linkse beweging. Zie paragraaf 227-230).

219. Het linksisme is een totalitaire macht. Overal waar het linksisme de dienst uitmaakt, dringt het door tot alle hoeken van de privé-sfeer en dwingt het iedere gedachte in een linksistisch keurslijf. Dat komt ten dele door het quasi-religieuze karakter van het linksisme; alles wat in strijd is met linksistische overtuigingen is Zondig. Een belangrijker reden voor de totalitaire macht van het linksisme is de machtsdrift van de linksist. De linksist probeert zijn machtsdrift te bevredigen door zich te identificeren met een sociale beweging en hij probeert het machtsproces te doorlopen door de doeleinden van de beweging na te streven en te helpen bereiken (zie paragraaf 83). Maar hoe zeer de beweging er ook in slaagt om haar doelen te bereiken, de linksist is nooit tevreden, omdat zijn activisme een surrogaat-activiteit is (zie paragraaf 41). Dat wil zeggen, het ware motief van de linksist is niet om de vermeende doelen van het linksisme te verwezenlijken; in werkelijkheid wordt hij gedreven door het gevoel van macht dat hij krijgt door te strijden voor een maatschappelijk doel en dat ook te bereiken (35). Daardoor is de linksist nooit tevreden met de doelen die hij al bereikt heeft; zijn behoefte aan het machtsproces brengt hem er steeds weer toe om een nieuw doel na te streven. De linksist wil gelijke kansen voor minderheden. Als dat voor elkaar is, eist hij dat minderheden statistisch gezien evenveel bereiken. En zolang er iemand is die ergens in zijn achterhoofd nog een negatieve instelling heeft tegenover een of andere minderheid, moet de linksist hem heropvoeden. En dat is niet beperkt tot etnische minderheden; niemand mag een negatieve instelling hebben tegenover homoseksuelen, gehandicapten, dikke mensen, oude mensen, lelijke mensen, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Een verplichting om het publiek voor te lichten over de gevaren van roken gaat niet ver genoeg; er moet een waarschuwing worden afgedrukt op elk pakje sigaretten. Vervolgens moet sigarettenreclame aan banden worden gelegd, zo niet verboden. De activisten rusten niet tot tabak wettelijk verboden is, en daarna volgt alcohol, ongezonde voeding, enzovoorts. Activisten hebben flagrante kindermishandeling bestreden, en terecht. Maar nu willen ze een eind maken aan alle vormen van slaag. Als ze dat voor elkaar hebben, willen ze weer iets anders verbieden wat ze ongezond vinden, dan weer iets anders en dan weer iets. Ze zullen niet rusten voordat elke opvoeder doet wat zij zeggen. En daarna richten ze zich weer op een volgend doel.

220. Stel, je vraagt linksisten om een lijst te maken van ALLE dingen die mis zijn in de samenleving, en stel dat je IEDERE maatschappelijke verandering doorvoerde waar ze om vroegen. Je kunt er zeker van zijn dat het merendeel van de linksisten binnen een paar jaar iets nieuws zou bedenken om over te klagen, een nieuw maatschappelijk ‘kwaad’ dat rechtgezet moet worden, omdat, nogmaals, de linksist niet zozeer wordt gedreven door onvrede over de misstanden in de samenleving, als wel door de behoefte zijn zucht naar macht te bevredigen door zijn oplossingen aan de samenleving op te leggen.

221. Omdat ze in hun denken en gedrag geremd worden door hun hoge mate van socialisatie, kunnen veel linksisten van het overgesocialiseerde type geen macht nastreven op de manier waarop anderen dat doen. Voor hen heeft de zucht naar macht maar één moreel toelaatbare uitlaatklep en dat is de strijd om hun normen en waarden aan alles en iedereen op te leggen.

222. Linksisten, vooral die van het overgesocialiseerde type, zijn Ware Gelovigen in de betekenis van het boek van Eric Hoffer, The True Believer. Maar niet alle Ware Gelovigen zijn van hetzelfde psychologische type als de linksisten. Een ware gelovige nazi bijvoorbeeld zit psychologisch vermoedelijk heel anders in elkaar dan een ware gelovige linksist. Vanwege hun vermogen om zich vast te bijten in een doel zijn Ware Gelovigen een nuttig, misschien wel noodzakelijk bestanddeel van elke revolutionaire beweging. Dit stelt ons voor een probleem waarvan we moeten toe geven dat we er niet goed raad mee weten. We weten niet hoe we de daadkracht van de Ware Gelovige moeten aanwenden voor een revolutie tegen de technologie. Op dit moment kunnen we alleen zeggen dat geen enkele Ware Gelovige een betrouwbare rekruut is voor de revolutie, tenzij hij uitsluitend de vernietiging van de technologie is toegedaan. Als hij ook nog een ander ideaal koestert, wil hij de technologie misschien wel gebruiken als middel om dat andere ideaal na te streven (zie paragraaf 220-221).

223. Sommige lezers zeggen misschien: ‘Dat gedoe over linksisme is allemaal geklets. Ik ken John en Jane, dat zijn linksige types, maar die vertonen helemaal geen totalitaire neigingen.’ Inderdaad zijn veel linksisten, misschien zelfs een numerieke meerderheid, fatsoenlijke mensen die oprecht geloven in tolerantie ten aanzien van andere opvattingen (tot op zekere hoogte) en die geen autoritaire methoden zouden willen gebruiken om hun maatschappelijke doelen te bereiken. Onze opmerkingen over linksisme slaan niet op iedere individuele linksist, maar zijn bedoeld om het algemene karakter van het linksisme als beweging te beschrijven. En het algemene karakter van een beweging wordt niet noodzakelijkerwijs bepaald door de numerieke verhoudingen tussen de diverse typen mensen die bij de beweging betrokken zijn.

224. De mensen die op machtsposities terechtkomen in linksistische bewegingen zijn doorgaans linksisten van het meest machtshongerige type, omdat machtshongerige mensen er het hardst naar streven om machtsposities te bereiken. Als de machtshongerige types het eenmaal voor het zeggen hebben in de beweging, zijn er veel linksisten van zachtmoediger aard die het optreden van de leiders vaak inwendig afkeuren, maar zich er niet toe kunnen zetten om er tegenin te gaan. Ze hebben hun geloof in de beweging NODIG, en omdat ze dit geloof niet kunnen opgeven, volgen ze de leiders. Weliswaar hebben SOMMIGE linksisten het lef om zich tegen opkomende totalitaire tendensen uit te spreken, maar die delven meestal het onderspit, omdat de machtshongerige types beter georganiseerd zijn, meedogenlozer en Machiavellistischer zijn en zich verzekerd hebben van een sterke machtsbasis. 225. Deze verschijnselen waren duidelijk aanwezig in Rusland en in andere landen toen die werden overgenomen door linksisten. En ook linksistische types in het Westen uitten voor de val van het communisme in de USSR zelden kritiek op dat land. Als je aandrong, gaven ze wel toe dat de USSR veel dingen verkeerd had gedaan, maar dan probeerden ze allerlei excuses te bedenken voor de communisten en begonnen ze over de fouten van het Westen. Ze stelden altijd het westerse militarisme tegenover de communistische agressie. Linksistische types protesteerden overal ter wereld fanatiek tegen het optreden van de VS in Vietnam, maar toen de USSR Afghanistan binnenviel, deden ze niets. Niet dat ze het Sovjet-optreden goedkeurden; maar vanwege hun linksistische geloof konden ze het gewoon niet over hun hart verkrijgen om tegen het communisme in te gaan. Tegenwoordig zijn er op de universiteiten waar ‘politieke correctheid’ heerst waarschijnlijk heel wat linksisten die de onderdrukking van de academische vrijheid persoonlijk afkeuren, maar ze verzetten zich er niet tegen.

226. Het feit dat veel individuele linksisten aardige en vrij tolerante mensen zijn, behoedt het linksisme als geheel niet voor totalitaire neigingen.

227. Ons betoog over het linksisme vertoont onmiskenbaar een zwakke plek. Het is nog steeds verre van duidelijk wat we bedoelen met ‘linksist’. Hier lijkt niet veel aan te doen. Tegenwoordig is het linksisme versplinterd in een heel spectrum van activistische bewegingen. Toch zijn niet alle activistische bewegingen linksistisch, en sommige activistische bewegingen (b.v. radicaal milieu-activisme) lijken zowel personen van het linksistische type te herbergen als personen van het uitgesproken niet-linksistische type, die beter zouden moeten weten dan met linksisten samen te werken. Linksisten van diverse pluimage gaan naadloos over in niet-linksisten van diverse pluimage, en wij zouden het zelf vaak moeilijk vinden om te besluiten of een bepaald individu linksist is of niet. Als er al sprake is van een poging tot definitie, wordt wat wij onder het linksisme verstaan weergegeven door het betoog in dit artikel, en we kunnen de lezer alleen maar aanraden om naar eigen inzicht te bepalen wie een linksist is.

228. Maar het kan handig zijn enkele criteria te geven voor een diagnose van linksisme. Het gaat hier niet om pasklare criteria. Sommige individuen voldoen aan een aantal criteria zonder linksist te zijn, sommige linksisten voldoen wellicht aan geen enkel criterium. Nogmaals, je zult naar eigen inzicht moeten oordelen. 229. De linksist oriënteert zich op grootschalig collectivisme. Hij benadrukt de plicht van het individu om de samenleving van dienst te zijn, en de plicht van de samenleving om voor het individu te zorgen. Hij staat negatief tegenover individualisme. Hij slaat vaak een moralistische toon aan. Hij is veelal voor terugdringing van het wapenbezit, voor seksuele voorlichting op school en andere psychologisch ‘verlichte’ onderwijskundige methoden, voor planmatigheid, voor positieve actie, voor een multiculturele samenleving. Hij is geneigd zich met slachtoffers te identificeren. Hij is meestal tegen wedijver en tegen geweld, maar hij bedenkt vaak excuses voor linksisten die wel geweld gebruiken. Hij gebruikt graag geijkte linkse clichés als ‘racisme’, ‘seksisme’, ‘homofobie’, ‘kapitalisme’, ‘imperialisme’, ‘neokolonialisme’, ‘volkerenmoord’, ‘sociale verandering’, ‘sociale rechtvaardigheid’, ‘sociale verantwoordelijkheid’. Misschien is het duidelijkste symptoom van de linksist wel zijn neiging om te sympathiseren met bewegingen die opkomen voor het feminisme, voor de rechten van homoseksuelen, etnische groepen, gehandicapten, dieren, en voor politieke correctheid. Iedereen die sterk sympathiseert met AL dit soort bewegingen is vrijwel zeker linksist (36).

230. De gevaarlijkere linksisten, dat wil zeggen degenen die het hongerigst naar macht zijn, kenmerken zich vaak door arrogantie of door een dogmatische benadering van ideologie. Maar de gevaarlijkste linksisten van allemaal zijn misschien wel bepaalde overgesocialiseerde types die irritant agressievertoon vermijden en niet met hun linksisme te koop lopen, maar zich rustig en onverstoorbaar inzetten voor het aanprijzen van collectivistische waarden, van ‘verlichte’ psychologische technieken om kinderen te socialiseren, van afhankelijkheid van het individu van het systeem, enzovoorts. Deze crypto-linksisten (zo zouden we ze kunnen noemen) lijken wat hun daden betreft op bepaalde burgerlijke types, maar zitten psychologisch en ideologisch anders in elkaar en hebben andere drijfveren. De gewone burgerman probeert mensen in de greep van het systeem te brengen om zijn manier van leven te beschermen, of hij doet het simpelweg omdat hij een conventionele instelling heeft. De crypto-linksist probeert mensen in de greep van het systeem te brengen omdat hij een Ware Gelovige in de collectivistische ideologie is. De crypto-linksist verschilt van de doorsnee linksist van het overgesocialiseerde type door het feit dat zijn opstandige impuls zwakker is en hij degelijker gesocialiseerd is. Hij verschilt van de gewone, goed-gesocialiseerde burgerman door het feit dat hij een enorme lacune in zich heeft, die het noodzakelijk voor hem maakt om zich aan een zaak te wijden en zich te laten opgaan in een collectief geheel. En misschien is zijn (goed-gesublimeerde) zucht naar macht sterker dan die van de gewone burgerman.

Slotopmerkingen

231. In dit hele artikel hebben we onnauwkeurige uitspraken gedaan, en uitspraken waar allerlei voorbehouden en kanttekeningen bij hadden moeten worden gemaakt; en met sommige van onze uitspraken zitten we er misschien wel gewoon naast. Door gebrek aan voldoende informatie en de noodzaak om het kort te houden was het onmogelijk om onze beweringen preciezer te formuleren, of alle noodzakelijke voorbehouden te maken. En natuurlijk moet je bij dit soort betogen grotendeels afgaan op je intuïtie, en die is niet altijd juist. De pretenties van dit artikel gaan dus niet verder dan het geven van een grove benadering van de waarheid.

232. Desalniettemin zijn we er vrij zeker van dat het beeld dat we hier geschetst hebben in grote lijnen juist is. We hebben het linksisme geportretteerd in zijn moderne vorm als een typisch verschijnsel van onze tijd en als een symptoom van de verstoring van het machtsproces. Maar op dat punt zouden we er eventueel naast kunnen zitten. Overgesocialiseerde types die hun zucht naar macht proberen te bevredigen door hun normen en waarden aan iedereen op te leggen, zijn er natuurlijk al heel lang. Maar we DENKEN dat de beslissende rol die wordt gespeeld door minderwaardigheidsgevoelens, gebrek aan zelfrespect, machteloosheid, identificatie met slachtoffers door mensen die zelf geen slachtoffer zijn, typerend is voor het moderne linksisme. Identificatie met slachtoffers door mensen die zelf geen slachtoffer zijn, kwam tot op zekere hoogte al voor bij 19e-eeuwse linksisten en bij de vroege christenen, maar voorzover we weten waren symptomen als gebrek aan zelfrespect, enzovoorts in deze bewegingen, of in andere bewegingen, lang niet zo duidelijk aanwezig als in het moderne linksisme. Maar we kunnen niet met zekerheid zeggen dat dergelijke bewegingen niet hebben bestaan vóór het moderne linksisme. Dit is een belangrijke vraag, waar historici hun aandacht op zouden moeten richten.

Noten

1. (Paragraaf 19) We stellen hier dat ALLE, of in ieder geval de meeste, mensen die anderen koeioneren of overlijken gaan, lijden aan gevoelens van minderwaardigheid. 

2. (Paragraaf 25) In het Victoriaanse tijdperk hadden veel overgesocialiseerdemensen ernstige psychische problemen als gevolg van het onderdrukken ofproberen te onderdrukken van hun seksuele gevoelens. Freud schijnt zijntheorieën op mensen van dit type te hebben gebaseerd. In onze tijdis de aandacht bij socialisatie verschoven van seks naar agressiviteit. 

3. (Paragraaf 27) Daar zijn specialisten in de technische ‘harde’ wetenschappenniet noodzakelijkerwijs bij inbegrepen. 

4. (Paragraaf 28) Veel individuen uit de midden- en hogere klassenzullen zich tegen enkele van deze waarden verzetten, maar gewoonlijk gebeurtdat niet al te openlijk. Dit soort verzet komt maar zelden aan bod in demassamedia. In hoofdlijnen richt de propaganda in onze samenleving zichop instandhouding van de bestaande waarden. De voornaamste redenen waaromdeze waarden als het ware de officiële waarden van onze samenlevingzijn geworden, is dat ze nuttig zijn voor het industriële systeem.Geweld wordt ontmoedigd omdat het het functioneren van het systeem ontregelt.Racisme wordt ontmoedigd omdat ook etnische conflicten het systeem ontregelen,en omdat discriminatie ertoe leidt dat het talent verloren gaat van ledenvan minderheidsgroepen die nuttig zouden kunnen zijn voor het systeem.Armoede moet worden ‘genezen’, omdat de onderkant van de samenleving problemenvoor het systeem veroorzaakt en contact met de laagste klassen het moreelvan de andere klassen aantast. Vrouwen worden aangemoedigd om carrièrete maken omdat hun talenten nuttig zijn voor het systeem en, belangrijkernog, omdat vrouwen door een vaste baan beter geïntegreerd raken inhet systeem en er een directe band mee krijgen, die de band met hun gezinverdringt. Dit draagt bij aan een verzwakking van de gezinssolidariteit.(De leiders van het systeem zeggen dat ze het gezin sterker willen maken,maar wat ze bedoelen is dat het gezin een effectief instrument zou moetenzijn om kinderen te socialiseren overeenkomstig de behoeften van het systeem.We stellen in paragraaf 51 en 52 dat het systeem het zich niet kan veroorlovenom familieverbanden of andere kleinschalige sociale groepen sterk of autonoomte laten zijn.) 

5. (Paragraaf 42) Er wordt wel gezegd dat de meeste mensen zelf geenbeslissingen willen nemen, maar hun leiders voor zich willen laten denken.Daar zit een kern van waarheid in. Mensen beslissen graag zelf over kleinezaken, maar bij beslissingen over moeilijke, fundamentele vragen komenvaak psychologische conflicten kijken, en daar hebben de meeste menseneen hekel aan. Daarom steunen ze bij het nemen van moeilijke beslissingengraag op anderen. De meeste mensen zijn geboren volgelingen, geen leiders,maar ze hebben wel graag persoonlijk toegang tot hun leiders en willengraag een zekere mate van medezeggenschap bij moeilijke beslissingen. Diemate van autonomie hebben ze minstens nodig. 

6. (Paragraaf 44) Een aantal van de genoemde symptomen lijken op dievan gekooide dieren. Hier volgt een verklaring over het ontstaan van dezesymptomen uit een ‘gebrek aan machtsproces’: Wie even nadenkt over de aardvan de mens, weet dat de afwezigheid van doelen die alleen met moeite tebereiken zijn leidt tot verveling, en dat langdurige verveling uiteindelijkvaak leidt tot depressiviteit. Het niet bereiken van doelen leidt tot frustratieen tot een verminderd zelfrespect. Frustratie leidt tot woede en woedetot agressie, vaak in de vorm van mishandeling van partner of kind. Hetis aangetoond dat langdurige frustratie gewoonlijk leidt tot depressiviteiten dat depressiviteit meestal leidt tot schuldgevoelens, slaapproblemen,eetstoornissen en negatieve gevoelens over jezelf. Iemand met depressieveneigingen probeert dat met genot te compenseren; dat uit zich in onverzadigbaarhedonisme en overmatige seks, waarbij perversiteiten dienen om het spannendte houden. Ook verveling leidt meestal tot overmatige genotzucht, omdatmensen bij gebrek aan andere doelen genot als een doel op zichzelf gaanzien. Het bovenstaande stelt de zaken iets te simpel voor. De werkelijkheidis ingewikkelder, en natuurlijk is een gebrek aan machtsproces niet deENIGE oorzaak van de beschreven symptomen. Overigens bedoelen we hier metdepressiviteit niet noodzakelijkerwijs de depressiviteit die ernstig genoegis om behandeld te worden door een psychiater. Vaak gaat het hier alleenom milde vormen van depressiviteit. En met doelen bedoelen we niet noodzakelijkerwijsweloverwogen lange-termijndoelen. Voor veel of misschien wel de meestevan onze voorouders waren de doelen die samengaan met een leven van dehand in de tand (niet meer dan zichzelf en hun gezin iedere dag van voedselvoorzien) meer dan voldoende. 

7. (Paragraaf 52) Een gedeeltelijke uitzondering kan worden gemaaktvoor een paar passieve, in zichzelf gekeerde groeperingen, zoals de Amish,die weinig invloed hebben op de rest van de samenleving. Daarnaast komener vandaag de dag nog enkele authentieke, kleinschalige gemeenschappenvoor in Amerika. Bijvoorbeeld jeugdbendes en ‘sekten’. Iedereen beschouwtze als gevaarlijk, en dat zijn ze ook, omdat de leden van deze groepenop de eerste plaats trouw zijn aan elkaar en pas daarna aan het systeem,zodat het systeem geen greep op hen heeft. Of neem de zigeuners. De zigeunerskunnen zich normaal gesproken ongestraft aan diefstal en fraude bezondigenomdat ze door hun onderlinge loyaliteit altijd andere zigeuners bereidkunnen vinden om een getuigenverklaring af te leggen waarmee hun onschuldwordt ‘bewezen’. Het is duidelijk dat het systeem in gevaar zou komen alste veel mensen tot dergelijke groepen zouden behoren. Sommige vroeg-twintigste-eeuwseChinese denkers die betrokken waren bij de modernisering van China erkendende noodzaak van het uiteen laten vallen van kleinschalige groepen als hetfamilieverband: ‘(In de woorden van Soen Yat-Sen) Het Chinese volk hadeen nieuwe golf van patriottisme nodig, die ertoe zou leiden dat de loyaliteitvan de familie naar de staat zou verschuiven… (Volgens Li Huang) diendentraditionele banden, met name met de familie, te worden verbroken, wildehet nationalisme zich ontwikkelen in China.’ (Chester C. Tan, Chinese PoliticalThought in the Twentieth Century, 1971, Doubleday, Garden City, pagina’s125 en 297.) 

8. (Paragraaf 56) Ja, we weten dat het 19e-eeuwse Amerika zo zijn problemenkende, en geen geringe ook, maar omwille van de beknoptheid moeten we eenvereenvoudigde voorstelling van zaken geven. 

9. (Paragraaf 61) We laten de onderkant van de samenleving buiten beschouwing.Het gaat hier om de grootste gemene deler. 

10. (Paragraaf 62) Sommige sociale wetenschappers, opvoedkundigen,hoger personeel in de ‘geestelijke gezondheidszorg’ en dergelijke doenhun best om de sociale driften in groep 1 te krijgen, door hun pogingenom erop toe te zien dat iedereen een bevredigend sociaal leven heeft. 

11. (Paragrafen 63 en 82) Is de hang naar ongelimiteerd materialismeecht kunstmatig gecreëerd door de reclame- en marketing-wereld? Demens wordt zeker niet materialistisch geboren. Er zijn veel culturen geweestwaar mensen niet veel meer verlangden dan wat nodig was om in hun eerstelevensbehoeften te voorzien (Australische Aboriginals, de traditioneleMexicaanse boerencultuur, enkele Afrikaanse culturen). Aan de andere kantzijn er ook veel pre-industriële culturen geweest waar materieel beziteen belangrijke rol speelde. We kunnen dus niet beweren dat de op privé-bezitgerichte cultuur van tegenwoordig uitsluitend gecreëerd is door dereclame- en marketing-wereld. Maar het is wel duidelijk dat deze bedrijfstakeen belangrijk aandeel heeft gehad in de totstandkoming van die cultuur.De grote ondernemingen die miljoenen besteden aan reclame zouden niet zoveelgeld uitgeven als ze niet zeker wisten dat ze het zouden terugverdienendoor hogere verkoopcijfers. Een lid van de Freedom Club sprak een paarjaar geleden een verkoopmanager die zo eerlijk was om te zeggen: ‘Onzetaak is om ervoor te zorgen dat mensen dingen kopen die ze niet willenhebben en waar ze best buiten kunnen.’ Vervolgens beschreef hij hoe iemandzonder speciale opleiding of ervaring feitelijke informatie over een produktkon geven zonder iets te verkopen, terwijl een goed opgeleide en ervarenprofessionele verkoper dezelfde mensen wel veel zou verkopen. Daaruit blijktwel dat mensen gemanipuleerd worden om dingen te kopen die ze niet echtwillen. 

12. (Paragraaf 64) Het probleem van de doelloosheid lijkt pakweg delaatste vijftien jaar minder ernstig te zijn geworden, omdat mensen zichnu lichamelijk en economisch minder zeker voelen dan voorheen, en de behoefteaan zekerheid hen een doel geeft. Maar in plaats van doelloosheid is ernu frustratie over de moeilijkheid om jezelf zekerheid te verschaffen.We benadrukken het probleem van de doelloosheid omdat de progressievelingenen linksisten onze sociale problemen zouden willen oplossen door de samenlevinggarant te laten staan voor ieders zekerheid; maar als dat mogelijk waszou het alleen maar betekenen dat de doelloosheid weer de kop opsteekt.Het gaat er niet om of de samenleving mensen voldoende of te weinig zekerheidverschaft; het probleem is dat mensen voor hun zekerheid afhankelijk zijnvan het systeem in plaats van er zelf greep op te hebben. Dat is trouwenseen van de redenen waarom sommige mensen zich zo druk maken over het rechtom wapens te dragen; door het bezit van een vuurwapen krijgen ze dat aspectvan hun veiligheid zelf in handen. 

13. (Paragraaf 66) De inspanningen van conservatieven om regelgevingdoor de overheid terug te dringen, leveren weinig voordelen op voor degewone man. Om te beginnen kan maar een beperkt deel van de regels wordenafgeschaft, omdat de meeste regels noodzakelijk zijn. Daar komt nog bijdat het grootste deel van de deregulering het bedrijfsleven betreft, enniet zozeer het doorsnee individu, zodat het voornaamste gevolg is datmacht van de overheid wordt afgenomen en in handen gegeven wordt van particuliereondernemingen. Voor de gewone man betekent dit dat hij in plaats van lastvan de overheid nu last heeft van grote ondernemingen, die nu bijvoorbeeldtoestemming krijgen om meer chemicaliën te lozen die in zijn drinkwaterterecht komen en hem kanker bezorgen. De conservatieven beschouwen de gewoneman als een sukkel, en misbruiken zijn afkeer van de Grote Boze Overheidom de macht van de Grote Ondernemers te laten toenemen. 

14. (Paragrafen 73 en 114) Als iemand het eens is met het doel waarvoorin een bepaald geval propaganda wordt gemaakt, spreekt hij meestal van’voorlichting’ of gebruikt hij een ander eufemisme. Maar propaganda ispropaganda, welk doel er ook mee gediend is. 

15. (Paragraaf 83) We geven hier geen blijk van instemming met of afkeuringvan de invasie in Panama. We gebruiken deze gebeurtenis alleen als voorbeeld. 

16. (Paragraaf 95) Toen de Amerikaanse koloniën onder Brits gezagstonden, waren er minder, en ook minder effectieve, wettelijke garantiesvoor vrijheid dan toen de Amerikaanse grondwet in werking trad. Toch waser in het pre-industriële Amerika, zowel voor als na de Onafhankelijkheidsoorlog,meer persoonlijke vrijheid dan na de definitieve doorbraak van de IndustriëleRevolutie in het land. We citeren uit Violence in America: Historical andComparative Perspectives, onder redactie van Hugh Davis Graham en Ted RobertGurr, 1969, 1979, Sage Publications, Beverly Hills, hoofdstuk 12 door RobertLane, pagina 476-478: ‘Het voortdurend toenemende privé-eigendom,en daarmee de toenemende afhankelijkheid van de officiële wetshandhaving(in het 19e-eeuwse Amerika)…waren in de gehele samenleving normaal…[De] veranderingen in sociaal gedrag zijn dermate structureel en wijdverbreiddat er vermoedelijk een verband bestaat met een van de meest fundamentelesociale processen uit die tijd: dat van de industriële verstedelijkingzelf. ‘Massachusetts had in 1835 zo’n 660.940 inwoners, waarvan 81 procentop het platteland, voor het overgrote deel pre-industrieel en geboren inde staat. De inwoners waren aanzienlijke persoonlijke vrijheid gewend.Of ze nu voerman, boer of handwerksman waren, ze konden allemaal hun eigentijd indelen, en door de aard van hun werk waren ze van elkaar afhankelijk…Individuele problemen, misstappen of zelfs misdaden, gaven in het algemeengeen aanleiding tot brede maatschappelijke bezorgdheid… Maar de gevolgenvan de gelijktijdige trek naar de stad en naar de fabriek, die in 1835beide net op gang kwamen, werden in de rest van de 19e en het begin vande 20e eeuw steeds duidelijker zichtbaar in het individuele gedrag. Defabriek vereiste een geregeld leven, onderworpen aan de ritmes van kloken kalender, de bevelen van voorman en opzichter. Zowel in grote als inkleine steden weerhield het leven in dichtbevolkte buurten mensen van dadendie voorheen nooit aanstoot hadden gegeven. Zowel de mensen op de werkvloerals de leidinggevenden in de grotere ondernemingen waren onderling afhankelijkvan elkaar geworden, omdat het werk van de een was afgestemd op dat vande ander, zodat niemand nog uitsluitend met zichzelf te maken had. De gevolgenvan de nieuwe organisatie van leven en werk kwamen aan het licht rond 1900,toen ongeveer 76 procent van de 2.805.346 inwoners van Massachusetts teboek stond als stadsbewoner. Veel gewelddadig of losbandig gedrag dat ineen ongeregelde, onderling onafhankelijke samenleving getolereerd kon worden,was niet langer aanvaardbaar in de meer geformaliseerde, co-operatievesfeer van de latere tijd… De trek naar de steden had, om kort te gaan,een generatie opgeleverd die gewilliger, gesocialiseerder, en ‘beschaafder’was dan haar voorgangers.’ 

17. (Paragraaf 117) Voorstanders van het systeem mogen graag gevallennoemen waarbij verkiezingen zijn beslist door één of tweestemmen, maar die gevallen zijn zeldzaam. 

18. (Paragraaf 119) ‘In technologisch ontwikkelde landen, leiden demensen tegenwoordig vrijwel dezelfde levens, ondanks de geografische, religieuzeen politieke verschillen. De dagelijks levens van een christelijke bankbediendein Chicago, een boeddhistische bankbediende in Tokyo, en een communistischebankbediende in Moskou hebben veel meer overeenkomsten met elkaar dan methet leven van om het even welk individu dat duizend jaar geleden leefde.Deze overeenkomsten zijn het gevolg van een gemeenschappelijke technologie…’L. Sprague de Camp, The Ancient Engineers, 1976, Ballantine, New York,pagina 17. De levens van de drie bankbedienden zijn niet IDENTIEK. Ideologieheeft wel ENIG effect. Maar om te overleven moeten alle technologischesamenlevingen zich ontwikkelen langs ONGEVEER hetzelfde traject. 

19. (Paragraaf 123) Denk alleen maar aan de mogelijkheid dat een onnadenkendegenetische manipulator een heleboel terroristen zou creëren. 

20. (Paragraaf 124) Nog een voorbeeld van de ongewenste gevolgen vanmedische vooruitgang: Stel dat er een betrouwbare geneeswijze voor kankerkomt. Zelfs als die behandeling alleen betaalbaar zou zijn voor een elite,zou die elite wel heel wat minder gemotiveerd zijn om ervoor te zorgendat er geen kankerverwekkende stoffen meer in het milieu terechtkomen. 

21. (Paragraaf 128) Omdat veel mensen het wellicht tegenstrijdig vindendat een groot aantal goede zaken bij elkaar opgeteld toch iets slechtskunnen opleveren, zullen we dit illustreren met een analogie. Stel mijnheerA schaakt tegen mijnheer B. Mijnheer C, grootmeester, kijkt over de schoudervan mijnheer A mee. Mijnheer A wil natuurlijk zijn partij winnen, dus alsmijnheer C een goede zet voor hem aanwijst, doet hij hem een plezier. Maarstel nu dat mijnheer C bij ELKE zet tegen mijnheer A zegt wat hij moetdoen. In ieder afzonderlijk geval doet hij mijnheer A een plezier doorde beste zet aan te geven, maar als hij ALLE zetten voor hem doet, verpesthij de partij, omdat mijnheer A net zo goed niet kan spelen als iemandanders alle zetten voor hem doet. De situatie van de moderne mens komtovereen met die van mijnheer A. Het systeem maakt het een individu op tallozemanieren gemakkelijker, maar daardoor neemt het hem zijn eigen lot vollediguit handen. 

22. (Paragraaf 137) We hebben het hier slechts over botsende waardenop het maatschappelijk middenveld. Om het eenvoudig te houden, betrekkenwe hier geen waarden van ‘buitenbeentjes’ bij, zoals het idee dat ongereptenatuur belangrijker is dan economische welvaart. 

23. (Paragraaf 137) Eigenbelang is niet noodzakelijkerwijs MATERIEELeigenbelang. Het kan ook bestaan uit de bevrediging van een of andere psychischebehoefte, bijvoorbeeld door je eigen ideologie of religie aan te prijzen. 

24. (Paragraaf 139) Een voorbehoud: Het is in het belang van het systeemom op sommige gebieden een zekere mate van vrijheid toe te staan. Zo iseconomische vrijheid (binnen passende beperkingen en grenzen) effectiefgebleken bij het bevorderen van economische groei. Maar het belang vanhet systeem is alleen gediend met een geprogrammeerde, nauw omschreven,beperkte vrijheid. Het individu moet steeds aan de leiband blijven lopen,ook al is die leiband soms lang (zie de paragrafen 94 en 97). 

25. (Paragraaf 143) We willen hier niet de indruk wekken dat de efficiëntieof het overlevingspotentieel van een samenleving altijd omgekeerd evenredigis met de hoeveelheid druk of onbehagen waaraan de samenleving mensen onderwerpt.Dat is zeker niet het geval. Er zijn goede redenen om aan te nemen datveel primitieve samenlevingen mensen minder druk oplegden dan de Europesesamenleving, maar de Europese samenleving bleek veel efficiënter danwillekeurig welke primitieve samenleving en trok bij conflicten met dergelijkesamenlevingen altijd aan het langste eind vanwege zijn technologische voorsprong.26. (Paragraaf 147) Als je denkt dat een effectievere wetshandhaving zondermeer goed is omdat de misdaad erdoor beteugeld wordt, bedenk dan wel datwat het systeem onder misdaad verstaat niet per se onder JOUW definitievan misdaad hoeft te vallen. Tegenwoordig is het roken van marihuana een’misdaad’, en in sommige staten van de VS zou het bezit van ENIG vuurwapen,geregistreerd of niet, een misdaad kunnen worden. Hetzelfde zou kunnengebeuren met ongewenste opvoedingsmethoden, zoals slaag geven. In sommigelanden is het uiten van dissidente politieke opvattingen een misdaad, enhet is niet zeker dat dat in de VS nooit zal gebeuren, want geen enkelegrondwet en geen enkel politiek systeem heeft het eeuwige leven. Als eensamenleving een grote, machtige instantie nodig heeft om de wet te handhaven,is er iets heel erg mis met die samenleving; die moet mensen dan erg onderdruk zetten als er zoveel zijn die weigeren zich aan de regels te houden,of zich er alleen aan houden als ze daartoe worden gedwongen. In het verledenhebben veel samenlevingen het kunnen stellen zonder enige serieuze aandachtvoor formele wetshandhaving. 27. (Paragraaf 151) Natuurlijk beschiktensamenlevingen ook in vroeger tijd over middelen om gedrag te beïnvloeden,maar die waren primitief en niet erg effectief vergeleken met de technologischehulpmiddelen die nu in ontwikkeling zijn. 28. (Paragraaf 152) Sommige psychologenhebben echter openlijk uitdrukking gegeven aan hun minachting voor de menselijkevrijheid. En de wiskundige Claude Shannon is in Omni (augustus 1987) alsvolgt geciteerd: ‘Ik zie een tijdperk voor me dat robots ons zullen zienzoals mensen honden zien, en ik ben voor de robots.’ 

29. (Paragraaf 154) Dat is geen science fiction! Na het schrijven vanparagraaf 154 stuitten we op een artikel in Scientific American waarinstaat dat wetenschappers werken aan technieken om potentiële toekomstigecriminelen te identificeren, en om hen te behandelen met een combinatievan biologische en psychologische middelen. Sommige wetenschappers pleitenvoor verplichte toepassing van deze behandeling, die mogelijk al vrij binnenkortbeschikbaar komt. (Zie ‘Seeking the Criminal Element’, door W. Wayt Gibbs,Scientific American, maart 1995.) Misschien zie je hier geen kwaad in omdatde behandeling zou worden toegepast op mensen die misschien anders dronkenachter het stuur zouden kruipen (ook die brengen mensenlevens in gevaar);vervolgens misschien op mensen die hun kinderen slaag geven, dan op milieu-activistendie apparatuur van houthakkers vernielen, en uiteindelijk op iedereen diegedrag vertoont dat het systeem slecht uitkomt. 

30. (Paragraaf 184) Een bijkomend voordeel van de natuur als tegen-ideaalvan de technologie is dat de natuur bij veel mensen het soort eerbied oproeptdat wordt geassocieerd met religie, zodat de natuur misschien kan wordengeïdealiseerd op religieuze grondslag. Weliswaar is religie in veelsamenlevingen gebruikt om de gevestigde orde te ondersteunen en te rechtvaardigen,maar mensen zijn ook vaak op religieuze gronden in opstand gekomen. Daaromkan het nuttig zijn om een religieus element in te bouwen in de opstandtegen de technologie, te meer daar de westerse samenleving in onze tijdgeen sterk religieus fundament heeft. Religie wordt tegenwoordig gebruiktals een goedkoop en doorzichtig argument voor kleingeestig, kortzichtigegoïsme (een aantal conservatieven gebruikt het op deze manier), ofzelfs cynisch misbruikt om op een gemakkelijke maniet geld binnen te krijgen(door veel evangelisten). In andere kringen is religie verworden tot botteredeloosheid (fundamentalistische protestanten, sekten), of eenvoudigwegstil blijven staan (katholicisme, doorsnee protestantisme). Wat in de recentegeschiedenis van het Westen nog het dichtst komt bij een krachtige, wijdverbreide,dynamische religie, is de quasi-religie van het linksisme, maar het linksismeis vandaag de dag te versplinterd en heeft geen duidelijk, gemeenschappelijk,inspirerend doel. Er is dus sprake van een religieus vacuüm in onzesamenleving, dat misschien opgevuld kan worden door een religie die zichricht op de natuur en tegen de technologie. Maar het zou dom zijn om zomaareen religie in elkaar te flansen om deze rol te vervullen. Een dergelijkebedachte religie zou waarschijnlijk een mislukking worden. Neem nu de ‘Gaia’religie.Geloven de aanhangers daar nu ECHT in, of doen ze maar alsof? Als ze maardoen alsof, wordt het niks met hun religie. Het is waarschijnlijk het besteom religie buiten het conflict tussen natuur en technologie te houden,tenzij je ECHT zelf in die religie gelooft, en merkt dat er een diepe,sterke en authentieke respons op komt van veel andere mensen. 

31. (Paragraaf 189) Aangenomen dat zo’n laatste duwtje ook werkelijkgegeven wordt. Het is denkbaar dat het industriële systeem op eengeleidelijker of meer trapsgewijze manier wordt uitgeschakeld. (Zie deparagrafen 4 en 167 en noot 4.) 

32. (Paragraaf 193) Het is zelfs niet helemaal ondenkbaar dat de revolutieslechts bestaat uit een enorme ommezwaai in de opvattingen over technologie,uitmondend in het vrij geleidelijk en pijnloos uiteenvallen van het industriëlesysteem. Maar als dat gebeurt, boffen we wel heel erg. Veel waarschijnlijkeris dat de overgang naar een niet-technologische samenleving erg moeizaamzal verlopen, met veel conflicten en rampen. 

33. (Paragraaf 195) De economische en de technologische structuur vaneen samenleving zijn veel belangrijker dan de politieke structuur als jewilt vaststellen hoe de doorsnee mens leeft (zie de paragrafen 95 en 119en noot 16 en 18.) 

34. (Paragraaf 215) Dit slaat op onze specifieke vorm van anarchisme.De term ‘anarchistisch’ wordt gebruikt voor een breed scala aan maatschappijopvattingen,en het kan zijn dat veel mensen die zich als anarchist beschouwen het nieteens zijn met onze stellingname in paragraaf 215. Het moet trouwens wordenopgemerkt dat er een geweldloze anarchistische beweging bestaat en datde leden daarvan Freedom Club waarschijnlijk niet als anarchistisch zoudenbeschouwen en de gewelddadige methoden van Freedom Club zeker zullen afwijzen. 

35. (Paragraaf 219) Veel linksisten worden ook gedreven door rancune,maar die rancune stamt waarschijnlijk voor een deel uit een gefrustreerdebehoefte aan macht. 

36. (Paragraaf 229) Het is belangrijk om te begrijpen dat we iemandbedoelen die sympathiseert met deze BEWEGINGEN zoals ze momenteel in onzesamenleving voorkomen. Iemand die vindt dat vrouwen, homoseksuelen etceteragelijke rechten zouden moeten hebben, hoeft nog geen linksist te zijn.In de feministische beweging, homorechtenbewegingen en al die andere bewegingendie in onze samenleving voorkomen, vind je de specifieke ideologische toonterug die het linksisme kenmerkt, en als je bijvoorbeeld gelooft dat vrouwengelijke rechten moeten hebben,volgt daar niet automatisch uit dat je sympathiseertmet de feministische beweging in zijn huidige vorm. 

16 bommen in 17 jaar: het spoor vande Unabomber 

25 mei, 1978 – University of Illinois. Pakketbom, een gewonde.  

9 mei, 1979 – Northwestern University. Bom in een doos, een gewonde. 

15 november 1979 – American Airlines. Chicago naar Washington. Bom onbekende bestemming in Boeing 727, 12 gewonden. 

10 juni 1980 – Lake Forest, Illinois. Pakketbom, een gewonde. 

8 oktober 1981 – University of Utah, Salt Lake City. Bom in klaslokaal, geen gewonden. 

5 mei 1982 – Vanderbilt University, Nashville. Staafbom, een gewonde. 

2 juli 1982 – University of California, Berkeley. Staafbom, een gewonde.  

15 mei 1985 – University of California, Berkeley. Bom in computerkamer, een zwaargewonde. 

13 juni 1985 – Boeing Company Auburn, Washington. Pakketbom, geen gewonden. 

15 november 1985 – Ann Arbour, Michigan. Pakketbom, een gewonde. 

11 december 1985 – Sacramento, Californië. Bom ontploft vlakbij computerzaak, een dode. 

20 febrauri 1987 – Salt Lake City. Bom ontploft buiten computerzaak, een gewonde. 

22 juni 1993 – Tiburon, Californië. Pakketbom, een zwaar gewonde 

24 juni 1993 – Yale University. Pakketbom, een zwaar gewonde.  

10 december 1994 – North Caldwell, New Jersey. Pakketbom aan Thomas Mosser van 
Burston-Marsteller, een dode.  

24 april 1995 – Sacramento, Californië. Pakketbom aan Forest Association, een dode. 


Industrial Society and Its Future, a.k.a., “The Unabomber Manifesto”

Table of Contents

  • Introduction
  • The Psychology of Modern Leftism
  • Feelings of Inferiority
  • Oversocialization
  • The Power Process
  • Surrogate Activities
  • Autonomy
  • Sources of Social Problems
  • Disruption of the Power Process in Modern Society
  • How Some People Adjust
  • The Motives of Scientists
  • The Nature of Freedom
  • Some Principles of History
  • Industrial-Technological Society Cannot Be Reformed
  • Restriction of Freedom is Unavoidable in Industrial Society
  • The “Bad” Parts of Technology Cannot Be Separated from the “Good” Parts
  • Technology is a More Powerful Social Force than the Aspiration for Freedom
  • Simpler Social Problems Have Proved Intractable
  • Revolution is Easier than Reform
  • Control of Human Behavior
  • Human Race at a Crossroads
  • Human Suffering
  • The Future
  • Strategy
  • Two Kinds of Technology
  • The Danger of Leftism
  • Final Note
  • Postscript to the Manifesto (2010)

Introduction

1. The Industrial Revolution and its consequences have been a disaster for the human race. They have greatly increased the life expectancy of those of us who live in “advanced” countries, but they have destabilized society, have made life unfulfilling, have subjected human beings to indignities, have led to widespread psychological suffering (in the Third World to physical suffering as well) and have inflicted severe damage on the natural world. The continued development of technology will worsen the situation. It will certainly subject human beings to greater indignities and inflict greater damage on the natural world, it will probably lead to greater social disruption and psychological suffering, and it may lead to increased physical suffering even in “advanced” countries.

2. The industrial-technological system may survive or it may break down. If it survives, it may eventually achieve a low level of physical and psychological suffering, but only after passing through a long and very painful period of adjustment and only at the cost of permanently reducing human beings and many other living organisms to engineered products and mere cogs in the social machine. Furthermore, if the system survives, the consequences will be inevitable: There is no way of reforming or modifying the system so as to prevent it from depriving people of dignity and autonomy.

3. If the system breaks down the consequences will still be very painful. But the bigger the system grows the more disastrous the results of its breakdown will be, so if it is to break down it had best break down sooner rather than later.

4. We therefore advocate a revolution against the industrial system. This revolution may or may not make use of violence; it may be sudden or it may be a relatively gradual process spanning a few decades. We can’t predict any of that. But we do outline in a very general way the measures that those who hate the industrial system should take in order to prepare the way for a revolution against that form of society. This is not to be a political revolution. Its object will be to overthrow not governments but the economic and technological basis of the present society.

5. In this article we give attention to only some of the negative developments that have grown out of the industrial-technological system. Other such developments we mention only briefly or ignore altogether. This does not mean that we regard these other developments as unimportant. For practical reasons we have to confine our discussion to areas that have received insufficient public attention or in which we have something new to say. For example, since there are well-developed environmental and wilderness movements, we have written very little about environmental degradation or the destruction of wild nature, even though we consider these to be highly important.

The Psychology of Modern Leftism

6. Almost everyone will agree that we live in a deeply troubled society. One of the most widespread manifestations of the craziness of our world is leftism, so a discussion of the psychology of leftism can serve as an introduction to the discussion of the problems of modern society in general.

7. But what is leftism? During the first half of the 20th century leftism could have been practically identified with socialism. Today the movement is fragmented and it is not clear who can properly be called a leftist. When we speak of leftists in this article we have in mind mainly socialists, collectivists, “politically correct” types, feminists, gay and disability activists, animal rights activists and the like. But not everyone who is associated with one of these movements is a leftist. What we are trying to get at in discussing leftism is not so much a movement or an ideology as a psychological type, or rather a collection of related types. Thus, what we mean by “leftism” will emerge more clearly in the course of our discussion of leftist psychology. (Also, see paragraphs 227-230.)

8. Even so, our conception of leftism will remain a good deal less clear than we would wish, but there doesn’t seem to be any remedy for this. All we are trying to do here is indicate in a rough and approximate way the two psychological tendencies that we believe are the main driving force of modern leftism. We by no means claim to be telling the whole truth about leftist psychology. Also, our discussion is meant to apply to modern leftism only. We leave open the question of the extent to which our discussion could be applied to the leftists of the 19th and early 20th centuries.

9. The two psychological tendencies that underlie modern leftism we call feelings of inferiority and oversocialization. Feelings of inferiority are characteristic of modern leftism as a whole, while oversocialization is characteristic only of a certain segment of modern leftism; but this segment is highly influential

Feelings of Inferiority

10. By “feelings of inferiority” we mean not only inferiority feelings in the strict sense but a whole spectrum of related traits: low self-esteem, feelings of powerlessness, depressive tendencies, defeatism, guilt, self-hatred, etc. We argue that modern leftists tend to have some such feelings (possibly more or less repressed), and that these feelings are decisive in determining the direction of modern leftism.

11. When someone interprets as derogatory almost anything that is said about him (or about groups with whom he identifies), we conclude that he has inferiority feelings or low self-esteem. This tendency is pronounced among minority-rights activists, whether or not they belong to the minority groups whose rights they defend. They are hypersensitive about the words used to designate minorities and about anything that is said concerning minorities. The terms “Negro,” “oriental,” “handicapped,” or “chick” for an African, an Asian, a disabled person or a woman originally had no derogatory connotation. “Broad” and “chick” were merely the feminine equivalents of “guy,” “dude” or “fellow.” The negative connotations have been attached to these terms by the activists themselves. Some animal rights activists have gone so far as to reject the word “pet” and insist on its replacement by “animal companion.” Leftish anthropologists go to great lengths to avoid saying anything about primitive peoples that could conceivably be interpreted as negative. They want to replace the word “primitive” by “nonliterate.” They seem almost paranoid about anything that might suggest that any primitive culture is inferior to our own. (We do not mean to imply that primitive cultures are inferior to ours. We merely point out the hypersensitivity of leftish anthropologists.)

12. Those who are most sensitive about “politically incorrect” terminology are not the average black ghetto-dweller, Asian immigrant, abused woman or disabled person, but a minority of activists, many of whom do not even belong to any “oppressed” group but come from privileged strata of society. Political correctness has its stronghold among university professors, who have secure employment with comfortable salaries, and the majority of whom are heterosexual white males from middle to upper-class families.

13. Many leftists have an intense identification with the problems of groups that have an image of being weak (women), defeated (American Indians), repellent (homosexuals), or otherwise inferior. The leftists themselves feel that these groups are inferior. They would never admit to themselves that they have such feelings, but it is precisely because they do see these groups as inferior that they identify with their problems. (We do not mean to suggest that women, Indians, etc., are inferior; we are only making a point about leftist psychology.)

14. Feminists are desperately anxious to prove that women are as strong and as capable as men. Clearly they are nagged by a fear that women may not be as strong and as capable as men.

15. Leftists tend to hate anything that has an image of being strong, good and successful. They hate America, they hate Western civilization, they hate white males, they hate rationality. The reasons that leftists give for hating the West, etc., clearly do not correspond with their real motives. They say they hate the West because it is warlike, imperialistic, sexist, ethnocentric and so forth, but where these same faults appear in socialist countries or in primitive cultures, the leftist finds excuses for them, or at best he grudgingly admits that they exist; whereas he enthusiastically points out (and often greatly exaggerates) these faults where they appear in Western civilization. Thus it is clear that these faults are not the leftist’s real motive for hating America and the West. He hates America and the West because they are strong and successful.

16. Words like “self-confidence,” “self-reliance,” “initiative,” “enterprise,” “optimism,” etc., play little role in the liberal and leftist vocabulary. The leftist is anti-individualistic, pro-collectivist. He wants society to solve everyone’s problems for them, satisfy everyone’s needs for them, take care of them. He is not the sort of person who has an inner sense of confidence in his ability to solve his own problems and satisfy his own needs. The leftist is antagonistic to the concept of competition because, deep inside, he feels like a loser.

17. Art forms that appeal to modern leftish intellectuals tend to focus on sordidness, defeat and despair, or else they take an orgiastic tone, throwing off rational control as if there were no hope of accomplishing anything through rational calculation and all that was left was to immerse oneself in the sensations of the moment.

18. Modern leftish philosophers tend to dismiss reason, science, objective reality and to insist that everything is culturally relative. It is true that one can ask serious questions about the foundations of scientific knowledge and about how, if at all, the concept of objective reality can be defined. But it is obvious that modern leftish philosophers are not simply cool-headed logicians systematically analyzing the foundations of knowledge. They are deeply involved emotionally in their attack on truth and reality. They attack these concepts because of their own psychological needs. For one thing, their attack is an outlet for hostility, and, to the extent that it is successful, it satisfies the drive for power. More importantly, the leftist hates science and rationality because they classify certain beliefs as true (i.e., successful, superior) and other beliefs as false (i.e., failed, inferior). The leftist’s feelings of inferiority run so deep that he cannot tolerate any classification of some things as successful or superior and other things as failed or inferior. This also underlies the rejection by many leftists of the concept of mental illness and of the utility of IQ tests. Leftists are antagonistic to genetic explanations of human abilities or behavior because such explanations tend to make some persons appear superior or inferior to others. Leftists prefer to give society the credit or blame for an individual’s ability or lack of it. Thus if a person is “inferior” it is not his fault, but society’s, because he has not been brought up properly.

19. The leftist is not typically the kind of person whose feelings of inferiority make him a braggart, an egotist, a bully, a self-promoter, a ruthless competitor. This kind of person has not wholly lost faith in himself. He has a deficit in his sense of power and self-worth, but he can still conceive of himself as having the capacity to be strong, and his efforts to make himself strong produce his unpleasant behavior.[1] But the leftist is too far gone for that. His feelings of inferiority are so ingrained that he cannot conceive of himself as individually strong and valuable. Hence the collectivism of the leftist. He can feel strong only as a member of a large organization or a mass movement with which he identifies himself.

20. Notice the masochistic tendency of leftist tactics. Leftists protest by lying down in front of vehicles, they intentionally provoke police or racists to abuse them, etc. These tactics may often be effective, but many leftists use them not as a means to an end but because they prefer masochistic tactics. Self-hatred is a leftist trait.

21. Leftists may claim that their activism is motivated by compassion or by moral principles, and moral principle does play a role for the leftist of the oversocialized type. But compassion and moral principle cannot be the main motives for leftist activism. Hostility is too prominent a component of leftist behavior; so is the drive for power. Moreover, much leftist behavior is not rationally calculated to be of benefit to the people whom the leftists claim to be trying to help. For example, if one believes that affirmative action is good for black people, does it make sense to demand affirmative action in hostile or dogmatic terms? Obviously it would be more productive to take a diplomatic and conciliatory approach that would make at least verbal and symbolic concessions to white people who think that affirmative action discriminates against them. But leftist activists do not take such an approach because it would not satisfy their emotional needs. Helping black people is not their real goal. Instead, race problems serve as an excuse for them to express their own hostility and frustrated need for power. In doing so they actually harm black people, because the activists’ hostile attitude toward the white majority tends to intensify race hatred.

22. If our society had no social problems at all, the leftists would have to invent problems in order to provide themselves with an excuse for making a fuss.

23. We emphasize that the foregoing does not pretend to be an accurate description of everyone who might be considered a leftist. It is only a rough indication of a general tendency of leftism.

Oversocialization

24. Psychologists use the term “socialization” to designate the process by which children are trained to think and act as society demands. A person is said to be well socialized if he believes in and obeys the moral code of his society and fits in well as a functioning part of that society. It may seem senseless to say that many leftists are oversocialized, since the leftist is perceived as a rebel. Nevertheless, the position can be defended. Many leftists are not such rebels as they seem.

25. The moral code of our society is so demanding that no one can think, feel and act in a completely moral way. For example, we are not supposed to hate anyone, yet almost everyone hates somebody at some time or other, whether he admits it to himself or not. Some people are so highly socialized that the attempt to think, feel and act morally imposes a severe burden on them. In order to avoid feelings of guilt, they continually have to deceive themselves about their own motives and find moral explanations for feelings and actions that in reality have a non-moral origin. We use the term “oversocialized” to describe such people.[2]

26. Oversocialization can lead to low self-esteem, a sense of powerlessness, defeatism, guilt, etc. One of the most important means by which our society socializes children is by making them feel ashamed of behavior or speech that is contrary to society’s expectations. If this is overdone, or if a particular child is especially susceptible to such feelings, he ends by feeling ashamed of himself. Moreover the thought and the behavior of the over-socialized person are more restricted by society’s expectations than are those of the lightly socialized person. The majority of people engage in a significant amount of naughty behavior. They lie, they commit petty thefts, they break traffic laws, they goof off at work, they hate someone, they say spiteful things or they use some underhanded trick to get ahead of the other guy. The oversocialized person cannot do these things, or if he does do them he generates in himself a sense of shame and self-hatred. The oversocialized person cannot even experience, without guilt, thoughts or feelings that are contrary to the accepted morality; he cannot think “unclean” thoughts. And socialization is not just a matter of morality; we are socialized to conform to many norms of behavior that do not fall under the heading of morality. Thus the oversocialized person is kept on a psychological leash and spends his life running on rails that society has laid down for him. In many oversocialized people this results in a sense of constraint and powerlessness that can be a severe hardship. We suggest that oversocialization is among the more serious cruelties that human beings inflict on one another.

27. We argue that a very important and influential segment of the modern left is oversocialized and that their oversocialization is of great importance in determining the direction of modern leftism. Leftists of the oversocialized type tend to be intellectuals or members of the upper middle class. Notice that university intellectuals[3] constitute the most highly socialized segment of our society and also the most left-wing segment.

28. The leftist of the oversocialized type tries to get off his psychological leash and assert his autonomy by rebelling. But usually he is not strong enough to rebel against the most basic values of society. Generally speaking, the goals of today’s leftists are not in conflict with the accepted morality. On the contrary, the left takes an accepted moral principle, adopts it as its own, and then accuses mainstream society of violating that principle. Examples: racial equality, equality of the sexes, helping poor people, peace as opposed to war, nonviolence generally, freedom of expression, kindness to animals. More fundamentally, the duty of the individual to serve society and the duty of society to take care of the individual. All these have been deeply rooted values of our society (or at least of its middle and upper classes[4]) for a long time. These values are explicitly or implicitly expressed or presupposed in most of the material presented to us by the mainstream communications media and the educational system. Leftists, especially those of the oversocialized type, usually do not rebel against these principles but justify their hostility to society by claiming (with some degree of truth) that society is not living up to these principles.

29. Here is an illustration of the way in which the oversocialized leftist shows his real attachment to the conventional attitudes of our society while pretending to be in rebellion against it. Many leftists push for affirmative action, for moving black people into high-prestige jobs, for improved education in black schools and more money for such schools; the way of life of the black “underclass” they regard as a social disgrace. They want to integrate the black man into the system, make him a business executive, a lawyer, a scientist just like upper middle-class white people. The leftists will reply that the last thing they want is to make the black man into a copy of the white man; instead, they want to preserve African-American culture. But in what does this preservation of African-American culture consist? It can hardly consist in anything more than eating black-style food, listening to black-style music, wearing black-style clothing and going to a black-style church or mosque. In other words, it can express itself only in superficial matters. In all essential respects most leftists of the oversocialized type want to make the black man conform to white middle-class ideals. They want to make him study technical subjects, become an executive or a scientist, spend his life climbing the status ladder to prove that black people are as good as white. They want to make black fathers “responsible,” they want black gangs to become nonviolent, etc. But these are exactly the values of the industrial-technological system. The system couldn’t care less what kind of music a man listens to, what kind of clothes he wears or what religion he believes in as long as he studies in school, holds a respectable job, climbs the status ladder, is a “responsible” parent, is nonviolent and so forth. In effect, however much he may deny it, the oversocialized leftist wants to integrate the black man into the system and make him adopt its values.

30. We certainly do not claim that leftists, even of the over-socialized type, never rebel against the fundamental values of our society. Clearly they sometimes do. Some oversocialized leftists have gone so far as to rebel against one of modern society’s most important principles by engaging in physical violence. By their own account, violence is for them a form of “liberation.” In other words, by committing violence they break through the psychological restraints that have been trained into them. Because they are oversocialized these restraints have been more confining for them than for others; hence their need to break free of them. But they usually justify their rebellion in terms of mainstream values. If they engage in violence they claim to be fighting against racism or the like.

31. We realize that many objections could be raised to the foregoing thumbnail sketch of leftist psychology. The real situation is complex, and anything like a complete description of it would take several volumes even if the necessary data were available. We claim only to have indicated very roughly the two most important tendencies in the psychology of modern leftism.

32. The problems of the leftist are indicative of the problems of our society as a whole. Low self-esteem, depressive tendencies and defeatism are not restricted to the left. Though they are especially noticeable in the left, they are widespread in our society. And today’s society tries to socialize us to a greater extent than any previous society. We are even told by experts how to eat, how to exercise, how to make love, how to raise our kids and so forth.

The Power Process

33. Human beings have a need (probably based in biology) for something that we will call the power process. This is closely related to the need for power (which is widely recognized) but is not quite the same thing. The power process has four elements. The three most clear-cut of these we call goal, effort and attainment of goal. (Everyone needs to have goals whose attainment requires effort, and needs to succeed in attaining at least some of his goals.) The fourth element is more difficult to define and may not be necessary for everyone. We call it autonomy and will discuss it later (paragraphs 42-44).

34. Consider the hypothetical case of a man who can have anything he wants just by wishing for it. Such a man has power, but he will develop serious psychological problems. At first he will have a lot of fun, but by and by he will become acutely bored and demoralized. Eventually he may become clinically depressed. History shows that leisured aristocracies tend to become decadent. This is not true of fighting aristocracies that have to struggle to maintain their power. But leisured, secure aristocracies that have no need to exert themselves usually become bored, hedonistic and demoralized, even though they have power. This shows that power is not enough. One must have goals toward which to exercise one’s power.

35. Everyone has goals; if nothing else, to obtain the physical necessities of life: food, water and whatever clothing and shelter are made necessary by the climate. But the leisured aristocrat obtains these things without effort. Hence his boredom and demoralization.

36. Non-attainment of important goals results in death if the goals are physical necessities, and in frustration if non-attainment of the goals is compatible with survival. Consistent failure to attain goals throughout life results in defeatism, low self-esteem or depression.

37. Thus, in order to avoid serious psychological problems, a human being needs goals whose attainment requires effort, and he must have a reasonable rate of success in attaining his goals.

Surrogate Activities

38. But not every leisured aristocrat becomes bored and demoralized. For example, the emperor Hirohito, instead of sinking into decadent hedonism, devoted himself to marine biology, a field in which he became distinguished. When people do not have to exert themselves to satisfy their physical needs they often set up artificial goals for themselves. In many cases they then pursue these goals with the same energy and emotional involvement that they otherwise would have put into the search for physical necessities. Thus the aristocrats of the Roman Empire had their literary pretensions; many European aristocrats a few centuries ago invested tremendous time and energy in hunting, though they certainly didn’t need the meat; other aristocracies have competed for status through elaborate displays of wealth; and a few aristocrats, like Hirohito, have turned to science.

39. We use the term “surrogate activity” to designate an activity that is directed toward an artificial goal that people set up for themselves merely in order to have some goal to work toward, or, let us say, merely for the sake of the “fulfillment” that they get from pursuing the goal. Here is a rule of thumb for the identification of surrogate activities. Given a person who devotes much time and energy to the pursuit of goal X, ask yourself this: If he had to devote most of his time and energy to satisfying his biological needs, and if that effort required him to use his physical and mental faculties in a varied and interesting way, would he feel seriously deprived because he did not attain goal X? If the answer is no, then the person’s pursuit of a goal X is a surrogate activity. Hirohito’s studies in marine biology clearly constituted a surrogate activity, since it is pretty certain that if Hirohito had had to spend his time working at interesting non-scientific tasks in order to obtain the necessities of life, he would not have felt deprived because he didn’t know all about the anatomy and life-cycles of marine animals. On the other hand the pursuit of sex and love (for example) is not a surrogate activity, because most people, even if their existence were otherwise satisfactory, would feel deprived if they passed their lives without ever having a relationship with a member of the opposite sex. (But pursuit of an excessive amount of sex, more than one really needs, can be a surrogate activity.)

40. In modern industrial society only minimal effort is necessary to satisfy one’s physical needs. It is enough to go through a training program to acquire some petty technical skill, then come to work on time and exert the very modest effort needed to hold a job. The only requirements are a moderate amount of intelligence and, most of all, simple obedience. If one has those, society takes care of one from cradle to grave. (Yes, there is an underclass that cannot take the physical necessities for granted, but we are speaking here of mainstream society.) Thus it is not surprising that modern society is full of surrogate activities. These include scientific work, athletic achievement, humanitarian work, artistic and literary creation, climbing the corporate ladder, acquisition of money and material goods far beyond the point at which they cease to give any additional physical satisfaction, and social activism when it addresses issues that are not important for the activist personally, as in the case of white activists who work for the rights of nonwhite minorities. These are not always pure surrogate activities, since for many people they may be motivated in part by needs other than the need to have some goal to pursue. Scientific work may be motivated in part by a drive for prestige, artistic creation by a need to express feelings, militant social activism by hostility. But for most people who pursue them, these activities are in large part surrogate activities. For example, the majority of scientists will probably agree that the “fulfillment” they get from their work is more important than the money and prestige they earn.

41. For many if not most people, surrogate activities are less satisfying than the pursuit of real goals (that is, goals that people would want to attain even if their need for the power process were already fulfilled). One indication of this is the fact that, in many or most cases, people who are deeply involved in surrogate activities are never satisfied, never at rest. Thus the money-maker constantly strives for more and more wealth. The scientist no sooner solves one problem than he moves on to the next. The long-distance runner drives himself to run always farther and faster. Many people who pursue surrogate activities will say that they get far more fulfillment from these activities than they do from the “mundane” business of satisfying their biological needs, but that is because in our society the effort required to satisfy the biological needs has been reduced to triviality. More importantly, in our society people do not satisfy their biological needs autonomously but by functioning as parts of an immense social machine. In contrast, people generally have a great deal of autonomy in pursuing their surrogate activities.

Autonomy

42. Autonomy as a part of the power process may not be necessary for every individual. But most people need a greater or lesser degree of autonomy in working toward their goals. Their efforts must be undertaken on their own initiative and must be under their own direction and control. Yet most people do not have to exert this initiative, direction and control as single individuals. It is usually enough to act as a member of a small group. Thus if half a dozen people discuss a goal among themselves and make a successful joint effort to attain that goal, their need for the power process will be served. But if they work under rigid orders handed down from above that leave them no room for autonomous decision and initiative, then their need for the power process will not be served. The same is true when decisions are made on a collective basis if the group making the collective decision is so large that the role of each individual is insignificant.[5]

43. It is true that some individuals seem to have little need for autonomy. Either their drive for power is weak or they satisfy it by identifying themselves with some powerful organization to which they belong. And then there are unthinking, animal types who seem to be satisfied with a purely physical sense of power (the good combat soldier, who gets his sense of power by developing fighting skills that he is quite content to use in blind obedience to his superiors).

44. But for most people it is through the power process—having a goal, making an autonomous effort and attaining the goal—that self-esteem, self-confidence and a sense of power are acquired. When one does not have adequate opportunity to go through the power process the consequences are (depending on the individual and on the way the power process is disrupted) boredom, demoralization, low self-esteem, inferiority feelings, defeatism, depression, anxiety, guilt, frustration, hostility, spouse or child abuse, insatiable hedonism, abnormal sexual behavior, sleep disorders, eating disorders, etc.[6]

Sources of Social Problems

45. Any of the foregoing symptoms can occur in any society, but in modern industrial society they are present on a massive scale. We aren’t the first to mention that the world today seems to be going crazy. This sort of thing is not normal for human societies. There is good reason to believe that primitive man suffered from less stress and frustration and was better satisfied with his way of life than modern man is. It is true that not all was sweetness and light in primitive societies. Abuse of women was common among the Australian aborigines, transsexuality was fairly common among some of the American Indian tribes. But it does appear that generally speaking the kinds of problems that we have listed in the preceding paragraph were far less common among primitive peoples than they are in modern society.

46. We attribute the social and psychological problems of modern society to the fact that that society requires people to live under conditions radically different from those under which the human race evolved and to behave in ways that conflict with the patterns of behavior that the human race developed while living under the earlier conditions. It is clear from what we have already written that we consider lack of opportunity to properly experience the power process as the most important of the abnormal conditions to which modern society subjects people. But it is not the only one. Before dealing with disruption of the power process as a source of social problems we will discuss some of the other sources.

47. Among the abnormal conditions present in modern industrial society are excessive density of population, isolation of man from nature, excessive rapidity of social change and the breakdown of natural small-scale communities such as the extended family, the village or the tribe.

48. It is well known that crowding increases stress and aggression. The degree of crowding that exists today and the isolation of man from nature are consequences of technological progress. All preindustrial societies were predominantly rural. The Industrial Revolution vastly increased the size of cities and the proportion of the population that lives in them, and modern agricultural technology has made it possible for the Earth to support a far denser population than it ever did before. (Also, technology exacerbates the effects of crowding because it puts increased disruptive powers in people’s hands. For example, a variety of noise-making devices: power mowers, radios, motorcycles, etc. If the use of these devices is unrestricted, people who want peace and quiet are frustrated by the noise. If their use is restricted, people who use the devices are frustrated by the regulations. But if these machines had never been invented there would have been no conflict and no frustration generated by them.)

49. For primitive societies the natural world (which usually changes only slowly) provided a stable framework and therefore a sense of security. In the modern world it is human society that dominates nature rather than the other way around, and modern society changes very rapidly owing to technological change. Thus there is no stable framework.

50. The conservatives are fools: They whine about the decay of traditional values, yet they enthusiastically support technological progress and economic growth. Apparently it never occurs to them that you can’t make rapid, drastic changes in the technology and the economy of a society without causing rapid changes in all other aspects of the society as well, and that such rapid changes inevitably break down traditional values.

51. The breakdown of traditional values to some extent implies the breakdown of the bonds that hold together traditional small-scale social groups. The disintegration of small-scale social groups is also promoted by the fact that modern conditions often require or tempt individuals to move to new locations, separating themselves from their communities. Beyond that, a technological society has to weaken family ties and local communities if it is to function efficiently. In modern society an individual’s loyalty must be first to the system and only secondarily to a small-scale community, because if the internal loyalties of small-scale communities were stronger than loyalty to the system, such communities would pursue their own advantage at the expense of the system.

52. Suppose that a public official or a corporation executive appoints his cousin, his friend or his coreligionist to a position rather than appointing the person best qualified for the job. He has permitted personal loyalty to supersede his loyalty to the system, and that is “nepotism” or “discrimination,” both of which are terrible sins in modern society. Would-be industrial societies that have done a poor job of subordinating personal or local loyalties to loyalty to the system are usually very inefficient. (Look at Latin America.) Thus an advanced industrial society can tolerate only those small-scale communities that are emasculated, tamed and made into tools of the system.[7]

53. Crowding, rapid change and the breakdown of communities have been widely recognized as sources of social problems. But we do not believe they are enough to account for the extent of the problems that are seen today.

54. A few preindustrial cities were very large and crowded, yet their inhabitants do not seem to have suffered from psychological problems to the same extent as modern man. In America today there still are uncrowded rural areas, and we find there the same problems as in urban areas, though the problems tend to be less acute in the rural areas. Thus crowding does not seem to be the decisive factor.

55. On the growing edge of the American frontier during the 19th century, the mobility of the population probably broke down extended families and small-scale social groups to at least the same extent as these are broken down today. In fact, many nuclear families lived by choice in such isolation, having no neighbors within several miles, that they belonged to no community at all, yet they do not seem to have developed problems as a result.

56. Furthermore, change in American frontier society was very rapid and deep. A man might be born and raised in a log cabin, outside the reach of law and order and fed largely on wild meat; and by the time he arrived at old age he might be working at a regular job and living in an ordered community with effective law enforcement. This was a deeper change than that which typically occurs in the life of a modern individual, yet it does not seem to have led to psychological problems. In fact, 19th century American society had an optimistic and self-confident tone, quite unlike that of today’s society.[8]

57. The difference, we argue, is that modern man has the sense (largely justified) that change is imposed on him, whereas the 19th century frontiersman had the sense (also largely justified) that he created change himself, by his own choice. Thus a pioneer settled on a piece of land of his own choosing and made it into a farm through his own effort. In those days an entire country might have only a couple of hundred inhabitants and was a far more isolated and autonomous entity than a modern county is. Hence the pioneer farmer participated as a member of a relatively small group in the creation of a new, ordered community. One may well question whether the creation of this community was an improvement, but at any rate it satisfied the pioneer’s need for the power process.

58. It would be possible to give other examples of societies in which there has been rapid change and/or lack of close community ties without the kind of massive behavioral aberration that is seen in today’s industrial society. We contend that the most important cause of social and psychological problems in modern society is the fact that people have insufficient opportunity to go through the power process in a normal way. We don’t mean to say that modern society is the only one in which the power process has been disrupted. Probably most if not all civilized societies have interfered with the power process to a greater or lesser extent. But in modern industrial society the problem has become particularly acute. Leftism, at least in its recent (mid- to late-20th century) form, is in part a symptom of deprivation with respect to the power process.

Disruption of the Power Process in Modern Society

59. We divide human drives into three groups: (1) those drives that can be satisfied with minimal effort; (2) those that can be satisfied but only at the cost of serious effort; (3) those that cannot be adequately satisfied no matter how much effort one makes. The power process is the process of satisfying the drives of the second group. The more drives there are in the third group, the more there is frustration, anger, eventually defeatism, depression, etc.

60. In modern industrial society natural human drives tend to be pushed into the first and third groups, and the second group tends to consist increasingly of artificially created drives.

61. In primitive societies, physical necessities generally fall into group 2: They can be obtained, but only at the cost of serious effort. But modern society tends to guarantee the physical necessities to everyone[9] in exchange for only minimal effort, hence physical needs are pushed into group 1. (There may be disagreement about whether the effort needed to hold a job is “minimal”; but usually, in lower- to middle-level jobs, whatever effort is required is merely that of obedience. You sit or stand where you are told to sit or stand and do what you are told to do in the way you are told to do it. Seldom do you have to exert yourself seriously, and in any case you have hardly any autonomy in work, so that the need for the power process is not well served.)

62. Social needs, such as sex, love and status, often remain in group 2 in modern society, depending on the situation of the individual.[10] But, except for people who have a particularly strong drive for status, the effort required to fulfill the social drives is insufficient to satisfy adequately the need for the power process.

63. So certain artificial needs have been created that fall into group 2, hence serve the need for the power process. Advertising and marketing techniques have been developed that make many people feel they need things that their grandparents never desired or even dreamed of. It requires serious effort to earn enough money to satisfy these artificial needs, hence they fall into group 2. (But see paragraphs 80-82.) Modern man must satisfy his need for the power process largely through pursuit of the artificial needs created by the advertising and marketing industry,[11] and through surrogate activities.

64. It seems that for many people, maybe the majority, these artificial forms of the power process are insufficient. A theme that appears repeatedly in the writings of the social critics of the second half of the 20th century is the sense of purposelessness that afflicts many people in modern society. (This purposelessness is often called by other names such as “anomie” or “middle-class vacuity.”) We suggest that the so-called “identity crisis” is actually a search for a sense of purpose, often for commitment to a suitable surrogate activity. It may be that existentialism is in large part a response to the purposelessness of modern life.[12] Very widespread in modern society is the search for “fulfillment.” But we think that for the majority of people an activity whose main goal is fulfillment (that is, a surrogate activity) does not bring completely satisfactory fulfillment. In other words, it does not fully satisfy the need for the power process. (See paragraph 41.) That need can be fully satisfied only through activities that have some external goal, such as physical necessities, sex, love, status, revenge, etc.

65. Moreover, where goals are pursued through earning money, climbing the status ladder or functioning as part of the system in some other way, most people are not in a position to pursue their goalsautonomously. Most workers are someone else’s employee and, as we pointed out in paragraph 61, must spend their days doing what they are told to do in the way they are told to do it. Even most people who are in business for themselves have only limited autonomy. It is a chronic complaint of small-business persons and entrepreneurs that their hands are tied by excessive government regulation. Some of these regulations are doubtless unnecessary, but for the most part government regulations are essential and inevitable parts of our extremely complex society. A large portion of small business today operates on the franchise system. It was reported in the Wall Street Journal a few years ago that many of the franchise-granting companies require applicants for franchises to take a personality test that is designed toexclude those who have creativity and initiative, because such persons are not sufficiently docile to go along obediently with the franchise system. This excludes from small business many of the people who most need autonomy.

66. Today people live more by virtue of what the system does for them or to them than by virtue of what they do for themselves. And what they do for themselves is done more and more along channels laid down by the system. Opportunities tend to be those that the system provides, the opportunities must be exploited in accord with the rules and regulations[13] and techniques prescribed by experts must be followed if there is to be a chance of success.

67. Thus the power process is disrupted in our society through a deficiency of real goals and a deficiency of autonomy in the pursuit of goals. But it is also disrupted because of those human drives that fall into group 3: the drives that one cannot adequately satisfy no matter how much effort one makes. One of these drives is the need for security. Our lives depend on decisions made by other people; we have no control over these decisions and usually we do not even know the people who make them. (“We live in a world in which relatively few people—maybe 500 or 1,000—make the important decisions,” Philip B. Heymann of Harvard Law School, quoted by Anthony Lewis, New York Times, April 21, 1995.) Our lives depend on whether safety standards at a nuclear power plant are properly maintained; on how much pesticide is allowed to get into our food or how much pollution into our air; on how skillful (or incompetent) our doctor is; whether we lose or get a job may depend on decisions made by government economists or corporation executives; and so forth. Most individuals are not in a position to secure themselves against these threats to more than a very limited extent. The individual’s search for security is therefore frustrated, which leads to a sense of powerlessness.

68. It may be objected that primitive man is physically less secure than modern man, as is shown by his shorter life expectancy; hence modern man suffers from less, not more than the amount of insecurity that is normal for human beings. But psychological security does not closely correspond with physical security. What makes us feel secure is not so much objective security as a sense of confidence in our ability to take care of ourselves. Primitive man, threatened by a fierce animal or by hunger, can fight in self-defense or travel in search of food. He has no certainty of success in these efforts, but he is by no means helpless against the things that threaten him. The modern individual on the other hand is threatened by many things against which he is helpless; nuclear accidents, carcinogens in food, environmental pollution, war, increasing taxes, invasion of his privacy by large organizations, nationwide social or economic phenomena that may disrupt his way of life.

69. It is true that primitive man is powerless against some of the things that threaten him; disease for example. But he can accept the risk of disease stoically. It is part of the nature of things, it is no one’s fault, unless it is the fault of some imaginary, impersonal demon. But threats to the modern individual tend to be man-made. They are not the results of chance but are imposed on him by other persons whose decisions he, as an individual, is unable to influence. Consequently he feels frustrated, humiliated and angry.

70. Thus primitive man for the most part has his security in his own hands (either as an individual or as a member of a small group), whereas the security of modern man is in the hands of persons or organizations that are too remote or too large for him to be able personally to influence them. So modern man’s drive for security tends to fall into groups 1 and 3; in some areas (food, shelter, etc.) his security is assured at the cost of only trivial effort, whereas in other areas he cannot attain security. (The foregoing greatly simplifies the real situation, but it does indicate in a rough, general way how the condition of modern man differs from that of primitive man.)

71. People have many transitory drives or impulses that are necessarily frustrated in modern life, hence fall into group 3. One may become angry, but modern society cannot permit fighting. In many situations it does not even permit verbal aggression. When going somewhere one may be in a hurry, or one may be in a mood to travel slowly, but one generally has no choice but to move with the flow of traffic and obey the traffic signals. One may want to do one’s work in a different way, but usually one can work only according to the rules laid down by one’s employer. In many other ways as well, modern man is strapped down by a network of rules and regulations (explicit or implicit) that frustrate many of his impulses and thus interfere with the power process. Most of these regulations cannot be dispensed with, because they are necessary for the functioning of industrial society.

72. Modern society is in certain respects extremely permissive. In matters that are irrelevant to the functioning of the system we can generally do what we please. We can believe in any religion we like (as long as it does not encourage behavior that is dangerous to the system). We can go to bed with anyone we like (as long as we practice “safe sex”). We can do anything we like as long as it is unimportant. But in all important matters the system tends increasingly to regulate our behavior.

73. Behavior is regulated not only through explicit rules and not only by the government. Control is often exercised through indirect coercion or through psychological pressure or manipulation, and by organizations other than the government, or by the system as a whole. Most large organizations use some form of propaganda[14] to manipulate public attitudes or behavior. Propaganda is not limited to “commercials” and advertisements, and sometimes it is not even consciously intended as propaganda by the people who make it. For instance, the content of entertainment programming is a powerful form of propaganda. An example of indirect coercion: There is no law that says we have to go to work every day and follow our employer’s orders. Legally there is nothing to prevent us from going to live in the wild like primitive people or from going into business for ourselves. But in practice there is very little wild country left, and there is room in the economy for only a limited number of small business owners. Hence most of us can survive only as someone else’s employee.

74. We suggest that modern man’s obsession with longevity, and with maintaining physical vigor and sexual attractiveness to an advanced age, is a symptom of unfulfillment resulting from deprivation with respect to the power process. The “mid-life crisis” also is such a symptom. So is the lack of interest in having children that is fairly common in modern society but almost unheard-of in primitive societies.

75. In primitive societies life is a succession of stages. The needs and purposes of one stage having been fulfilled, there is no particular reluctance about passing on to the next stage. A young man goes through the power process by becoming a hunter, hunting not for sport or for fulfillment but to get meat that is necessary for food. (In young women the process is more complex, with greater emphasis on social power; we won’t discuss that here.) This phase having been successfully passed through, the young man has no reluctance about settling down to the responsibilities of raising a family. (In contrast, some modern people indefinitely postpone having children because they are too busy seeking some kind of “fulfillment.” We suggest that the fulfillment they need is adequate experience of the power process—with real goals instead of the artificial goals of surrogate activities.) Again, having successfully raised his children, going through the power process by providing them with the physical necessities, the primitive man feels that his work is done and he is prepared to accept old age (if he survives that long) and death. Many modern people, on the other hand, are disturbed by the prospect of physical deterioration and death, as is shown by the amount of effort they expend trying to maintain their physical condition, appearance and health. We argue that this is due to unfulfillment resulting from the fact that they have never put their physical powers to any practical use, have never gone through the power process using their bodies in a serious way. It is not the primitive man, who has used his body daily for practical purposes, who fears the deterioration of age, but the modern man, who has never had a practical use for his body beyond walking from his car to his house. It is the man whose need for the power process has been satisfied during his life who is best prepared to accept the end of that life.

76. In response to the arguments of this section someone will say, “Society must find a way to give people the opportunity to go through the power process.” This won’t work for those who need autonomy in the power process. For such people the value of the opportunity is destroyed by the very fact that society gives it to them. What they need is to find or make their own opportunities. As long as the systemgives them their opportunities it still has them on a leash. To attain autonomy they must get off that leash.

How Some People Adjust

77. Not everyone in industrial-technological society suffers from psychological problems. Some people even profess to be quite satisfied with society as it is. We now discuss some of the reasons why people differ so greatly in their response to modern society.

78. First, there doubtless are innate differences in the strength of the drive for power. Individuals with a weak drive for power may have relatively little need to go through the power process, or at least relatively little need for autonomy in the power process. These are docile types who would have been happy as plantation darkies in the Old South. (We don’t mean to sneer at the “plantation darkies” of the Old South. To their credit, most of the slaves were not content with their servitude. We do sneer at people who are content with servitude.)

79. Some people may have some exceptional drive, in pursuing which they satisfy their need for the power process. For example, those who have an unusually strong drive for social status may spend their whole lives climbing the status ladder without ever getting bored with that game.

80. People vary in their susceptibility to advertising and marketing techniques. Some people are so susceptible that, even if they make a great deal of money, they cannot satisfy their constant craving for the shiny new toys that the marketing industry dangles before their eyes. So they always feel hard-pressed financially even if their income is large, and their cravings are frustrated.

81. Some people have low susceptibility to advertising and marketing techniques. These are the people who aren’t interested in money. Material acquisition does not serve their need for the power process.

82. People who have medium susceptibility to advertising and marketing techniques are able to earn enough money to satisfy their craving for goods and services, but only at the cost of serious effort (putting in overtime, taking a second job, earning promotions, etc.). Thus material acquisition serves their need for the power process. But it does not necessarily follow that their need is fully satisfied. They may have insufficient autonomy in the power process (their work may consist of following orders) and some of their drives may be frustrated (e.g., security, aggression). (We are guilty of oversimplification in paragraphs 80-82 because we have assumed that the desire for material acquisition is entirely a creation of the advertising and marketing industry. Of course it’s not that simple.)[11]

83. Some people partly satisfy their need for power by identifying themselves with a powerful organization or mass movement. An individual lacking goals or power joins a movement or an organization, adopts its goals as his own, then works toward these goals. When some of the goals are attained, the individual, even though his personal efforts have played only an insignificant part in the attainment of the goals, feels (through his identification with the movement or organization) as if he had gone through the power process. This phenomenon was exploited by the Fascists, Nazis and Communists. Our society uses it too, though less crudely. Example: Manuel Noriega was an irritant to the U.S. (goal: punish Noriega). The U.S. invaded Panama (effort) and punished Noriega (attainment of goal). The U.S. went through the power process and many Americans, because of their identification with the U.S., experienced the power process vicariously. Hence the widespread public approval of the Panama invasion; it gave people a sense of power.[15] We see the same phenomenon in armies, corporations, political parties, humanitarian organizations, religious or ideological movements. In particular, leftist movements tend to attract people who are seeking to satisfy their need for power. But for most people identification with a large organization or a mass movement does not fully satisfy the need for power.

84. Another way in which people satisfy their need for the power process is through surrogate activities. As we explained in paragraphs 38-40, a surrogate activity is an activity that is directed toward an artificial goal that the individual pursues for the sake of the “fulfillment” that he gets from pursuing the goal, not because he needs to attain the goal itself. For instance, there is no practical motive for building enormous muscles, hitting a little white ball into a hole or acquiring a complete series of postage stamps. Yet many people in our society devote themselves with passion to bodybuilding, golf or stamp-collecting. Some people are more “other-directed” than others, and therefore will more readily attach importance to a surrogate activity simply because the people around them treat it as important or because society tells them it is important. That is why some people get very serious about essentially trivial activities such as sports, or bridge, or chess, or arcane scholarly pursuits, whereas others who are more clear-sighted never see these things as anything but the surrogate activities that they are, and consequently never attach enough importance to them to satisfy their need for the power process in that way. It only remains to point out that in many cases a person’s way of earning a living is also a surrogate activity. Not a pure surrogate activity, since part of the motive for the activity is to gain the physical necessities and (for some people) social status and the luxuries that advertising makes them want. But many people put into their work far more effort than is necessary to earn whatever money and status they require,

85. In this section we have explained how many people in modern society do satisfy their need for the power process to a greater or lesser extent. But we think that for the majority of people the need for the power process is not fully satisfied. In the first place, those who have an insatiable drive for status, or who get firmly “hooked” on a surrogate activity, or who identify strongly enough with a movement or organization to satisfy their need for power in that way, are exceptional personalities. Others are not fully satisfied with surrogate activities or by identification with an organization. (See paragraphs 41, 64.) In the second place, too much control is imposed by the system through explicit regulation or through socialization, which results in a deficiency of autonomy, and in frustration due to the impossibility of attaining certain goals and the necessity of restraining too many impulses.

86. But even if most people in industrial-technological society were well satisfied, we (FC) would still be opposed to that form of society, because (among other reasons) we consider it demeaning to fulfill one’s need for the power process through surrogate activities or through identification with an organization, rather than through pursuit of real goals.

The Motives of Scientists

87. Science and technology provide the most important examples of surrogate activities. Some scientists claim that they are motivated by “curiosity” or by a desire to “benefit humanity.” But it is easy to see that neither of these can be the principal motive of most scientists. As for “curiosity,” that notion is simply absurd. Most scientists work on highly specialized problems that are not the object of any normal curiosity. For example, is an astronomer, a mathematician or an entomologist curious about the properties of isopropyltrimethylmethane? Of course not. Only a chemist is curious about such a thing, and he is curious about it only because chemistry is his surrogate activity. Is the chemist curious about the appropriate classification of a new species of beetle? No. That question is of interest only to the entomologist, and he is interested in it only because entomology is his surrogate activity. If the chemist and the entomologist had to exert themselves seriously to obtain the physical necessities, and if that effort exercised their abilities in an interesting way but in some nonscientific pursuit, then they wouldn’t give a damn about isopropyltrimethylmethane or the classification of beetles. Suppose that lack of funds for postgraduate education had led the chemist to become an insurance broker instead of a chemist. In that case he would have been very interested in insurance matters but would have cared nothing about isopropyltrimethylmethane. In any case it is not normal to put into the satisfaction of mere curiosity the amount of time and effort that scientists put into their work. The “curiosity” explanation for the scientists’ motive just doesn’t stand up.

88. The “benefit of humanity” explanation doesn’t work any better. Some scientific work has no conceivable relation to the welfare of the human race—most of archaeology or comparative linguistics for example. Some other areas of science present obviously dangerous possibilities. Yet scientists in these areas are just as enthusiastic about their work as those who develop vaccines or study air pollution. Consider the case of Dr. Edward Teller, who had an obvious emotional involvement in promoting nuclear power plants. Did this involvement stem from a desire to benefit humanity? If so, then why didn’t Dr. Teller get emotional about other “humanitarian” causes? If he was such a humanitarian then why did he help to develop the H-bomb? As with many other scientific achievements, it is very much open to question whether nuclear power plants actually do benefit humanity. Does the cheap electricity outweigh the accumulating waste and the risk of accidents? Dr. Teller saw only one side of the question. Clearly his emotional involvement with nuclear power arose not from a desire to “benefit humanity” but from the personal fulfillment he got from his work and from seeing it put to practical use.

89. The same is true of scientists generally. With possible rare exceptions, their motive is neither curiosity nor a desire to benefit humanity but the need to go through the power process: to have a goal (a scientific problem to solve), to make an effort (research) and to attain the goal (solution of the problem). Science is a surrogate activity because scientists work mainly for the fulfillment they get out of the work itself.

90. Of course, it’s not that simple. Other motives do play a role for many scientists. Money and status for example. Some scientists may be persons of the type who have an insatiable drive for status (see paragraph 79) and this may provide much of the motivation for their work. No doubt the majority of scientists, like the majority of the general population, are more or less susceptible to advertising and marketing techniques and need money to satisfy their craving for goods and services. Thus science is not a pure surrogate activity. But it is in large part a surrogate activity.

91. Also, science and technology constitute a powerful mass movement, and many scientists gratify their need for power through identification with this mass movement. (See paragraph 83.)

92. Thus science marches on blindly, without regard to the real welfare of the human race or to any other standard, obedient only to the psychological needs of the scientists and of the government officials and corporation executives who provide the funds for research.

The Nature of Freedom

93. We are going to argue that industrial-technological society cannot be reformed in such a way as to prevent it from progressively narrowing the sphere of human freedom. But because “freedom” is a word that can be interpreted in many ways, we must first make clear what kind of freedom we are concerned with.

94. By “freedom” we mean the opportunity to go through the power process, with real goals not the artificial goals of surrogate activities, and without interference, manipulation or supervision from anyone, especially from any large organization. Freedom means being in control (either as an individual or as a member of a small group) of the life-and-death issues of one’s existence: food, clothing, shelter and defense against whatever threats there may be in one’s environment. Freedom means having power; not the power to control other people but the power to control the circumstances of one’s own life. One does not have freedom if anyone else (especially a large organization) has power over one, no matter how benevolently, tolerantly and permissively that power may be exercised. It is important not to confuse freedom with mere permissiveness (see paragraph 72).

95. It is said that we live in a free society because we have a certain number of constitutionally guaranteed rights. But these are not as important as they seem. The degree of personal freedom that exists in a society is determined more by the economic and technological structure of the society than by its laws or its form of government.[16] Most of the Indian nations of New England were monarchies, and many of the cities of the Italian Renaissance were controlled by dictators. But in reading about these societies one gets the impression that they allowed far more personal freedom than our society does. In part this was because they lacked efficient mechanisms for enforcing the ruler’s will: There were no modern, well-organized police forces, no rapid long-distance communications, no surveillance cameras, no dossiers of information about the lives of average citizens. Hence it was relatively easy to evade control.

96. As for our constitutional rights, consider for example that of freedom of the press. We certainly don’t mean to knock that right; it is a very important tool for limiting concentration of political power and for keeping those who do have political power in line by publicly exposing any misbehavior on their part. But freedom of the press is of very little use to the average citizen as an individual. The mass media are mostly under the control of large organizations that are integrated into the system. Anyone who has a little money can have something printed, or can distribute it on the Internet or in some such way, but what he has to say will be swamped by the vast volume of material put out by the media, hence it will have no practical effect. To make an impression on society with words is therefore almost impossible for most individuals and small groups. Take us (FC) for example. If we had never done anything violent and had submitted the present writings to a publisher, they probably would not have been accepted. If they had been accepted and published, they probably would not have attracted many readers, because it’s more fun to watch the entertainment put out by the media than to read a sober essay. Even if these writings had had many readers, most of these readers would soon have forgotten what they had read as their minds were flooded by the mass of material to which the media expose them. In order to get our message before the public with some chance of making a lasting impression, we’ve had to kill people.

97. Constitutional rights are useful up to a point, but they do not serve to guarantee much more than what might be called the bourgeois conception of freedom. According to the bourgeois conception, a “free” man is essentially an element of a social machine and has only a certain set of prescribed and delimited freedoms; freedoms that are designed to serve the needs of the social machine more than those of the individual. Thus the bourgeois’s “free” man has economic freedom because that promotes growth and progress; he has freedom of the press because public criticism restrains misbehavior by political leaders; he has a right to a fair trial because imprisonment at the whim of the powerful would be bad for the system. This was clearly the attitude of Simón Bolívar. To him, people deserved liberty only if they used it to promote progress (progress as conceived by the bourgeois). Other bourgeois thinkers have taken a similar view of freedom as a mere means to collective ends. Chester C. Tan, Chinese Political Thought in the Twentieth Century, page 202, explains the philosophy of the Kuomintang leader Hu Han-Min: “An individual is granted rights because he is a member of society and his community life requires such rights. By community Hu meant the whole society or the nation.” And on page 259 Tan states that according to Cursing Chang (Chang Chun-Mai, head of the State Socialist Party in China) freedom had to be used in the interest of the state and of the people as a whole. But what kind of freedom does one have if one can use it only as someone else prescribes? FC’s conception of freedom is not that of Bolivar, Hu, Chang or other bourgeois theorists. The trouble with such theorists is that they have made the development and application of social theories their surrogate activity. Consequently the theories are designed to serve the needs of the theorists more than the needs of any people who may be unlucky enough to live in a society on which the theories are imposed.

98. One more point to be made in this section: It should not be assumed that a person has enough freedom just because he says he has enough. Freedom is restricted in part by psychological controls of which people are unconscious, and moreover many people’s ideas of what constitutes freedom are governed more by social convention than by their real needs. For example, it’s likely that many leftists of the oversocialized type would say that most people, including themselves, are socialized too little rather than too much, yet the oversocialized leftist pays a heavy psychological price for his high level of socialization.

Some Principles of History

99. Think of history as being the sum of two components: an erratic component that consists of unpredictable events that follow no discernible pattern, and a regular component that consists of long-term historical trends. Here we are concerned with the long-term trends.

100. First principle. If a small change is made that affects a long-term historical trend, then the effect of that change will almost always be transitory—the trend will soon revert to its original state. (Example: A reform movement designed to clean up political corruption in a society rarely has more than a short-term effect; sooner or later the reformers relax and corruption creeps back in. The level of political corruption in a given society tends to remain constant, or to change only slowly with the evolution of the society. Normally, a political cleanup will be permanent only if accompanied by widespread social changes; a small change in the society won’t be enough.) If a small change in a long-term historical trend appears to be permanent, it is only because the change acts in the direction in which the trend is already moving, so that the trend is not altered but only pushed a step ahead.

101. The first principle is almost a tautology. If a trend were not stable with respect to small changes, it would wander at random rather than following a definite direction; in other words it would not be a long-term trend at all.

102. Second principle. If a change is made that is sufficiently large to alter permanently a long-term historical trend, then it will alter the society as a whole. In other words, a society is a system in which all parts are interrelated, and you can’t permanently change any important part without changing all other parts as well.

103. Third principle. If a change is made that is large enough to alter permanently a long-term trend, then the consequences for the society as a whole cannot be predicted in advance. (Unless various other societies have passed through the same change and have all experienced the same consequences, in which case one can predict on empirical grounds that another society that passes through the same change will be likely to experience similar consequences.)

104. Fourth principle. A new kind of society cannot be designed on paper. That is, you cannot plan out a new form of society in advance, then set it up and expect it to function as it was designed to do.

105. The third and fourth principles result from the complexity of human societies. A change in human behavior will affect the economy of a society and its physical environment; the economy will affect the environment and vice versa, and the changes in the economy and the environment will affect human behavior in complex, unpredictable ways; and so forth. The network of causes and effects is far too complex to be untangled and understood.

106. Fifth principle. People do not consciously and rationally choose the form of their society. Societies develop through processes of social evolution that are not under rational human control.

107. The fifth principle is a consequence of the other four.

108. To illustrate: By the first principle, generally speaking an attempt at social reform either acts in the direction in which the society is developing anyway (so that it merely accelerates a change that would have occurred in any case) or else it has only a transitory effect, so that the society soon slips back into its old groove. To make a lasting change in the direction of development of any important aspect of a society, reform is insufficient and revolution is required. (A revolution does not necessarily involve an armed uprising or the overthrow of a government.) By the second principle, a revolution never changes only one aspect of a society, it changes the whole society; and by the third principle changes occur that were never expected or desired by the revolutionaries. By the fourth principle, when revolutionaries or utopians set up a new kind of society, it never works out as planned.

109. The American Revolution does not provide a counterexample. The American “Revolution” was not a revolution in our sense of the word, but a war of independence followed by a rather far-reaching political reform. The Founding Fathers did not change the direction of development of American society, nor did they aspire to do so. They only freed the development of American society from the retarding effect of British rule. Their political reform did not change any basic trend, but only pushed American political culture along its natural direction of development. British society, of which American society was an offshoot, had been moving for a long time in the direction of representative democracy. And prior to the War of Independence the Americans were already practicing a significant degree of representative democracy in the colonial assemblies. The political system established by the Constitution was modeled on the British system and on the colonial assemblies. With major alterations, to be sure—there is no doubt that the Founding Fathers took a very important step. But it was a step along the road that the English-speaking world was already traveling. The proof is that Britain and all of its colonies that were populated predominantly by people of British descent ended up with systems of representative democracy essentially similar to that of the United States. If the Founding Fathers had lost their nerve and declined to sign the Declaration of Independence, our way of life today would not have been significantly different. Maybe we would have had somewhat closer ties to Britain, and would have had a Parliament and Prime Minister instead of a Congress and President. No big deal. Thus the American Revolution provides not a counterexample to our principles but a good illustration of them.

110. Still, one has to use common sense in applying the principles. They are expressed in imprecise language that allows latitude for interpretation, and exceptions to them can be found. So we present these principles not as inviolable laws but as rules of thumb, or guides to thinking, that may provide a partial antidote to naive ideas about the future of society. The principles should be borne constantly in mind, and whenever one reaches a conclusion that conflicts with them one should carefully reexamine one’s thinking and retain the conclusion only if one has good, solid reasons for doing so.

Industrial-Technological Society Cannot Be Reformed

111. The foregoing principles help to show how hopelessly difficult it would be to reform the industrial system in such a way as to prevent it from progressively narrowing our sphere of freedom. There has been a consistent tendency, going back at least to the Industrial Revolution, for technology to strengthen the system at a high cost in individual freedom and local autonomy. Hence any change designed to protect freedom from technology would be contrary to a fundamental trend in the development of our society. Consequently, such a change either would be a transitory one—soon swamped by the tide of history—or, if large enough to be permanent, would alter the nature of our whole society. This by the first and second principles. Moreover, since society would be altered in a way that could not be predicted in advance (third principle) there would be great risk. Changes large enough to make a lasting difference in favor of freedom would not be initiated because it would be realized that they would gravely disrupt the system. So any attempts at reform would be too timid to be effective. Even if changes large enough to make a lasting difference were initiated, they would be retracted when their disruptive effects became apparent. Thus, permanent changes in favor of freedom could be brought about only by persons prepared to accept radical, dangerous and unpredictable alteration of the entire system. In other words by revolutionaries, not reformers.

112. People anxious to rescue freedom without sacrificing the supposed benefits of technology will suggest naive schemes for some new form of society that would reconcile freedom with technology. Apart from the fact that people who make such suggestions seldom propose any practical means by which the new form of society could be set up in the first place, it follows from the fourth principle that even if the new form of society could be once established, it either would collapse or would give results very different from those expected.

113. So even on very general grounds it seems highly improbable that any way of changing society could be found that would reconcile freedom with modern technology. In the next few sections we will give more specific reasons for concluding that freedom and technological progress are incompatible.

Restriction of Freedom is Unavoidable in Industrial Society

114. As explained in paragraphs 65-67, 70-73, modern man is strapped down by a network of rules and regulations, and his fate depends on the actions of persons remote from him whose decisions he cannot influence. This is not accidental or a result of the arbitrariness of arrogant bureaucrats. It is necessary and inevitable in any technologically advanced society. The system has to regulate human behavior closely in order to function. At work, people have to do what they are told to do, when they are told to do it and in the way they are told to do it, otherwise production would be thrown into chaos. Bureaucracies have to be run according to rigid rules. To allow any substantial personal discretion to lower-level bureaucrats would disrupt the system and lead to charges of unfairness due to differences in the way individual bureaucrats exercised their discretion. It is true that some restrictions on our freedom could be eliminated, but generally speaking the regulation of our lives by large organizations is necessary for the functioning of industrial-technological society. The result is a sense of powerlessness on the part of the average person. It may be, however, that formal regulations will tend increasingly to be replaced by psychological tools that make us want to do what the system requires of us. (Propaganda,[14] educational techniques, “mental health” programs, etc.)

115. The system has to force people to behave in ways that are increasingly remote from the natural pattern of human behavior. For example, the system needs scientists, mathematicians and engineers. It can’t function without them. So heavy pressure is put on children to excel in these fields. It isn’t natural for an adolescent human being to spend the bulk of his time sitting at a desk absorbed in study. A normal adolescent wants to spend his time in active contact with the real world. Among primitive peoples the things that children are trained to do tend to be in reasonable harmony with natural human impulses. Among the American Indians, for example, boys were trained in active outdoor pursuits—just the sort of things that boys like. But in our society children are pushed into studying technical subjects, which most do grudgingly.

116. Because of the constant pressure that the system exerts to modify human behavior, there is a gradual increase in the number of people who cannot or will not adjust to society’s requirements: welfare leeches, youth-gang members, cultists, anti-government rebels, radical environmentalist saboteurs, dropouts and resisters of various kinds.

117. In any technologically advanced society the individual’s fate must depend on decisions that he personally cannot influence to any great extent. A technological society cannot be broken down into small, autonomous communities, because production depends on the cooperation of very large numbers of people and machines. Such a society must be highly organized and decisions have to be made that affect very large numbers of people. When a decision affects, say, a million people, then each of the affected individuals has, on the average, only a one-millionth share in making the decision. What usually happens in practice is that decisions are made by public officials or corporation executives, or by technical specialists, but even when the public votes on a decision the number of voters ordinarily is too large for the vote of anyone individual to be significant.[17] Thus most individuals are unable to influence measurably the major decisions that affect their lives. There is no conceivable way to remedy this in a technologically advanced society. The system tries to “solve” this problem by using propaganda to make people want the decisions that have been made for them, but even if this “solution” were completely successful in making people feel better, it would be demeaning.

118. Conservatives and some others advocate more “local autonomy.” Local communities once did have autonomy, but such autonomy becomes less and less possible as local communities become more enmeshed with and dependent on large-scale systems like public utilities, computer networks, highway systems, the mass communications media and the modern health-care system. Also operating against autonomy is the fact that technology applied in one location often affects people at other locations far away. Thus pesticide or chemical use near a creek may contaminate the water supply hundreds of miles downstream, and the greenhouse effect affects the whole world.

119. The system does not and cannot exist to satisfy human needs. Instead, it is human behavior that has to be modified to fit the needs of the system. This has nothing to do with the political or social ideology that may pretend to guide the technological system. It is not the fault of capitalism and it is not the fault of socialism. It is the fault of technology, because the system is guided not by ideology but by technical necessity.[18] Of course the system does satisfy many human needs, but generally speaking it does this only to the extent that it is to the advantage of the system to do it. It is the needs of the system that are paramount, not those of the human being. For example, the system provides people with food because the system couldn’t function if everyone starved; it attends to people’s psychological needs whenever it can conveniently do so, because it couldn’t function if too many people became depressed or rebellious. But the system, for good, solid, practical reasons, must exert constant pressure on people to mold their behavior to the needs of the system. Too much waste accumulating? The government, the media, the educational system, environmentalists, everyone inundates us with a mass of propaganda about recycling. Need more technical personnel? A chorus of voices exhorts kids to study science. No one stops to ask whether it is inhumane to force adolescents to spend the bulk of their time studying subjects that most of them hate. When skilled workers are put out of a job by technical advances and have to undergo “retraining,” no one asks whether it is humiliating for them to be pushed around in this way. It is simply taken for granted that everyone must bow to technical necessity. And for good reason: If human needs were put before technical necessity there would be economic problems, unemployment, shortages or worse. The concept of “mental health” in our society is defined largely by the extent to which an individual behaves in accord with the needs of the system and does so without showing signs of stress.

120. Efforts to make room for a sense of purpose and for autonomy within the system are no better than a joke. For example, one company, instead of having each of its employees assemble only one section of a catalogue, had each assemble a whole catalogue, and this was supposed to give them a sense of purpose and achievement. Some companies have tried to give their employees more autonomy in their work, but for practical reasons this usually can be done only to a very limited extent, and in any case employees are never given autonomy as to ultimate goals—their “autonomous” efforts can never be directed toward goals that they select personally, but only toward their employer’s goals, such as the survival and growth of the company. Any company would soon go out of business if it permitted its employees to act otherwise. Similarly, in any enterprise within a socialist system, workers must direct their efforts toward the goals of the enterprise, otherwise the enterprise will not serve its purpose as part of the system. Once again, for purely technical reasons it is not possible for most individuals or small groups to have much autonomy in industrial society. Even the small-business owner commonly has only limited autonomy. Apart from the necessity of government regulation, he is restricted by the fact that he must fit into the economic system and conform to its requirements. For instance, when someone develops a new technology, the small-business person often has to use that technology whether he wants to or not, in order to remain competitive.

The “Bad” Parts of Technology Cannot Be Separated from the “Good” Parts

121. A further reason why industrial society cannot be reformed in favor of freedom is that modern technology is a unified system in which all parts are dependent on one another. You can’t get rid of the “bad” parts of technology and retain only the “good” parts. Take modern medicine, for example. Progress in medical science depends on progress in chemistry, physics, biology, computer science and other fields. Advanced medical treatments require expensive, high-tech equipment that can be made available only by a technologically progressive, economically rich society. Clearly you can’t have much progress in medicine without the whole technological system and everything that goes with it.

122. Even if medical progress could be maintained without the rest of the technological system, it would by itself bring certain evils. Suppose for example that a cure for diabetes is discovered. People with a genetic tendency to diabetes will then be able to survive and reproduce as well as anyone else. Natural selection against genes for diabetes will cease and such genes will spread throughout the population. (This may be occurring to some extent already, since diabetes, while not curable, can be controlled through the use of insulin.) The same thing will happen with many other diseases susceptibility to which is affected by genetic factors (e.g., childhood cancer), resulting in massive genetic degradation of the population. The only solution will be some sort of eugenics program or extensive genetic engineering of human beings, so that man in the future will no longer be a creation of nature, or of chance, or of God (depending on your religious or philosophical opinions), but a manufactured product.

123. If you think that big government interferes in your life too much now, just wait till the government starts regulating the genetic constitution of your children. Such regulation will inevitably follow the introduction of genetic engineering of human beings, because the consequences of unregulated genetic engineering would be disastrous.[19]

124. The usual response to such concerns is to talk about “medical ethics.” But a code of ethics would not serve to protect freedom in the face of medical progress; it would only make matters worse. A code of ethics applicable to genetic engineering would be in effect a means of regulating the genetic constitution of human beings. Somebody (probably the upper middle class, mostly) would decide that such and such applications of genetic engineering were “ethical” and others were not, so that in effect they would be imposing their own values on the genetic constitution of the population at large. Even if a code of ethics were chosen on a completely democratic basis, the majority would be imposing their own values on any minorities who might have a different idea of what constituted an “ethical” use of genetic engineering. The only code of ethics that would truly protect freedom would be one that prohibited any genetic engineering of human beings, and you can be sure that no such code will ever be applied in a technological society. No code that reduced genetic engineering to a minor role could stand up for long, because the temptation presented by the immense power of biotechnology would be irresistible, especially since to the majority of people many of its applications will seem obviously and unequivocally good (eliminating physical and mental diseases, giving people the abilities they need to get along in today’s world). Inevitably, genetic engineering will be used extensively, but only in ways consistent with the needs of the industrial-technological system.[20]

Technology is a More Powerful Social Force than the Aspiration for Freedom

125. It is not possible to make a lasting compromise between technology and freedom, because technology is by far the more powerful social force and continually encroaches on freedom through repeatedcompromises. Imagine the case of two neighbors, each of whom at the outset owns the same amount of land, but one of whom is more powerful than the other. The powerful one demands a piece of the other’s land. The weak one refuses. The powerful one says, “Okay, let’s compromise. Give me half of what I asked.” The weak one has little choice but to give in. Some time later the powerful neighbor demands another piece of land, again there is a compromise, and so forth. By forcing a long series of compromises on the weaker man, the powerful one eventually gets all of his land. So it goes in the conflict between technology and freedom.

126. Let us explain why technology is a more powerful social force than the aspiration for freedom.

127. A technological advance that appears not to threaten freedom often turns out to threaten it very seriously later on. For example, consider motorized transport. A walking man formerly could go where he pleased, go at his own pace without observing any traffic regulations, and was independent of technological support systems. When motor vehicles were introduced they appeared to increase man’s freedom. They took no freedom away from the walking man, no one had to have an automobile if he didn’t want one, and anyone who did choose to buy an automobile could travel much faster and farther than a walking man. But the introduction of motorized transport soon changed society in such a way as to restrict greatly man’s freedom of locomotion. When automobiles became numerous, it became necessary to regulate their use extensively. In a car, especially in densely populated areas, one cannot just go where one likes at one’s own pace; one’s movement is governed by the flow of traffic and by various traffic laws. One is tied down by various obligations: license requirements, driver test, renewing registration, insurance, maintenance required for safety, monthly payments on purchase price. Moreover, the use of motorized transport is no longer optional. Since the introduction of motorized transport the arrangement of our cities has changed in such a way that the majority of people no longer live within walking distance of their place of employment, shopping areas and recreational opportunities, so that they have to depend on the automobile for transportation. Or else they must use public transportation, in which case they have even less control over their own movement than when driving a car. Even the walker’s freedom is now greatly restricted. In the city he continually has to stop to wait for traffic lights that are designed mainly to serve auto traffic. In the country, motor traffic makes it dangerous and unpleasant to walk along the highway. (Note this important point that we have just illustrated with the case of motorized transport: When a new item of technology is introduced as an option that an individual can accept or not as he chooses, it does not necessarily remain optional. In many cases the new technology changes society in such a way that people eventually find themselves forced to use it.)

128. While technological progress as a whole continually narrows our sphere of freedom, each new technical advance considered by itself appears to be desirable. Electricity, indoor plumbing, rapid long- distance communications…how could one argue against any of these things, or against any other of the innumerable technical advances that have made modern society? It would have been absurd to resist the introduction of the telephone, for example. It offered many advantages and no disadvantages. Yet, as we explained in paragraphs 59-76, all these technical advances taken together have created a world in which the average man’s fate is no longer in his own hands or in the hands of his neighbors and friends, but in those of politicians, corporation executives and remote, anonymous technicians and bureaucrats whom he as an individual has no power to influence.[21] The same process will continue in the future. Take genetic engineering, for example. Few people will resist the introduction of a genetic technique that eliminates a hereditary disease. It does no apparent harm and prevents much suffering. Yet a large number of genetic improvements taken together will make the human being into an engineered product rather than a free creation of chance (or of God, or whatever, depending on your religious beliefs).

129. Another reason why technology is such a powerful social force is that, within the context of a given society, technological progress marches in only one direction; it can never be reversed. Once a technical innovation has been introduced, people usually become dependent on it, so that they can never again do without it, unless it is replaced by some still more advanced innovation. Not only do people become dependent as individuals on a new item of technology, but, even more, the system as a whole becomes dependent on it. (Imagine what would happen to the system today if computers, for example, were eliminated.) Thus the system can move in only one direction, toward greater technologization. Technology repeatedly forces freedom to take a step back but technology can never take a step back—short of the overthrow of the whole technological system.

130. Technology advances with great rapidity and threatens freedom at many different points at the same time (crowding, rules and regulations, increasing dependence of individuals on large organizations, propaganda and other psychological techniques, genetic engineering, invasion of privacy through surveillance devices and computers, etc.). To hold back any one of the threats to freedom would require a long and difficult social struggle. Those who want to protect freedom are overwhelmed by the sheer number of new attacks and the rapidity with which they develop, hence they become apathetic and no longer resist. To fight each of the threats separately would be futile. Success can be hoped for only by fighting the technological system as a whole; but that is revolution, not reform.

131. Technicians (we use this term in its broad sense to describe all those who perform a specialized task that requires training) tend to be so involved in their work (their surrogate activity) that when a conflict arises between their technical work and freedom, they almost always decide in favor of their technical work. This is obvious in the case of scientists, but it also appears elsewhere: Educators, humanitarian groups, conservation organizations do not hesitate to use propaganda[14] or other psychological techniques to help them achieve their laudable ends. Corporations and government agencies, when they find it useful, do not hesitate to collect information about individuals without regard to their privacy. Law enforcement agencies are frequently inconvenienced by the constitutional rights of suspects and often of completely innocent persons, and they do whatever they can do legally (or sometimes illegally) to restrict or circumvent those rights. Most of these educators, government officials and law officers believe in freedom, privacy and constitutional rights, but when these conflict with their work, they usually feel that their work is more important.

132. It is well known that people generally work better and more persistently when striving for a reward than when attempting to avoid a punishment or negative outcome. Scientists and other technicians are motivated mainly by the rewards they get through their work. But those who oppose technological invasions of freedom are working to avoid a negative outcome, consequently there are few who work persistently and well at this discouraging task. If reformers ever achieved a signal victory that seemed to set up a solid barrier against further erosion of freedom through technical progress, most would tend to relax and turn their attention to more agreeable pursuits. But the scientists would remain busy in their laboratories, and technology as it progressed would find ways, in spite of any barriers, to exert more and more control over individuals and make them always more dependent on the system.

133. No social arrangements, whether laws, institutions, customs or ethical codes, can provide permanent protection against technology. History shows that all social arrangements are transitory; they all change or break down eventually. But technological advances are permanent within the context of a given civilization. Suppose for example that it were possible to arrive at some social arrangement that would prevent genetic engineering from being applied to human beings, or prevent it from being applied in such a way as to threaten freedom and dignity. Still, the technology would remain, waiting. Sooner or later the social arrangement would break down. Probably sooner, given the pace of change in our society. Then genetic engineering would begin to invade our sphere of freedom, and this invasion would be irreversible (short of a breakdown of technological civilization itself). Any illusions about achieving anything permanent through social arrangements should be dispelled by what is currently happening with environmental legislation. A few years ago it seemed that there were secure legal barriers preventing at least some of the worst forms of environmental degradation. A change in the political wind, and those barriers begin to crumble.

134. For all of the foregoing reasons, technology is a more powerful social force than the aspiration for freedom. But this statement requires an important qualification. It appears that during the next several decades the industrial-technological system will be undergoing severe stresses due to economic and environmental problems, and especially due to problems of human behavior (alienation, rebellion, hostility, a variety of social and psychological difficulties). We hope that the stresses through which the system is likely to pass will cause it to break down, or at least will weaken it sufficiently so that a revolution against it becomes possible. If such a revolution occurs and is successful, then at that particular moment the aspiration for freedom will have proved more powerful than technology.

135. In paragraph 125 we used an analogy of a weak neighbor who is left destitute by a strong neighbor who takes all his land by forcing on him a series of compromises. But suppose now that the strong neighbor gets sick, so that he is unable to defend himself. The weak neighbor can force the strong one to give him his land back, or he can kill him. If he lets the strong man survive and only forces him to give the land back, he is a fool, because when the strong man gets well he will again take all the land for himself. The only sensible alternative for the weaker man is to kill the strong one while he has the chance. In the same way, while the industrial system is sick we must destroy it. If we compromise with it and let it recover from its sickness, it will eventually wipe out all of our freedom.

Simpler Social Problems Have Proved Intractable

136. If anyone still imagines that it would be possible to reform the system in such a way as to protect freedom from technology, let him consider how clumsily and for the most part unsuccessfully our society has dealt with other social problems that are far more simple and straightforward. Among other things, the system has failed to stop environmental degradation, political corruption, drug trafficking or domestic abuse.

137. Take our environmental problems, for example. Here the conflict of values is straightforward: economic expedience now versus saving some of our natural resources for our grandchildren.[22] But on this subject we get only a lot of blather and obfuscation from the people who have power, and nothing like a clear, consistent line of action, and we keep on piling up environmental problems that our grandchildren will have to live with. Attempts to resolve the environmental issue consist of struggles and compromises between different factions, some of which are ascendant at one moment, others at another moment. The line of struggle changes with the shifting currents of public opinion. This is not a rational process, nor is it one that is likely to lead to a timely and successful solution to the problem. Major social problems, if they get “solved” at all, are rarely or never solved through any rational, comprehensive plan. They just work themselves out through a process in which various competing groups pursuing their own (usually short-term) self-interest[23] arrive (mainly by luck) at some more or less stable modus vivendi. In fact, the principles we formulated in paragraphs 100-106 make it seem doubtful that rational, long-term social planning can ever be successful.

138. Thus it is clear that the human race has at best a very limited capacity for solving even relatively straightforward social problems. How then is it going to solve the far more difficult and subtle problem of reconciling freedom with technology? Technology presents clear-cut material advantages, whereas freedom is an abstraction that means different things to different people, and its loss is easily obscured by propaganda and fancy talk.

139. And note this important difference: It is conceivable that our environmental problems (for example) may some day be settled through a rational, comprehensive plan, but if this happens it will be only because it is in the long-term interest of the system to solve these problems. But it is not in the interest of the system to preserve freedom or small-group autonomy. On the contrary, it is in the interest of the system to bring human behavior under control to the greatest possible extent.[24] Thus, while practical considerations may eventually force the system to take a rational, prudent approach to environmental problems, equally practical considerations will force the system to regulate human behavior ever more closely (preferably by indirect means that will disguise the encroachment on freedom). This isn’t just our opinion. Eminent social scientists (e.g., James Q. Wilson) have stressed the importance of “socializing” people more effectively.

Revolution is Easier than Reform

140. We hope we have convinced the reader that the system cannot be reformed in such a way as to reconcile freedom with technology. The only way out is to dispense with the industrial-technological system altogether. This implies revolution, not necessarily an armed uprising, but certainly a radical and fundamental change in the nature of society.

141. People tend to assume that because a revolution involves a much greater change than reform does, it is more difficult to bring about than reform is. Actually, under certain circumstances revolution is much easier than reform. The reason is that a revolutionary movement can inspire an intensity of commitment that a reform movement cannot inspire. A reform movement merely offers to solve a particular social problem. A revolutionary movement offers to solve all problems at one stroke and create a whole new world; it provides the kind of ideal for which people will take great risks and make great sacrifices. For this reason it would be much easier to overthrow the whole technological system than to put effective, permanent restraints on the development or application of anyone segment of technology, such as genetic engineering, for example. Not many people will devote themselves with single-minded passion to imposing and maintaining restraints on genetic engineering, but under suitable conditions large numbers of people may devote themselves passionately to a revolution against the industrial-technological system. As we noted in paragraph 132, reformers seeking to limit certain aspects of technology would be working to avoid a negative outcome. But revolutionaries work to gain a powerful reward—fulfillment of their revolutionary vision—and therefore work harder and more persistently than reformers do.

142. Reform is always restrained by the fear of painful consequences if changes go too far. But once a revolutionary fever has taken hold of a society, people are willing to undergo unlimited hardships for the sake of their revolution. This was clearly shown in the French and Russian Revolutions. It may be that in such cases only a minority of the population is really committed to the revolution, but this minority is sufficiently large and active so that it becomes the dominant force in society. We will have more to say about revolution in paragraphs 180-205.

Control of Human Behavior

143. Since the beginning of civilization, organized societies have had to put pressures on human beings for the sake of the functioning of the social organism. The kinds of pressures vary greatly from one society to another. Some of the pressures are physical (poor diet, excessive labor, environmental pollution), some are psychological (noise, crowding, forcing human behavior into the mold that society requires). In the past, human nature has been approximately constant, or at any rate has varied only within certain bounds. Consequently, societies have been able to push people only up to certain limits. When the limit of human endurance has been passed, things start going wrong: rebellion, or crime, or corruption, or evasion of work, or depression and other mental problems, or an elevated death rate, or a declining birth rate or something else, so that either the society breaks down, or its functioning becomes too inefficient and it is (quickly or gradually, through conquest, attrition or evolution) replaced by some more efficient form of society.[25]

144. Thus human nature has in the past put certain limits on the development of societies. People could be pushed only so far and no farther. But today this may be changing, because modern technology is developing ways of modifying human beings.

145. Imagine a society that subjects people to conditions that make them terribly unhappy, then gives them drugs to take away their unhappiness. Science fiction? It is already happening to some extent in our own society. It is well known that the rate of clinical depression has been greatly increasing in recent decades. We believe that this is due to disruption of the power process, as explained in paragraphs 59-76. But even if we are wrong, the increasing rate of depression is certainly the result of some conditions that exist in today’s society. Instead of removing the conditions that make people depressed, modern society gives them antidepressant drugs. In effect, antidepressants are a means of modifying an individual’s internal state in such a way as to enable him to tolerate social conditions that he would otherwise find intolerable. (Yes, we know that depression is often of purely genetic origin. We are referring here to those cases in which environment plays the predominant role.)

146. Drugs that affect the mind are only one example of the methods of controlling human behavior that modern society is developing. Let us look at some of the other methods.

147. To start with, there are the techniques of surveillance. Hidden video cameras are now used in most stores and in many other places, computers are used to collect and process vast amounts of information about individuals. Information so obtained greatly increases the effectiveness of physical coercion (i.e., law enforcement).[26] Then there are the methods of propaganda, for which the mass communications media provide effective vehicles. Efficient techniques have been developed for winning elections, selling products, influencing public opinion. The entertainment industry serves as an important psychological tool of the system, possibly even when it is dishing out large amounts of sex and violence. Entertainment provides modern man with an essential means of escape. While absorbed in television, videos, etc., he can forget stress, anxiety, frustration, dissatisfaction. Many primitive peoples, when they don’t have any work to do, are quite content to sit for hours at a time doing nothing at all, because they are at peace with themselves and their world. But most modern people must be constantly occupied or entertained, otherwise they get “bored,” i.e., they get fidgety, uneasy, irritable.

148. Other techniques strike deeper that the foregoing. Education is no longer a simple affair of paddling a kid’s behind when he doesn’t know his lessons and patting him on the head when he does know them. It is becoming a scientific technique for controlling the child’s development. Sylvan Learning Centers, for example, have had great success in motivating children to study, and psychological techniques are also used with more or less success in many conventional schools. “Parenting” techniques that are taught to parents are designed to make children accept the fundamental values of the system and behave in ways that the system finds desirable. “Mental health” programs, “intervention” techniques, psychotherapy and so forth are ostensibly designed to benefit individuals, but in practice they usually serve as methods for inducing individuals to think and behave as the system requires. (There is no contradiction here; an individual whose attitudes or behavior bring him into conflict with the system is up against a force that is too powerful for him to conquer or escape from, hence he is likely to suffer from stress, frustration, defeat. His path will be much easier if he thinks and behaves as the system requires. In that sense the system is acting for the benefit of the individual when it brainwashes him into conformity.) Child abuse in its gross and obvious forms is disapproved in most if not all cultures. Tormenting a child for a trivial reason or no reason at all is something that appalls almost everyone. But many psychologists interpret the concept of abuse much more broadly. Is spanking, when used as part of a rational and consistent system of discipline, a form of abuse? The question will ultimately be decided by whether or not spanking tends to produce behavior that makes a person fit in well with the existing system of society. In practice, the word “abuse” tends to be interpreted to include any method of child-rearing that produces behavior inconvenient for the system. Thus, when they go beyond the prevention of obvious, senseless cruelty, programs for preventing “child abuse” are directed toward the control of human behavior on behalf of the system.

149. Presumably, research will continue to increase the effectiveness of psychological techniques for controlling human behavior. But we think it is unlikely that psychological techniques alone will be sufficient to adjust human beings to the kind of society that technology is creating. Biological methods probably will have to be used. We have already mentioned the use of drugs in this connection. Neurology may provide other avenues for modifying the human mind. Genetic engineering of human beings is already beginning to occur in the form of “gene therapy,” and there is no reason to assume that such methods will not eventually be used to modify those aspects of the body that affect mental functioning,

150. As we mentioned in paragraph 134, industrial society seems likely to be entering a period of severe stress, due in part to problems of human behavior and in part to economic and environmental problems. And a considerable proportion of the system’s economic and environmental problems result from the way human beings behave. Alienation, low self-esteem, depression, hostility, rebellion; children who won’t study, youth gangs, illegal drug use, rape, child abuse, other crimes, unsafe sex, teen pregnancy, population growth, political corruption, race hatred, ethnic rivalry, bitter ideological conflict (e.g., pro-choice vs. pro-life), political extremism, terrorism, sabotage, anti-government groups, hate groups. All these threaten the very survival of the system. The system will therefore be forced to use every practical means of controlling human behavior.

151. The social disruption that we see today is certainly not the result of mere chance. It can only be a result of the conditions of life that the system imposes on people. (We have argued that the most important of these conditions is disruption of the power process.) If the systems succeeds in imposing sufficient control over human behavior to assure its own survival, a new watershed in human history will have been passed. Whereas formerly the limits of human endurance have imposed limits on the development of societies (as we explained in paragraphs 143, 144), industrial-technological society will be able to pass those limits by modifying human beings, whether by psychological methods or biological methods or both. In the future, social systems will not be adjusted to suit the needs of human beings. Instead, human beings will be adjusted to suit the needs of the system.[27]

152. Generally speaking, technological control over human behavior will probably not be introduced with a totalitarian intention or even through a conscious desire to restrict human freedom.[28] Each new step in the assertion of control over the human mind will be taken as a rational response to a problem that faces society, such as curing alcoholism, reducing the crime rate or inducing young people to study science and engineering. In many cases, there will be a humanitarian justification. For example, when a psychiatrist prescribes an antidepressant for a depressed patient, he is clearly doing that individual a favor. It would be inhumane to withhold the drug from someone who needs it. When parents send their children to Sylvan Learning Centers to have them manipulated into becoming enthusiastic about their studies, they do so from concern for their children’s welfare. It may be that some of these parents wish that one didn’t have to have specialized training to get a job and that their kid didn’t have to be brainwashed into becoming a computer nerd. But what can they do? They can’t change society, and their child may be unemployable if he doesn’t have certain skills. So they send him to Sylvan.

153. Thus control over human behavior will be introduced not by a calculated decision of the authorities but through a process of social evolution (rapid evolution, however). The process will be impossible to resist, because each advance, considered by itself, will appear to be beneficial, or at least the evil involved in making the advance will seem to be less than that which would result from not making it. (See paragraph 127.) Propaganda for example is used for many good purposes, such as discouraging child abuse or race hatred.[14] Sex education is obviously useful, yet the effect of sex education (to the extent that it is successful) is to take the shaping of sexual attitudes away from the family and put it into the hands of the state as represented by the public school system.

154. Suppose a biological trait is discovered that increases the likelihood that a child will grow up to be a criminal, and suppose some sort of gene therapy can remove this trait.[29] Of course most parents whose children possess the trait will have them undergo the therapy. It would be inhumane to do otherwise, since the child would probably have a miserable life if he grew up to be a criminal. But many or most primitive societies have a low crime rate in comparison with that of our society, even though they have neither high-tech methods of child-rearing nor harsh systems of punishment. Since there is no reason to suppose that more modern men than primitive men have innate predatory tendencies, the high crime rate of our society must be due to the pressures that modern conditions put on people, to which many cannot or will not adjust. Thus a treatment designed to remove potential criminal tendencies is at least in part a way of re-engineering people so that they suit the requirements of the system.

155. Our society tends to regard as a “sickness” any mode of thought or behavior that is inconvenient for the system, and this is plausible, because when an individual doesn’t fit into the system it causes pain to the individual as well as problems for the system. Thus the manipulation of an individual to adjust him to the system is seen as a “cure” for a “sickness” and therefore as good.

156. In paragraph 127 we pointed out that if the use of a new item of technology is initially optional, it does not necessarily remain optional, because the new technology tends to change society in such a way that it becomes difficult or impossible for an individual to function without using that technology. This applies also to the technology of human behavior. In a world in which most children are put through a program to make them enthusiastic about studying, a parent will almost be forced to put his kid through such a program, because if he does not, then the kid will grow up to be, comparatively speaking, an ignoramus and therefore unemployable. Or suppose a biological treatment is discovered that, without undesirable side-effects, will greatly reduce the psychological stress from which so many people suffer in our society. If large numbers of people choose to undergo the treatment, then the general level of stress in society will be reduced, so that it will be possible for the system to increase the stress-producing pressures. This will lead more people to undergo the treatment; and so forth, so that eventually the pressures may become so heavy that few people will be able to survive without undergoing the stress-reducing treatment. In fact, something like this seems to have happened already with one of our society’s most important psychological tools for enabling people to reduce (or at least temporarily escape from) stress, namely, mass entertainment (see paragraph 147). Our use of mass entertainment is “optional”: No law requires us to watch television, listen to the radio, read magazines. Yet mass entertainment is a means of escape and stress-reduction on which most of us have become dependent. Everyone complains about the trashiness of television, but almost everyone watches it. A few have kicked the TV habit, but it would be a rare person who could get along today without using any form of mass entertainment. (Yet until quite recently in human history most people got along very nicely with no other entertainment than that which each local community created for itself.) Without the entertainment industry the system probably would not have been able to get away with putting as much stress-producing pressure on us as it does.

157. Assuming that industrial society survives, it is likely that technology will eventually acquire something approaching complete control over human behavior. It has been established beyond any rational doubt that human thought and behavior have a largely biological basis. As experimenters have demonstrated, feelings such as hunger, pleasure, anger and fear can be turned on and off by electrical stimulation of appropriate parts of the brain. Memories can be destroyed by damaging parts of the brain or they can be brought to the surface by electrical stimulation. Hallucinations can be induced or moods changed by drugs. There may or may not be an immaterial human soul, but if there is one it clearly is less powerful than the biological mechanisms of human behavior. For if that were not the case then researchers would not be able so easily to manipulate human feelings and behavior with drugs and electrical currents.

158. It presumably would be impractical for all people to have electrodes inserted in their heads so that they could be controlled by the authorities. But the fact that human thoughts and feelings are so open to biological intervention shows that the problem of controlling human behavior is mainly a technical problem; a problem of neurons, hormones and complex molecules; the kind of problem that is accessible to scientific attack. Given the outstanding record of our society in solving technical problems, it is overwhelmingly probable that great advances will be made in the control of human behavior.

159. Will public resistance prevent the introduction of technological control of human behavior? It certainly would if an attempt were made to introduce such control all at once. But since technological control will be introduced through a long sequence of small advances, there will be no rational and effective public resistance. (See paragraphs 127, 132, 153.)

160. To those who think that all this sounds like science fiction, we point out that yesterday’s science fiction is today’s fact. The Industrial Revolution has radically altered man’s environment and way of life, and it is only to be expected that as technology is increasingly applied to the human body and mind, man himself will be altered as radically as his environment and way of life have been.

Human Race at a Crossroads

161. But we have gotten ahead of our story. It is one thing to develop in the laboratory a series of psychological or biological techniques for manipulating human behavior and quite another to integrate these techniques into a functioning social system. The latter problem is the more difficult of the two. For example, while the techniques of educational psychology doubtless work quite well in the “lab schools” where they are developed, it is not necessarily easy to apply them effectively throughout our educational system. We all know what many of our schools are like. The teachers are too busy taking knives and guns away from the kids to subject them to the latest techniques for making them into computer nerds. Thus, in spite of all its technical advances relating to human behavior, the system to date has not been impressively successful in controlling human beings. The people whose behavior is fairly well under the control of the system are those of the type that might be called “bourgeois.” But there are growing numbers of people who in one way or another are rebels against the system: welfare leeches, youth gangs, cultists, satanists, Nazis, radical environmentalists, militia-men, etc.

162. The system is currently engaged in a desperate struggle to overcome certain problems that threaten its survival, among which the problems of human behavior are the most important. If the system succeeds in acquiring sufficient control over human behavior quickly enough, it will probably survive. Otherwise it will break down. We think the issue will most likely be resolved within the next several decades, say 40 to 100 years.

163. Suppose the system survives the crisis of the next several decades. By that time it will have to have solved, or at least brought under control, the principal problems that confront it, in particular that of “socializing” human beings; that is, making people sufficiently docile so that their behavior no longer threatens the system. That being accomplished, it does not appear that there would be any further obstacle to the development of technology, and it would presumably advance toward its logical conclusion, which is complete control over everything on Earth, including human beings and all other important organisms. The system may become a unitary, monolithic organization, or it may be more or less fragmented and consist of a number of organizations coexisting in a relationship that includes elements of both cooperation and competition, just as today the government, the corporations and other large organizations both cooperate and compete with one another. Human freedom mostly will have vanished, because individuals and small groups will be impotent vis-à-vis large organizations armed with supertechnology and an arsenal of advanced psychological and biological tools for manipulating human beings, besides instruments of surveillance and physical coercion. Only a small number of people will have any real power, and even these probably will have only very limited freedom, because their behavior too will be regulated; just as today our politicians and corporation executives can retain their positions of power only as long as their behavior remains within certain fairly narrow limits.

164. Don’t imagine that the system will stop developing further techniques for controlling human beings and nature once the crisis of the next few decades is over and increasing control is no longer necessary for the system’s survival. On the contrary, once the hard times are over the system will increase its control over people and nature more rapidly, because it will no longer be hampered by difficulties of the kind that it is currently experiencing. Survival is not the principal motive for extending control. As we explained in paragraphs 87-90], technicians and scientists carry on their work largely as a surrogate activity; that is, they satisfy their need for power by solving technical problems. They will continue to do this with unabated enthusiasm, and among the most interesting and challenging problems for them to solve will be those of understanding the human body and mind and intervening in their development. For the “good of humanity,” of course.

165. But suppose on the other hand that the stresses of the coming decades prove to be too much for the system. If the system breaks down there may be a period of chaos, a “time of troubles” such as those that history has recorded at various epochs in the past. It is impossible to predict what would emerge from such a time of troubles, but at any rate the human race would be given a new chance. The greatest danger is that industrial society may begin to reconstitute itself within the first few years after the breakdown. Certainly there will be many people (power-hungry types especially) who will be anxious to get the factories running again.

166. Therefore two tasks confront those who hate the servitude to which the industrial system is reducing the human race. First, we must work to heighten the social stresses within the system so as to increase the likelihood that it will break down or be weakened sufficiently so that a revolution against it becomes possible. Second, it is necessary to develop and propagate an ideology that opposes technology and the industrial system. Such an ideology can become the basis for a revolution against industrial society if and when the system becomes sufficiently weakened. And such an ideology will help to assure that, if and when industrial society breaks down, its remnants will be smashed beyond repair, so that the system cannot be reconstituted. The factories should be destroyed, technical books burned, etc.

Human Suffering

167. The industrial system will not break down purely as a result of revolutionary action. It will not be vulnerable to revolutionary attack unless its own internal problems of development lead it into very serious difficulties. So if the system breaks down it will do so either spontaneously, or through a process that is in part spontaneous but helped along by revolutionaries. If the breakdown is sudden, many people will die, since the world’s population has become so overblown that it cannot even feed itself any longer without advanced technology. Even if the breakdown is gradual enough so that reduction of the population can occur more through lowering of the birth rate than through elevation of the death rate, the process of de-industrialization probably will be very chaotic and involve much suffering. It is naive to think it likely that technology can be phased out in a smoothly managed, orderly way, especially since the technophiles will fight stubbornly at every step. Is it therefore cruel to work for the breakdown of the system? Maybe, but maybe not. In the first place, revolutionaries will not be able to break the system down unless it is already in enough trouble so that there would be a good chance of its eventually breaking down by itself anyway; and the bigger the system grows, the more disastrous the consequences of its breakdown will be; so it may be that revolutionaries, by hastening the onset of the breakdown, will be reducing the extent of the disaster.

168. In the second place, one has to balance struggle and death against the loss of freedom and dignity. To many of us, freedom and dignity are more important than a long life or avoidance of physical pain. Besides, we all have to die sometime, and it may be better to die fighting for survival, or for a cause, than to live a long but empty and purposeless life.

169. In the third place, it is not at all certain that survival of the system will lead to less suffering than the breakdown of the system would. The system has already caused, and is continuing to cause, immense suffering all over the world. Ancient cultures, that for hundreds or thousands of years gave people a satisfactory relationship with each other and with their environment, have been shattered by contact with industrial society, and the result has been a whole catalog of economic, environmental, social and psychological problems. One of the effects of the intrusion of industrial society has been that over much of the world traditional controls on population have been thrown out of balance. Hence the population explosion, with all that that implies. Then there is the psychological suffering that is widespread throughout the supposedly fortunate countries of the West (see paragraphs 44, 45). No one knows what will happen as a result of ozone depletion, the greenhouse effect and other environmental problems that cannot yet be foreseen. And, as nuclear proliferation has shown, new technology cannot be kept out of the hands of dictators and irresponsible Third World nations. Would you like to speculate about what Iraq or North Korea will do with genetic engineering?

170. “Oh!” say the technophiles, “Science is going to fix all that! We will conquer famine, eliminate psychological suffering, make everybody healthy and happy!” Yeah, sure. That’s what they said 200 years ago. The Industrial Revolution was supposed to eliminate poverty, make everybody happy, etc. The actual result has been quite different. The technophiles are hopelessly naive (or self-deceiving) in their understanding of social problems. They are unaware of (or choose to ignore) the fact that when large changes, even seemingly beneficial ones, are introduced into a society, they lead to a long sequence of other changes, most of which are impossible to predict (paragraph 103). The result is disruption of the society. So it is very probable that in their attempts to end poverty and disease, engineer docile, happy personalities and so forth, the technophiles will create social systems that are terribly troubled, even more so than the present one. For example, the scientists boast that they will end famine by creating new, genetically engineered food plants. But this will allow the human population to keep expanding indefinitely, and it is well known that crowding leads to increased stress and aggression. This is merely one example of the predictable problems that will arise. We emphasize that, as past experience has shown, technical progress will lead to other new problems that cannot be predicted in advance (paragraph 103). In fact, ever since the Industrial Revolution technology has been creating new problems for society far more rapidly that it has been solving old ones. Thus it will take a long and difficult period of trial and error for the technophiles to work the bugs out of their Brave New World (if they ever do). In the mean time there will be great suffering. So it is not at all clear that the survival of industrial society would involve less suffering than the breakdown of that society would. Technology has gotten the human race into a fix from which there is not likely to be any easy escape.

The Future

171. But suppose now that industrial society does survive the next several decades and that the bugs do eventually get worked out of the system, so that it functions smoothly. What kind of system will it be? We will consider several possibilities.

172. First let us postulate that the computer scientists succeed in developing intelligent machines that can do all things better than human beings can do them. In that case presumably all work will be done by vast, highly organized systems of machines and no human effort will be necessary. Either of two cases might occur. The machines might be permitted to make all of their own decisions without human oversight, or else human control over the machines might be retained.

173. If the machines are permitted to make all their own decisions we can’t make any conjecture as to the results, because it is impossible to guess how such machines might behave. We only point out that the fate of the human race would be at the mercy of the machines. It might be argued that the human race would never be foolish enough to hand over all power to the machines. But we are suggesting neither that the human race would voluntarily turn power over to the machines nor that the machines would willfully seize power. What we do suggest is that the human race might easily permit itself to drift into a position of such dependence on the machines that it would have no practical choice but to accept all of the machines’ decisions. As society and the problems that face it become more and more complex and as machines become more and more intelligent, people will let machines make more and more of their decisions for them, simply because machine-made decisions will bring better results than man-made ones. Eventually a stage may be reached at which the decisions necessary to keep the system running will be so complex that human beings will be incapable of making them intelligently. At that stage the machines will be in effective control. People won’t be able to just turn the machines off, because they will be so dependent on them that turning them off would amount to suicide.

174. On the other hand it is possible that human control over the machines may be retained. In that case the average man may have control over certain private machines of his own, such as his car or his personal computer, but control over large systems of machines will be in the hands of a tiny elite-just as it is today, but with two differences. Due to improved techniques the elite will have greater control over the masses; and because human work will no longer be necessary the masses will be superfluous, a useless burden on the system. If the elite is ruthless they may simply decide to exterminate the mass of humanity. If they are humane they may use propaganda or other psychological or biological techniques to reduce the birth rate until the mass of humanity becomes extinct, leaving the world to the elite. Or, if the elite consist of soft-hearted liberals, they may decide to play the role of good shepherds to the rest of the human race. They will see to it that everyone’s physical needs are satisfied, that all children are raised under psychologically hygienic conditions, that everyone has a wholesome hobby to keep him busy, and that anyone who may become dissatisfied undergoes “treatment” to cure his “problem.” Of course, life will be so purposeless that people will have to be biologically or psychologically engineered either to remove their need for the power process or to make them “sublimate” their drive for power into some harmless hobby. These engineered human beings may be happy in such a society, but they most certainly will not be free. They will have been reduced to the status of domestic animals.

175. But suppose now that the computer scientists do not succeed in developing artificial intelligence, so that human work remains necessary. Even so, machines will take care of more and more of the simpler tasks so that there will be an increasing surplus of human workers at the lower levels of ability. (We see this happening already. There are many people who find it difficult or impossible to get work, because for intellectual or psychological reasons they cannot acquire the level of training necessary to make themselves useful in the present system.) On those who are employed, ever-increasing demands will be placed: They will need more and more training, more and more ability, and will have to be ever more reliable, conforming and docile, because they will be more and more like cells of a giant organism. Their tasks will be increasingly specialized so that their work will be, in a sense, out of touch with the real world, being concentrated on one tiny slice of reality. The system will have to use any means that it can, whether psychological or biological, to engineer people to be docile, to have the abilities that the system requires and to “sublimate” their drive for power into some specialized task. But the statement that the people of such a society will have to be docile may require qualification. The society may find competitiveness useful, provided that ways are found of directing competitiveness into channels that serve the needs of the system. We can imagine a future society in which there is endless competition for positions of prestige and power. But no more than a very few people will ever reach the top, where the only real power is (see end of paragraph 163). Very repellent is a society in which a person can satisfy his need for power only by pushing large numbers of other people out of the way and depriving them of their opportunity for power.

176. One can envision scenarios that incorporate aspects of more than one of the possibilities that we have just discussed. For instance, it may be that machines will take over most of the work that is of real, practical importance, but that human beings will be kept busy by being given relatively unimportant work. It has been suggested, for example, that a great development of the service industries might provide work for human beings. Thus people would spend their time shining each other’s shoes, driving each other around in taxicabs, making handicrafts for one another, waiting on each other’s tables, etc. This seems to us a thoroughly contemptible way for the human race to end up, and we doubt that many people would find fulfilling lives in such pointless busy-work. They would seek other, dangerous outlets (drugs, crime, “cults,” hate groups) unless they were biologically or psychologically engineered to adapt them to such a way of life.

177. Needless to say, the scenarios outlined above do not exhaust all the possibilities. They only indicate the kinds of outcomes that seem to us most likely. But we can envision no plausible scenarios that are any more palatable than the ones we’ve just described. It is overwhelmingly probable that if the industrial-technological system survives the next 40 to 100 years, it will by that time have developed certain general characteristics: Individuals (at least those of the “bourgeois” type, who are integrated into the system and make it run, and who therefore have all the power) will be more dependent than ever on large organizations; they will be more “socialized” than ever and their physical and mental qualities to a significant extent (possibly to a very great extent ) will be those that are engineered into them rather than being the results of chance (or of God’s will, or whatever); and whatever may be left of wild nature will be reduced to remnants preserved for scientific study and kept under the supervision and management of scientists (hence it will no longer be truly wild). In the long run (say a few centuries from now) it is likely that neither the human race nor any other important organisms will exist as we know them today, because once you start modifying organisms through genetic engineering there is no reason to stop at any particular point, so that the modifications will probably continue until man and other organisms have been utterly transformed.

178. Whatever else may be the case, it is certain that technology is creating for human beings a new physical and social environment radically different from the spectrum of environments to which natural selection has adapted the human race physically and psychologically. If man is not adjusted to this new environment by being artificially re-engineered, then he will be adapted to it through a long and painful process of natural selection. The former is far more likely than the latter.

179. It would be better to dump the whole stinking system and take the consequences.

Strategy

180. The technophiles are taking us all on an utterly reckless ride into the unknown. Many people understand something of what technological progress is doing to us, yet take a passive attitude toward it because they think it is inevitable. But we (FC) don’t think it is inevitable. We think it can be stopped, and we will give here some indications of how to go about stopping it.

181. As we stated in paragraph 166, the two main tasks for the present are to promote social stress and instability in industrial society and to develop and propagate an ideology that opposes technology and the industrial system. When the system becomes sufficiently stressed and unstable, a revolution against technology may be possible. The pattern would be similar to that of the French and Russian Revolutions. French society and Russian society, for several decades prior to their respective revolutions, showed increasing signs of stress and weakness. Meanwhile, ideologies were being developed that offered a new world-view that was quite different from the old one. In the Russian case revolutionaries were actively working to undermine the old order. Then, when the old system was put under sufficient additional stress (by financial crisis in France, by military defeat in Russia) it was swept away by revolution. What we propose is something along the same lines.

182. It will be objected that the French and Russian Revolutions were failures. But most revolutions have two goals. One is to destroy an old form of society and the other is to set up the new form of society envisioned by the revolutionaries. The French and Russian revolutionaries failed (fortunately!) to create the new kind of society of which they dreamed, but they were quite successful in destroying the old society. We have no illusions about the feasibility of creating a new, ideal form of society. Our goal is only to destroy the existing form of society.

183. But an ideology, in order to gain enthusiastic support, must have a positive ideal as well as a negative one; it must be for something as well as against something. The positive ideal that we propose is Nature. That is, wild nature: Those aspects of the functioning of the Earth and its living things that are independent of human management and free of human interference and control. And with wild nature we include human nature, by which we mean those aspects of the functioning of the human individual that are not subject to regulation by organized society but are products of chance, or free will, or God (depending on your religious or philosophical opinions).

184. Nature makes a perfect counter-ideal to technology for several reasons. Nature (that which is outside the power of the system) is the opposite of technology (which seeks to expand indefinitely the power of the system). Most people will agree that nature is beautiful; certainly it has tremendous popular appeal. The radical environmentalists already hold an ideology that exalts nature and opposes technology.[30] It is not necessary for the sake of nature to set up some chimerical utopia or any new kind of social order. Nature takes care of itself: It was a spontaneous creation that existed long before any human society, and for countless centuries many different kinds of human societies coexisted with nature without doing it an excessive amount of damage. Only with the Industrial Revolution did the effect of human society on nature become really devastating. To relieve the pressure on nature it is not necessary to create a special kind of social system, it is only necessary to get rid of industrial society. Granted, this will not solve all problems. Industrial society has already done tremendous damage to nature and it will take a very long time for the scars to heal. Besides, even preindustrial societies can do significant damage to nature. Nevertheless, getting rid of industrial society will accomplish a great deal. It will relieve the worst of the pressure on nature so that the scars can begin to heal. It will remove the capacity of organized society to keep increasing its control over nature (including human nature). Whatever kind of society may exist after the demise of the industrial system, it is certain that most people will live close to nature, because in the absence of advanced technology there is no other way that people can live. To feed themselves they must be peasants, or herdsmen, or fishermen, or hunters, etc. And, generally speaking, local autonomy should tend to increase, because lack of advanced technology and rapid communications will limit the capacity of governments or other large organizations to control local communities.

185. As for the negative consequences of eliminating industrial society—well, you can’t eat your cake and have it too. To gain one thing you have to sacrifice another.

186. Most people hate psychological conflict. For this reason they avoid doing any serious thinking about difficult social issues, and they like to have such issues presented to them in simple, black-and-white terms: this is all good and that is all bad. The revolutionary ideology should therefore be developed on two levels.

187. On the more sophisticated level the ideology should address itself to people who are intelligent, thoughtful and rational. The object should be to create a core of people who will be opposed to the industrial system on a rational, thought-out basis, with full appreciation of the problems and ambiguities involved, and of the price that has to be paid for getting rid of the system. It is particularly important to attract people of this type, as they are capable people and will be instrumental in influencing others. These people should be addressed on as rational a level as possible. Facts should never intentionally be distorted and intemperate language should be avoided. This does not mean that no appeal can be made to the emotions, but in making such appeal, care should be taken to avoid misrepresenting the truth or doing anything else that would destroy the intellectual respectability of the ideology.

188. On a second level, the ideology should be propagated in a simplified form that will enable the unthinking majority to see the conflict of technology vs. nature in unambiguous terms. But even on this second level the ideology should not be expressed in language that is so cheap, intemperate or irrational that it alienates people of the thoughtful and rational type. Cheap, intemperate propaganda sometimes achieves impressive short-term gains, but it will be more advantageous in the long run to keep the loyalty of a small number of intelligently committed people than to arouse the passions of an unthinking, fickle mob who will change their attitude as soon as someone comes along with a better propaganda gimmick. However, propaganda of the rabble-rousing type may be necessary when the system is nearing the point of collapse and there is a final struggle between rival ideologies to determine which will become dominant when the old world-view goes under.

189. Prior to that final struggle, the revolutionaries should not expect to have a majority of people on their side. History is made by active, determined minorities, not by the majority, which seldom has a clear and consistent idea of what it really wants. Until the time comes for the final push toward revolution,[31] the task of revolutionaries will be less to win the shallow support of the majority than to build a small core of deeply committed people. As for the majority, it will be enough to make them aware of the existence of the new ideology and remind them of it frequently; though of course it will be desirable to get majority support to the extent that this can be done without weakening the core of seriously committed people.

190. Any kind of social conflict helps to destabilize the system, but one should be careful about what kind of conflict one encourages. The line of conflict should be drawn between the mass of the people and the power-holding elite of industrial society (politicians, scientists, upper-level business executives, government officials, etc.). It should not be drawn between the revolutionaries and the mass of the people. For example, it would be bad strategy for the revolutionaries to condemn Americans for their habits of consumption. Instead, the average American should be portrayed as a victim of the advertising and marketing industry, which has suckered him into buying a lot of junk that he doesn’t need and that is very poor compensation for his lost freedom. Either approach is consistent with the facts. It is merely a matter of attitude whether you blame the advertising industry for manipulating the public or blame the public for allowing itself to be manipulated. As a matter of strategy one should generally avoid blaming the public.

191. One should think twice before encouraging any other social conflict than that between the power-holding elite (which wields technology) and the general public (over which technology exerts its power). For one thing, other conflicts tend to distract attention from the important conflicts (between power-elite and ordinary people, between technology and nature); for another thing, other conflicts may actually tend to encourage technologization, because each side in such a conflict wants to use technological power to gain advantages over its adversary. This is clearly seen in rivalries between nations. It also appears in ethnic conflicts within nations. For example, in America many black leaders are anxious to gain power for African-Americans by placing black individuals in the technological power-elite. They want there to be many black government officials, scientists, corporation executives and so forth. In this way they are helping to absorb the African-American subculture into the technological system. Generally speaking, one should encourage only those social conflicts that can be fitted into the framework of the conflicts of power-elite vs. ordinary people, technology vs. nature.

192. But the way to discourage ethnic conflict is not through militant advocacy of minority rights (see paragraphs 21, 29). Instead, the revolutionaries should emphasize that although minorities do suffer more or less disadvantage, this disadvantage is of peripheral significance. Our real enemy is the industrial-technological system, and in the struggle against the system, ethnic distinctions are of no importance.

193. The kind of revolution we have in mind will not necessarily involve an armed uprising against any government. It may or may not involve physical violence, but it will not be a political revolution. Its focus will be on technology and economics, not politics.[32]

194. Probably the revolutionaries should even avoid assuming political power, whether by legal or illegal means, until the industrial system is stressed to the danger point and has proved itself to be a failure in the eyes of most people. Suppose for example that some “green” party should win control of the United States Congress in an election. In order to avoid betraying or watering down their own ideology they would have to take vigorous measures to turn economic growth into economic shrinkage. To the average man the results would appear disastrous: There would be massive unemployment, shortages of commodities, etc. Even if the grosser ill effects could be avoided through superhumanly skillful management, still people would have to begin giving up the luxuries to which they have become addicted. Dissatisfaction would grow, the “green” party would be voted out of office and the revolutionaries would have suffered a severe setback. For this reason the revolutionaries should not try to acquire political power until the system has gotten itself into such a mess that any hardships will be seen as resulting from the failures of the industrial system itself and not from the policies of the revolutionaries. The revolution against technology will probably have to be a revolution by outsiders, a revolution from below and not from above.

195. The revolution must be international and worldwide. It cannot be carried out on a nation-by-nation basis. Whenever it is suggested that the United States, for example, should cut back on technological progress or economic growth, people get hysterical and start screaming that if we fall behind in technology the Japanese will get ahead of us. Holy robots! The world will fly off its orbit if the Japanese ever sell more cars than we do! (Nationalism is a great promoter of technology.) More reasonably, it is argued that if the relatively democratic nations of the world fall behind in technology while nasty, dictatorial nations like China, Vietnam and North Korea continue to progress, eventually the dictators may come to dominate the world. That is why the industrial system should be attacked in all nations simultaneously, to the extent that this may be possible. True, there is no assurance that the industrial system can be destroyed at approximately the same time all over the world, and it is even conceivable that the attempt to overthrow the system could lead instead to the domination of the system by dictators. That is a risk that has to be taken. And it is worth taking, since the difference between a “democratic” industrial system and one controlled by dictators is small compared with the difference between an industrial system and a non-industrial one.[33] It might even be argued that an industrial system controlled by dictators would be preferable, because dictator-controlled systems usually have proved inefficient, hence they are presumably more likely to break down. Look at Cuba.

196. Revolutionaries might consider favoring measures that tend to bind the world economy into a unified whole. Free trade agreements like NAFTA and GATT are probably harmful to the environment in the short run, but in the long run they may perhaps be advantageous because they foster economic interdependence between nations. It will be easier to destroy the industrial system on a worldwide basis if the world economy is so unified that its breakdown in any one major nation will lead to its breakdown in all industrialized nations.

197. Some people take the line that modern man has too much power, too much control over nature; they argue for a more passive attitude on the part of the human race. At best these people are expressing themselves unclearly, because they fail to distinguish between power for large organizations and power for individuals and small groups. It is a mistake to argue for powerlessness and passivity, because people need power. Modern man as a collective entity—that is, the industrial system—has immense power over nature, and we (FC) regard this as evil. But modern individuals and small groups of individuals have far less power than primitive man ever did. Generally speaking, the vast power of “modern man” over nature is exercised not by individuals or small groups but by large organizations. To the extent that the average modern individual can wield the power of technology, he is permitted to do so only within narrow limits and only under the supervision and control of the system. (You need a license for everything and with the license come rules and regulations.) The individual has only those technological powers with which the system chooses to provide him. His personal power over nature is slight.

198. Primitive individuals and small groups actually had considerable power over nature; or maybe it would be better to say power within nature. When primitive man needed food he knew how to find and prepare edible roots, how to track game and take it with homemade weapons. He knew how to protect himself from heat, cold, rain, dangerous animals, etc. But primitive man did relatively little damage to nature because the collective power of primitive society was negligible compared to the collective power of industrial society.

199. Instead of arguing for powerlessness and passivity, one should argue that the power of the industrial system should be broken, and that this will greatly increase the power and freedom of individualsand small groups.

200 Until the industrial system has been thoroughly wrecked, the destruction of that system must be the revolutionaries’ only goal. Other goals would distract attention and energy from the main goal. More importantly, if the revolutionaries permit themselves to have any other goal than the destruction of technology, they will be tempted to use technology as a tool for reaching that other goal. If they give in to that temptation, they will fall right back into the technological trap, because modern technology is a unified, tightly organized system, so that, in order to retain some technology, one finds oneself obliged to retain most technology, hence one ends up sacrificing only token amounts of technology.

201. Suppose for example that the revolutionaries took “social justice” as a goal. Human nature being what it is, social justice would not come about spontaneously; it would have to be enforced. In order to enforce it the revolutionaries would have to retain central organization and control. For that they would need rapid long-distance transportation and communication, and therefore all the technology needed to support the transportation and communication systems. To feed and clothe poor people they would have to use agricultural and manufacturing technology. And so forth. So that the attempt to ensure social justice would force them to retain most parts of the technological system. Not that we have anything against social justice, but it must not be allowed to interfere with the effort to get rid of the technological system.

202. It would be hopeless for revolutionaries to try to attack the system without using some modern technology. If nothing else they must use the communications media to spread their message. But they should use modern technology for only one purpose: to attack the technological system.

203. Imagine an alcoholic sitting with a barrel of wine in front of him. Suppose he starts saying to himself, “Wine isn’t bad for you if used in moderation. Why, they say small amounts of wine, are even good for you! It won’t do me any harm if I take just one little drink…” Well, you know what is going to happen. Never forget that the human race with technology is just like an alcoholic with a barrel of wine.

204. Revolutionaries should have as many children as they can. There is strong scientific evidence that social attitudes are to a significant extent inherited. No one suggests that a social attitude is a direct outcome of a person’s genetic constitution, but it appears that personality traits are partly inherited and that certain personality traits tend, within the context of our society, to make a person more likely to hold this or that social attitude. Objections to these findings have been raised, but the objections are feeble and seem to be ideologically motivated. In any event, no one denies that children tend on the average to hold social attitudes similar to those of their parents. From our point of view it doesn’t matter all that much whether the attitudes are passed on genetically or through childhood training. In either case they are passed on.

205. The trouble is that many of the people who are inclined to rebel against the industrial system are also concerned about the population problem, hence they are apt to have few or no children. In this way they may be handing the world over to the sort of people who support or at least accept the industrial system. To ensure the strength of the next generation of revolutionaries the present generation should reproduce itself abundantly. In doing so they will be worsening the population problem only slightly. And the most important problem is to get rid of the industrial system, because once the industrial system is gone the world’s population necessarily will decrease (see paragraph 167); whereas, if the industrial system survives, it will continue developing new techniques of food production that may enable the world’s population to keep increasing almost indefinitely.

206. With regard to revolutionary strategy, the only points on which we absolutely insist are that the single, overriding goal must be the elimination of modern technology, and that no other goal can be allowed to compete with this one. For the rest, revolutionaries should take an empirical approach. If experience indicates that some of the recommendations made in the foregoing paragraphs are not going to give good results, then those recommendations should be discarded.

Two Kinds of Technology

207. An argument likely to be raised against our proposed revolution is that it is bound to fail, because (it is claimed) throughout history technology has always progressed, never regressed, hence technological regression is impossible. But this claim is false.

208. We distinguish between two kinds of technology, which we will call small-scale technology and organization-dependent technology. Small-scale technology is technology that can be used by small-scale communities without outside assistance. Organization-dependent technology is technology that depends on large-scale social organization. We are aware of no significant cases of regression in small-scale technology. But organization-dependent technology does regress when the social organization on which it depends breaks down. Example: When the Roman Empire fell apart the Romans’ small-scale technology survived because any clever village craftsman could build, for instance, a water wheel, any skilled smith could make steel by Roman methods, and so forth. But the Romans’ organization-dependent technology did regress. Their aqueducts fell into disrepair and were never rebuilt. Their techniques of road construction were lost. The Roman system of urban sanitation was forgotten, so that not until rather recent times did the sanitation of European cities equal that of ancient Rome.

209. The reason why technology has seemed always to progress is that, until perhaps a century or two before the Industrial Revolution, most technology was small-scale technology. But most of the technology developed since the Industrial Revolution is organization-dependent technology. Take the refrigerator for example. Without factory-made parts or the facilities of a post-industrial machine shop it would be virtually impossible for a handful of local craftsmen to build a refrigerator. If by some miracle they did succeed in building one it would be useless to them without a reliable source of electric power. So they would have to dam a stream and build a generator. Generators require large amounts of copper wire. Imagine trying to make that wire without modern machinery. And where would they get a gas suitable for refrigeration? It would be much easier to build an icehouse or preserve food by drying or pickling, as was done before the invention of the refrigerator.

200. So it is clear that if the industrial system were once thoroughly broken down, refrigeration technology would quickly be lost. The same is true of other organization-dependent technology. And once this technology had been lost for a generation or so it would take centuries to rebuild it, just as it took centuries to build it the first time around. Surviving technical books would be few and scattered. An industrial society, if built from scratch without outside help, can only be built in a series of stages: You need tools to make tools to make tools to make tools…A long process of economic development and progress in social organization is required. And, even in the absence of an ideology opposed to technology, there is no reason to believe that anyone would be interested in rebuilding industrial society. The enthusiasm for “progress” is a phenomenon peculiar to the modern form of society, and it seems not to have existed prior to the 17th century or thereabouts.

211. In the late Middle Ages there were four main civilizations that were about equally “advanced”: Europe, the Islamic world, India, and the Far East (China, Japan, Korea). Three of these civilizations remained more or less stable, and only Europe became dynamic. No one knows why Europe became dynamic at that time; historians have their theories but these are only speculation. At any rate it is clear that rapid development toward a technological form of society occurs only under special conditions. So there is no reason to assume that a long-lasting technological regression cannot be brought about.

212. Would society eventually develop again toward an industrial-technological form? Maybe, but there is no use in worrying about it, since we can’t predict or control events 500 or 1,000 years in the future. Those problems must be dealt with by the people who will live at that time.

The Danger of Leftism

213. Because of their need for rebellion and for membership in a movement, leftists or persons of similar psychological type often are attracted to a rebellious or activist movement whose goals and membership are not initially leftist. The resulting influx of leftish types can easily turn a non-leftist movement into a leftist one, so that leftist goals replace or distort the original goals of the movement.

214. To avoid this, a movement that exalts nature and opposes technology must take a resolutely anti-leftist stance and must avoid all collaboration with leftists. Leftism is in the long run inconsistent with wild nature, with human freedom and with the elimination of modern technology. Leftism is collectivist; it seeks to bind together the entire world (both nature and the human race) into a unified whole. But this implies management of nature and of human life by organized society, and it requires advanced technology. You can’t have a united world without rapid long-distance transportation and communication, you can’t make all people love one another without sophisticated psychological techniques, you can’t have a “planned society” without the necessary technological base. Above all, leftism is driven by the need for power, and the leftist seeks power on a collective basis, through identification with a mass movement or an organization. Leftism is unlikely ever to give up technology, because technology is too valuable a source of collective power.

215. The anarchist[34] too seeks power, but he seeks it on an individual or small-group basis; he wants individuals and small groups to be able to control the circumstances of their own lives. He opposes technology because it makes small groups dependent on large organizations.

216. Some leftists may seem to oppose technology, but they will oppose it only so long as they are outsiders and the technological system is controlled by non-leftists. If leftism ever becomes dominant in society, so that the technological system becomes a tool in the hands of leftists, they will enthusiastically use it and promote its growth. In doing this they will be repeating a pattern that leftism has shown again and again in the past. When the Bolsheviks in Russia were outsiders, they vigorously opposed censorship and the secret police, they advocated self-determination for ethnic minorities, and so forth; but as soon as they came into power themselves, they imposed a tighter censorship and created a more ruthless secret police than any that had existed under the tsars, and they oppressed ethnic minorities at least as much as the tsars had done. In the United States, a couple of decades ago when leftists were a minority in our universities, leftist professors were vigorous proponents of academic freedom, but today, in those of our universities where leftists have become dominant, they have shown themselves ready to take away everyone else’s academic freedom. (This is “political correctness.”) The same will happen with leftists and technology: They will use it to oppress everyone else if they ever get it under their own control.

217. In earlier revolutions, leftists of the most power-hungry type, repeatedly, have first cooperated with non-leftist revolutionaries, as well as with leftists of a more libertarian inclination, and later have double-crossed them to seize power for themselves. Robespierre did this in the French Revolution, the Bolsheviks did it in the Russian Revolution, the communists did it in Spain in 1938 and Castro and his followers did it in Cuba. Given the past history of leftism, it would be utterly foolish for non-leftist revolutionaries today to collaborate with leftists.

218. Various thinkers have pointed out that leftism is a kind of religion. Leftism is not a religion in the strict sense because leftist doctrine does not postulate the existence of any supernatural being. But for the leftist, leftism plays a psychological role much like that which religion plays for some people. The leftist needs to believe in leftism; it plays a vital role in his psychological economy. His beliefs are not easily modified by logic or facts. He has a deep conviction that leftism is morally Right with a capital R, and that he has not only a right but a duty to impose leftist morality on everyone. (However, many of the people we are referring to as “leftists” do not think of themselves as leftists and would not describe their system of beliefs as leftism. We use the term “leftism” because we don’t know of any better word to designate the spectrum of related creeds that includes the feminist, gay rights, political correctness, etc., movements, and because these movements have a strong affinity with the old left. See paragraphs 227-230.)

219. Leftism is totalitarian force. Wherever leftism is in a position of power it tends to invade every private corner and force every thought into a leftist mold. In part this is because of the quasi-religious character of leftism: Everything contrary to leftist beliefs represents Sin. More importantly, leftism is a totalitarian force because of the leftists’ drive for power. The leftist seeks to satisfy his need for power through identification with a social movement, and he tries to go through the power process by helping to pursue and attain the goals of the movement (see paragraph 83). But no matter how far the movement has gone in attaining its goals the leftist is never satisfied, because his activism is a surrogate activity (see paragraph 41). That is, the leftist’s real motive is not to attain the ostensible goals of leftism; in reality he is motivated by the sense of power he gets from struggling for and then reaching a social goal.[35] Consequently the leftist is never satisfied with the goals he has already attained; his need for the power process leads him always to pursue some new goal. The leftist wants equal opportunities for minorities. When that is attained he insists on statistical equality of achievement by minorities. And as long as anyone harbors in some corner of his mind a negative attitude toward some minority, the leftist has to re-educate him. And ethnic minorities are not enough; no one can be allowed to have a negative attitude toward homosexuals, disabled people, fat people, old people, ugly people, and on and on and on. It’s not enough that the public should be informed about the hazards of smoking; a warning has to be stamped on every package of cigarettes. Then cigarette advertising has to be restricted if not banned. The activists will never be satisfied until tobacco is outlawed, and after that it will be alcohol, then junk food, etc. Activists have fought gross child abuse, which is reasonable. But now they want to stop all spanking. When they have done that they will want to ban something else they consider unwholesome, then another thing and then another. They will never be satisfied until they have complete control over all child-rearing practices. And then they will move on to another cause.

220. Suppose you asked leftists to make a list of all the things that were wrong with society, and then suppose you instituted every social change that they demanded. It is safe to say that within a couple of years the majority of leftists would find something new to complain about, some new social “evil” to correct; because, once again, the leftist is motivated less by distress at society’s ills than by the need to satisfy his drive for power by imposing his solutions on society.

221. Because of the restrictions placed on their thought and behavior by their high level of socialization, many leftists of the oversocialized type cannot pursue power in the ways that other people do. For them the drive for power has only one morally acceptable outlet, and that is in the struggle to impose their morality on everyone.

222. Leftists, especially those of the oversocialized type, are True Believers in the sense of Eric Hoffer’s book, The True Believer. But not all True Believers are of the same psychological type as leftists. Presumably a true-believing Nazi, for instance, is very different psychologically from a true-believing leftist. Because of their capacity for single-minded devotion to a cause, True Believers are a useful, perhaps a necessary, ingredient of any revolutionary movement. This presents a problem with which we must admit we don’t know how to deal. We aren’t sure how to harness the energies of the True Believer to a revolution against technology. At present all we can say is that no True Believer will make a safe recruit to the revolution unless his commitment is exclusively to the destruction of technology. If he is committed also to another ideal, he may want to use technology as a tool for pursuing that other ideal. (See paragraphs 200, 201.)

223. Some readers may say, “This shit about leftism is a lot of crap. I know John and Jane who are leftish types and they don’t have all these totalitarian tendencies.” It’s quite true that many leftists, possibly even a numerical majority, are decent people who sincerely believe in tolerating others’ values (up to a point) and wouldn’t want to use high-handed methods to reach their social goals. Our remarks about leftism are not meant to apply to every individual leftist but to describe the general character of leftism as a movement. And the general character of a movement is not necessarily determined by the numerical proportions of the various kinds of people involved in the movement.

224. The people who rise to positions of power in leftist movements tend to be leftists of the most power-hungry type, because power-hungry people are those who strive hardest to get into positions of power. Once the power-hungry types have captured control of the movement, there are many leftists of a gentler breed who inwardly disapprove of many of the actions of the leaders, but cannot bring themselves to oppose them. They need their faith in the movement, and because they cannot give up this faith they go along with the leaders. True, some leftists do have the guts to oppose the totalitarian tendencies that emerge, but they generally lose, because the power-hungry types are better organized, are more ruthless and Machiavellian and have taken care to build themselves a strong power-base.

225. These phenomena appeared clearly in Russia and other countries that were taken over by leftists. Similarly, before the breakdown of communism in the USSR, leftish types in the West would seldom criticize that country. If prodded they would admit that the USSR did many wrong things, but then they would try to find excuses for the communists and begin talking about the faults of the West. They always opposed Western military resistance to communist aggression. Leftish types all over the world vigorously protested the U.S. military action in Vietnam, but when the USSR invaded Afghanistan they did nothing. Not that they approved of the Soviet actions; but, because of their leftist faith, they just couldn’t bear to put themselves in opposition to communism. Today, in those of our universities where “political correctness” has become dominant, there are probably many leftish types who privately disapprove of the suppression of academic freedom, but they go along with it anyway.

226. Thus the fact that many individual leftists are personally mild and fairly tolerant people by no means prevents leftism as a whole from having a totalitarian tendency.

227. Our discussion of leftism has a serious weakness. It is still far from clear what we mean by the word “leftist.” There doesn’t seem to be much we can do about this. Today leftism is fragmented into a whole spectrum of activist movements. Yet not all activist movements are leftist, and some activist movements (e.g., radical environmentalism) seem to include both personalities of the leftist type and personalities of thoroughly un-leftist types who ought to know better than to collaborate with leftists. Varieties of leftists fade out gradually into varieties of non-leftists and we ourselves would often be hard-pressed to decide whether a given individual is or is not a leftist. To the extent that it is defined at all, our conception of leftism is defined by the discussion of it that we have given in this article, and we can only advise the reader to use his own judgment in deciding who is a leftist.

228. But it will be helpful to list some criteria for diagnosing leftism. These criteria cannot be applied in a cut and dried manner. Some individuals may meet some of the criteria without being leftists, some leftists may not meet any of the criteria. Again, you just have to use your judgment.

229. The leftist is oriented toward large-scale collectivism. He emphasizes the duty of the individual to serve society and the duty of society to take care of the individual. He has a negative attitude toward individualism. He often takes a moralistic tone. He tends to be for gun control, for sex education and other psychologically “enlightened” educational methods, for social planning, for affirmative action, for multiculturalism. He tends to identify with victims. He tends to be against competition and against violence, but he often finds excuses for those leftists who do commit violence. He is fond of using the common catchphrases of the left, like “racism,” “sexism,” “homophobia,” “capitalism,” “imperialism,” “neocolonialism,” “genocide,” “social change,” “social justice,” “social responsibility.” Maybe the best diagnostic trait of the leftist is his tendency to sympathize with the following movements: feminism, gay rights, ethnic rights, disability rights, animal rights political correctness. Anyone who strongly sympathizes with all of these movements is almost certainly a leftist.[36]

230. The more dangerous leftists, that is, those who are most power-hungry, are often characterized by arrogance or by a dogmatic approach to ideology. However, the most dangerous leftists of all may be certain oversocialized types who avoid irritating displays of aggressiveness and refrain from advertising their leftism, but work quietly and unobtrusively to promote collectivist values, “enlightened” psychological techniques for socializing children, dependence of the individual on the system, and so forth. These crypto-leftists (as we may call them) approximate certain bourgeois types as far as practical action is concerned, but differ from them in psychology, ideology and motivation. The ordinary bourgeois tries to bring people under control of the system in order to protect his way of life, or he does so simply because his attitudes are conventional. The crypto-leftist tries to bring people under control of the system because he is a True Believer in a collectivistic ideology. The crypto-leftist is differentiated from the average leftist of the oversocialized type by the fact that his rebellious impulse is weaker and he is more securely socialized. He is differentiated from the ordinary well-socialized bourgeois by the fact that there is some deep lack within him that makes it necessary for him to devote himself to a cause and immerse himself in a collectivity. And maybe his (well-sublimated) drive for power is stronger than that of the average bourgeois.

Final Note

231. Throughout this article we’ve made imprecise statements and statements that ought to have had all sorts of qualifications and reservations attached to them; and some of our statements may be flatly false. Lack of sufficient information and the need for brevity made it impossible for us to formulate our assertions more precisely or add all the necessary qualifications. And of course in a discussion of this kind one must rely heavily on intuitive judgment, and that can sometimes be wrong. So we don’t claim that this article expresses more than a crude approximation to the truth.

232. All the same, we are reasonably confident that the general outlines of the picture we have painted here are roughly correct. Just one possible weak point needs to be mentioned. We have portrayed leftism in its modern form as a phenomenon peculiar to our time and as a symptom of the disruption of the power process. But we might possibly be wrong about this. Oversocialized types who try to satisfy their drive for power by imposing their morality on everyone have certainly been around for a long time. But we think that the decisive role played by feelings of inferiority, low self-esteem, powerlessness, identification with victims by people who are not themselves victims, is a peculiarity of modern leftism. Identification with victims by people not themselves victims can be seen to some extent in 19th-century leftism and early Christianity, but as far as we can make out, symptoms of low self-esteem, etc., were not nearly so evident in these movements, or in any other movements, as they are in modern leftism. But we are not in a position to assert confidently that no such movements have existed prior to modern leftism. This is a significant question to which historians ought to give their attention.

Postscript to the Manifesto (2010)

The Manifesto, Industrial Society and its Future, has been criticized as “unoriginal,” but this misses the point. The Manifesto was never intended to be original. Its purpose was to set forth certain points about modern technology in clear and relatively brief form, so that those points could be read and understood by people who would never work their way through a difficult text such as Jacques Ellul’sTechnological Society.

The accusation of unoriginality is in any case irrelevant. Is it important for the future of the world to know whether Ted Kaczynski is original or unoriginal? Obviously not! But it is indeed important for the future of the world to know whether modern technology has us on the road to disaster, whether anything short of revolution can avert that disaster, and whether the political left is an obstacle to revolution. So why have critics, for the most part, ignored the substance of the arguments raised in the Manifesto and wasted words on matters of negligible importance, such as the author’s putative lack of originality and the defects of his style? Clearly, the critics can’t answer the substance of the Manifesto’s reasoning, so they try to divert their own and others’ attention from its arguments by attacking irrelevant aspects of the Manifesto.

One doesn’t need to be original to recognize that technological progress is taking us down the road to disaster, and that nothing short of the overthrow of the entire technological system will get us off that road. In other words, only by accepting a massive disaster now can we avoid a far worse disaster later. But most of our intellectuals—and here I use that term in a broad sense—prefer not to face up to this frightening dilemma because, after all, they are not very brave, and they find it more comfortable to spend their time perfecting society’s solutions to problems left over from the 19th century, such as those of social inequality, colonialism, cruelty to animals, and the like.

I haven’t read everything that’s been written on the technology problem, and it’s possible that the Manifesto may have been preceded by some other text that expounded the problem in equally brief and accessible form. But even so it would not follow that the Manifesto was superfluous. However familiar its points may be to social scientists, those points still have not come to the attention of many other people who ought to be aware of them. More importantly, the available knowledge on this subject is not being applied. I don’t think many of our intellectuals nowadays would deny that there is a technology problem, but nearly all of them decline to address it. At best they discuss particular problems created by technological progress, such as global warming or the spread of nuclear weapons. The technology problem as a whole is simply ignored.

It follows that the facts about technological progress and its consequences for society cannot be repeated too often. Even the most intelligent people may refuse to face up to a painful truth until it has been drummed into their heads again and again.

I should add that, as with the Manifesto, no claim of originality is made for this book [Technological Slavery] as a whole. The fact that I’ve cited authority for many of the ideas about human society that are presented here shows that those ideas are not new, and probably most of the other ideas too have previously appeared somewhere in print.

If there is anything new in my approach, it is that I’ve taken revolution seriously as a practical proposition. Many radical environmentalists and “green” anarchists talk of revolution, but as far as I am aware none of them have shown any understanding of how real revolutions come about, nor do they seem to grasp the fact that the exclusive target of revolution must be technology itself, not racism, sexism, or homophobia. A very few serious thinkers have suggested revolution against the technological system; for example, Ellul, in his Autopsy of Revolution. But Ellul only dreams of a revolution that would result from a vaguely defined, spontaneous spiritual transformation of society, and he comes very close to admitting that the proposed spiritual transformation is impossible. I on the other hand think it plausible that the preconditions for revolution may be developing in modern society, and I mean a real revolution, not fundamentally different in character from other revolutions that have occurred in the past. But this revolution will not become a reality without a well-defined revolutionary movement guided by suitable leaders—leaders who have a rational understanding of what they are doing, not enraged adolescents acting solely on the basis of emotion.

Notes

[1] We are not asserting that all, or even most, bullies and ruthless competitors suffer from feelings of inferiority.

[2] During the Victorian period many oversocialized people suffered from serious psychological problems as a result of repressing or trying to repress their sexual feelings. Freud apparently based his theories on people of this type. Today the focus of socialization has shifted from sex to aggression.

[3] Not necessarily including specialists in engineering or the “hard” sciences.

[4] There are many individuals of the middle and upper classes who resist some of these values, but usually their resistance is more or less covert. Such resistance appears in the mass media only to a very limited extent. The main thrust of propaganda in our society is in favor of the stated values. The main reason why these values have become, so to speak, the official values of our society is that they are useful to the industrial system. Violence is discouraged because it disrupts the functioning of the system. Racism is discouraged because ethnic conflicts also disrupt the system, and discrimination wastes the talents of minority-group members who could be useful to the system. Poverty must be “cured” because the underclass causes problems for the system and contact with the underclass lowers the morale of the other classes. Women are encouraged to have careers because their talents are useful to the system and, more importantly, because by having regular jobs women become integrated into the system and tied directly to it rather than to their families. This helps to weaken family solidarity. (The leaders of the system say they want to strengthen the family, but what they really mean is that they want the family to serve as an effective tool for socializing children in accord with the needs of the system. We argue in paragraphs 51-52 that the system cannot afford to let the family or other small-scale social groups be strong or autonomous.)

[5] It may be argued that the majority of people don’t want to make their own decisions but want leaders to do their thinking for them. There is an element of truth in this. People like to make their own decisions in small matters, but making decisions on difficult, fundamental questions requires facing up to psychological conflict, and most people hate psychological conflict. Hence they tend to lean on others in making difficult decisions. But it does not follow that they like to have decisions imposed on them without having any opportunity to influence those decisions. The majority of people are natural followers, not leaders, but they like to have direct personal access to their leaders, they want to be able to influence the leaders and participate to some extent in making even the difficult decisions. At least to that degree they need autonomy.

[6] Some of the symptoms listed are similar to those shown by caged animals. To explain how these symptoms arise from deprivation with respect to the power process: common-sense understanding of human nature tells one that lack of goals whose attainment requires effort leads to boredom and that boredom, long continued, often leads eventually to depression. Failure to attain goals leads to frustration and lowering of self-esteem. Frustration leads to anger, anger to aggression, often in the form of spouse or child abuse. It has been shown that long-continued frustration commonly leads to depression and that depression tends to cause anxiety, guilt, sleep disorders, eating disorders and bad feelings about oneself. Those who are tending toward depression seek pleasure as an antidote; hence insatiable hedonism and excessive sex, with perversions as a means of getting new kicks. Boredom too tends to cause excessive pleasure-seeking since, lacking other goals, people often use pleasure as a goal. The foregoing is a simplification. Reality is more complex, and of course deprivation with respect to the power process is not the only cause of the symptoms described. By the way, when we mention depression we do not necessarily mean depression that is severe enough to be treated by a psychiatrist. Often only mild forms of depression are involved. And when we speak of goals we do not necessarily mean long-term, thought-out goals. For many or most people through much of human history, the goals of a hand-to-mouth existence (merely providing oneself and one’s family with food from day to day) have been quite sufficient.

[7] A partial exception may be made for a few passive, inward-looking groups, such as the Amish, which have little effect on the wider society. Apart from these, some genuine small-scale communities do exist in America today. For instance, youth gangs and “cults.” Everyone regards them as dangerous, and so they are, because the members of these groups are loyal primarily to one another rather than to the system, hence the system cannot control them. Or take the gypsies. The gypsies commonly get away with theft and fraud because their loyalties are such that they can always get other gypsies to give testimony that “proves” their innocence. Obviously the system would be in serious trouble if too many people belonged to such groups. Some of the early-20th-century Chinese thinkers who were concerned with modernizing China recognized the necessity of breaking down small-scale social groups such as the family: “[According to Sun Yat-Sen] the Chinese people needed a new surge of patriotism, which would lead to a transfer of loyalty from the family to the state…. [according to Li Huang] traditional attachments, particularly to the family, had to be abandoned if nationalism were to develop in China” (Chester C. Tan, Chinese Political Thought in the Twentieth century, page 125, page 297).

[8] Yes, we know that 19th-century America had its problems, and serious ones, but for the sake of brevity we have to express ourselves in simplified terms.

[9] We leave aside the “underclass.” We are speaking of the mainstream.

[10] Some social scientists, educators, “mental health” professionals and the like are doing their best to push the social drives into group 1 by trying to see to it that everyone has a eatisfactory social life.

[11] Is the drive for endless material acquisition really an artificial creation of the advertising and marketing industry? Certainly there is no innate human drive for material acquisition. There have been many cultures in which people have desired little material wealth beyond what was necessary to satisfy their basic physical needs (Australian aborigines, traditional Mexican peasant culture, some African cultures). On the other hand there have also been many preindustrial cultures in which material acquisition has played an important role. So we can’t claim that today’s acquisition-oriented culture is exclusively a creation of the advertising and marketing industry. But it is clear that the advertising and marketing industry has had an important part in creating that culture. The big corporations that spend millions on advertising wouldn’t be spending that kind of money without solid proof that they were getting it back in increased sales. One member of FC met a sales manager a couple of years ago who was frank enough to tell him, “Our job is to make people buy things they don’t want and don’t need.” He then described how an untrained novice could present people with the facts about a product and make no sales at all, while a trained and experienced professional salesman would make lots of sales to the same people. This shows that people are manipulated into buying things they don’t really want.

[12] The problem of purposelessness seems to have become less serious during the last 15 years or so [this refers to the 15 years preceding 1995], because people now feel less secure physically and economically than they did earlier, and the need for security provides them with a goal. But purposelessness has been replaced by frustration over the difficulty of attaining security. We emphasize the problem of purposelessness because the liberals and leftists would wish to solve our social problems by having society guarantee everyone’s security; but if that could be done it would only bring back the problem of purposelessness. The real issue is not whether society provides well or poorly for people’s security; the trouble is that people are dependent on the system for their security rather than having it in their own hands. This, by the way, is part of the reason why some people get worked up about the right to bear arms; possession of a gun puts that aspect of their security in their own hands.

[13] Conservatives’ efforts to decrease the amount of government regulation are of little benefit to the average man. For one thing, only a fraction of the regulations can be eliminated because most regulations are necessary. For another thing, most of the deregulation affects business rather than the average individual, so that its main effect is to take power from the government and give it to private corporations. What this means for the average man is that government interference in his life is replaced by interference from big corporations, which may be permitted, for example, to dump more chemicals that get into his water supply and give him cancer. The conservatives are just taking the average man for a sucker, exploiting his resentment of Big Government to promote the power of Big Business.

[14] When someone approves of the purpose for which propaganda is being used in a given case, he generally calls it “education” or applies to it some similar euphemism. But propaganda is propaganda regardless of the purpose for which it is used.

[15] We are not expressing approval or disapproval of the Panama invasion. We only use it to illustrate a point.

[16] When the American colonies were under British rule there were fewer and less effective legal guarantees of freedom than there were after the American Constitution went into effect, yet there was more personal freedom in preindustrial America, both before and after the War of Independence, than there was after the Industrial Revolution took hold in this country. We quote from Violence in America: Historical and Comparative Perspectives, edited by Hugh Davis Graham and Ted Robert Gurr, chapter 12 by Roger Lane, pages 476-478: “The progressive heightening of standards of propriety, and with it the increasing reliance on official law enforcement [in 19th-century America]…were common to the whole society… [T]he change in social behavior is so long term and so wide-spread as to suggest a connection with the most fundamental of contemporary social processes; that of industrial urbanization itself. …Massachusetts in 1835 had a population of some 660,940,81 percent rural, overwhelmingly preindustrial and native born. Its citizens were used to considerable personal freedom. Whether teamsters, farmers or artisans, they were all accustomed to setting their own schedules, and the nature of their work made them physically independent of each other. …Individual problems, sins or even crimes, were not generally cause for wider social concern. …But the impact of the twin movements to the city and to the factory, both just gathering force in 1835, had a progressive effect on personal behavior throughout the 19th century and into the 20th. The factory demanded regularity of behavior, a life governed by obedience to the rhythms of clock and calendar, the demands of foreman and supervisor. In the city or town, the needs of living in closely packed neighborhoods inhibited many actions previously unobjectionable. Both blue- and white-collar employees in larger establishments were mutually dependent on their fellows; as one man’s work fit into another’s, so one man’s business was no longer his own. The results of the new organization of life and work were apparent by 1900, when some 76 percent of the 2,805,346 inhabitants of Massachusetts were classified as urbanites. Much violent or irregular behavior which had been tolerable in a casual, independent society was no longer acceptable in the more formalized, cooperative atmosphere of the later period. …The move to the cities had, in short, produced a more tractable, more socialized, more civilized generation than its predecessors.”

[17] Apologists for the system are fond of citing cases in which elections have been decided by one or two votes, but such cases are rare.

[18] “Today, in technologically advanced lands, men live very similar lives in spite of geographical, religious, and political differences. The daily lives of a Christian bank clerk in Chicago, a Buddhist bank clerk in Tokyo, and a Communist bank clerk in Moscow are far more alike than the life any one of them is like that of any single man who lived a thousand years ago. These similarities are the result of a common technology….” L. Sprague de Camp, The Ancient Engineers, Ballantine edition, page 17. The lives of the three bank clerks are not identical. Ideology does have some effect. But all technological societies, in order to survive, must evolve along approximately the same trajectory.

[19] Just think, an irresponsible genetic engineer might create a lot of terrorists.

[20] For a further example of undesirable consequences of medical progress, suppose a reliable cure for cancer is discovered. Even if the treatment is too expensive to be available to any but the elite, it will greatly reduce their incentive to stop the escape of carcinogens into the environment.

[21] Since many people may find paradoxical the notion that a large number of good things can add up to a bad thing, we illustrate with an analogy. Suppose Mr. A is playing chess with Mr. B. Mr. C, a grand master, is looking over Mr. A’s shoulder. Mr. A of course wants to win his game, so if Mr. C points out a good move for him to make, he is doing Mr. A a favor. But suppose now that Mr. C tells Mr. A how to make all of his moves. In each particular instance he does Mr. A a favor by showing him his best move, but by making all of his moves for him he spoils his game, since there is no point in Mr. A’s playing the game at all if someone else makes all his moves. The situation of modern man is analogous to that of Mr. A. The system makes an individual’s life easier for him in innumerable ways, but in doing so it deprives him of control over his own fate.

[22] Here we are considering only the conflict of values within the mainstream. For the sake of simplicity we leave out of the picture “outsider” values like the idea that wild nature is more important than human economic welfare.

[23] Self-interest is not necessarily material self-interest. It can consist in fulfillment of some psychological need, for example, by promoting one’s own ideology or religion.

[24] A qualification: It is in the interest of the system to permit a certain prescribed degree of freedom in some areas. For example, economic freedom (with suitable limitations and restraints) has proved effective in promoting economic growth. but only planned, circumscribed, limited freedom is in the interest of the system. The individual must always be kept on a leash, even if the leash is sometimes long. (See paragraphs 94, 97.)

[25] We don’t mean to suggest that the efficiency or the potential for survival of a society has always been inversely proportional to the amount of pressure or discomfort to which the society subjects people. That certainly is not the case. There is good reason to believe that many primitive societies subjected people to less pressure than European society did, but European society proved far more efficient than any primitive society and always won out in conflicts with such societies because of the advantages conferred by technology.

[26] If you think that more effective law enforcement is unequivocally good because it suppresses crime, then remember that crime as defined by the system is not necessarily what you would call crime. Today, smoking marijuana is a “crime,” and, in some places in the U.S., so is possession of an unregistered handgun. Tomorrow, possession of any firearm, registered or not, may be made a crime, and the same thing may happen with disapproved methods of child-rearing, such as spanking. In some countries, expression of dissident political opinions is a crime, and there is no certainty that this will never happen in the U.S., since no constitution or political system lasts forever. If a society needs a large, powerful law enforcement establishment, then there is something gravely wrong with that society; it must be subjecting people to severe pressures if so many refuse to follow the rules, or follow them only because forced. Many societies in the past have gotten by with little or no formal law-enforcement.

[27] To be sure past societies have had means of influencing human behavior, but these have been primitive and of low effectiveness compared with the technological means that are now being developed.

[28] However, some psychologists have publicly expressed opinions indicating their contempt for human freedom. And the mathematician Claude Shannon was quoted in Omni (August 1987) as saying, “I visualize a time when we will be to robots what dogs are to humans, and I’m rooting for the machines.”

[29] This is no science fiction! After writing paragraph 154 we came across an article in Scientific American according to which scientists are actively developing techniques for identifying possible future criminals and for treating them by a combination of biological and psychological means. Some scientists advocate compulsory application of the treatment, which may be available in the near future. (See “Seeking the Criminal Element,” by W. Wayt Gibbs, Scientific American, March 1995.) Maybe you think this is okay because the treatment would be applied to those who might become violent criminals. But of course it won’t stop there. Next, a treatment will be applied to those who might become drunk drivers (they endanger human life too), then perhaps to people who spank their children, then to environmentalists who sabotage logging equipment, eventually to anyone whose behavior is inconvenient for the system.

[30] A further advantage of nature as a counter-ideal to technology is that, in many people, nature inspires the kind of reverence that is associated with religion, so that nature could perhaps be idealized on a religious basis. It is true that in many societies religion has served as a support and justification for the established order, but it is also true that religion has often provided a basis for rebellion. Thus it may be useful to introduce a religious element into the rebellion against technology, the more so because Western society today has no strong religious foundation. Religion nowadays either is used as cheap and transparent support for narrow, short-sighted selfishness (some conservatives use it this way), or even is cynically exploited to make easy money (by many evangelists), or has degenerated into crude irrationalism (fundamentalist protestant sects, “cults”), or is simply stagnant (Catholicism, mainline Protestantism). The nearest thing to a strong, widespread, dynamic religion that the West has seen in recent times has been the quasi-religion of leftism, but leftism today is fragmented and has no clear, unified, inspiring goal. Thus there is a religious vacuum in our society that could perhaps be filled by a religion focused on nature in opposition to technology. But it would be a mistake to try to concoct artificially a religion to fill this role. Such an invented religion would probably be a failure. Take the “Gaia” religion for example. Do its adherents really believe in it or are they just play-acting? If they are just play-acting their religion will be a flop in the end. It is probably best not to try to introduce religion into the conflict of nature vs. technology unless you really believe in that religion yourself and find that it arouses a deep, strong, genuine response in many other people.

[31] Assuming that such a final push occurs. Conceivably the industrial system might be eliminated in a somewhat gradual or piecemeal fashion. (See paragraphs 4, 167 and Note 32.)

[32] It is even conceivable (remotely) that the revolution might consist only of a massive change of attitudes toward technology resulting in a relatively gradual and painless disintegration of the industrial system. But if this happens we’ll be very lucky. It’s far more probable that the transition to a non-technological society will be very difficult and full of conflicts and disasters.

[33] The economic and technological structure of a society are far more important than its political structure in determining the way the average man lives. (See paragraphs 95, 119 and Notes 16, 18.)

[34] This statement refers to our particular brand of anarchism. A wide variety of social attitudes have been called “anarchist,” and it may be that many who consider themselves anarchists would not accept our statement of paragraph 215. It should be noted, by the way, that there is a nonviolent anarchist movement whose members probably would not accept FC as anarchist and certainly would not approve of FC’s violent methods.

[35] Many leftists are motivated also by hostility, but the hostility probably results in part from a frustrated need for power.

[36] It is important to understand that we mean someone who sympathizes with these movements as they exist today in our society. One who believes that women, homosexuals, etc., should have equal rights is not necessarily a leftist. The feminist, gay rights, etc., movements that exist in our society have the particular ideological tone that characterizes leftism, and if one believes, for example, that women should have equal rights it does not necessarily follow that one must sympathize with the feminist movement as it exists today.